De onuitgegeven biografie van
Chirurg Louis Ronse

Twee oorlogen, één leven

door Hubert Ronse de Craene

De onvermoeibare psychiater Dr. Hubert Ronse de Craene, auteur van tientallen wetenschappelijke werken en van “Ieper, Mei 1940” (Het oorlogsdagboek van burgemeester Jan Van der Ghote) heeft eindelijk ook de biografie van zijn gerenommeerde vader, chirurg Louis Ronse (1891-1973), samengesteld.
Aan de hand van diverse dagboeken, vele archieven en persoonlijke herinneringen reconstrueerde de auteur nauwgezet de ongemeen vruchtbare loopbaan en de hoge verdiensten van zijn ouder. Geboren in Gent had Louis Ronse zijn roots in de Westhoek; geen wonder dat hij zich, onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog, definitief in Ieper vestigde, waar hij zich tot aan zijn dood uiterst verdienstelijk zou maken als geneesheer, publicist en op velerlei vlakken van het sociale leven. Hij onderscheidde zich vooral in zijn specialisering, de chirurgie, waarvan hij trouwens een der pioniers was in West-Vlaanderen. Hij oogstte op dit gebied zelfs internationale erkenning.
Het leven van Louis Ronse werd diep getekend door twee oorlogen. Zijn schitterende medische studies werden onderbroken in 1914 toen hij meteen in de vuurlijn terechtkwam aan het IJzerfront. Hij werd er geconfronteerd met de moed en de ellende der soldaten in de slijkerige loopgraven, alsook met de laksheid en het verraad van sommige Fronters. Het flamingantisme dat zijn studentenjaren had gekenmerkt, kreeg er een flinke deuk.
Na de Eerste Wereldoorlog maakte Louis Ronse de moeizame heropbouw mee van het totaal verwoeste Ieper. Zijn harde frontervaringen zetten hem ertoe aan zich verder te vervolmaken op medisch gebied; hij schrok er niet voor terug de nieuwste technieken in zijn vak te experimenteren. Weldra werd hij hoofdgeneesheer en chirurg in twee klinieken en oogstte hij in gans de Westhoek en ook daarbuiten grote bekendheid.
Tijdens het interbellum moest hij echter rekening houden met enige naijver van een collega en de kortzichtigheid van sommige overheidsdiensten; de moeilijkheden en het vele werk hadden in 1937 een diepe inzinking tot gevolg.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was hij er nochtans weer gans bovenop. Tijdens de meidagen ´40 stond chirurg Ronse opnieuw dag en nacht in de bres om de gewonde burgers en soldaten te verzorgen. Vooral echter in de donkere bezettingsjaren trad hij op het voorplan door zijn onverdroten, onverschrokken hulp niet enkel aan zijn medeburgers maar ook aan talrijke verzetslieden, onderduikers en neergehaalde geallieerde vliegeniers. Zijn prestaties en de erkentelijkheid die hij later hiervoor zou bekomen, maakten de ontgoochelingen uit W.O. I en de nare ervaringen uit het interbellum weer goed.
In de rand van de levensloop van chirurg Louis Ronse beschrijft zijn zoon ook tal van merkwaardige toestanden en gebeurtenissen die deze periode hebben gekenmerkt. Bouwkundigen, historici, heemkundigen, artsen, verpleegkundigen, sociologen, geestelijken, botanisten en vele anderen zullen hun interesses vinden in deze diepzinnige terugblik op een tijdperk, waarin de vooruitgang van de medische kennis en de bevrijding van de leefgewoonten nog maar amper op gang waren gekomen.

J.M.P.

Dr. Hubert Ronse de Craene

Dr. Hubert Ronse de Craene

Nader kennismaken met

Psychiater en auteur

Dr. Hubert Ronse de Craene

Dr. Hubert Ronse de Craene is een belezen, ondernemend en veelzijdig man. Zijn beknopt curriculum vitae leest men in de rand van zijn boek ‘Ieper, Mei 1940’. Bijgaande ‘biografie’ laat toe wat nader kennis te maken met een boeiende persoonlijkheid en zijn vele activiteiten.

Hubert Ronse de Craene werd in 1960 benoemd tot psychiater aan de Onze-Lieve- Vrouwkliniek te St.-Michiels-Brugge. Na één jaar kreeg hij, samen met twee halftime huisartsen, de verantwoordelijkheid over de ongeveer 600 patiënten.
Hij leerde dat psychiatrische behandeling altijd en overal teamwerk is. Zo heeft hij zich steeds toegelegd op de vorming en opleiding van personeel tot diverse taken. Verpleegkundigen hebben als essentiële opdracht de zieke te begeleiden; ergotherapeuten, bewegingstherapeuten, creatieve therapeuten, noem maar op, hebben allen zeer specifieke functies.
Hij begreep dat algemene uniforme behandeling van de patiënten uit den boze is. Er bestaan immers velerlei psychiatrische aandoeningen. De patiënten hebben recht op een behandeling ‘à la carte’, aangepast aan hun ziekte.
Daarvoor moet een gespecialiseerde kliniek op degelijke wijze functioneren. Zij moet een ‘therapeutische gemeenschap’ mogelijk maken. Alles wat de gehospitaliseerden verrichten moet bijdragen tot hun genezing.

Ronse stichtte in 1965 een nieuwe kliniek, ‘Rustenburg’ te St.-Pieters-Brugge, met 75 plaatsen. Het werd een ‘psychotherapeutisch centrum’ waar zo weinig mogelijk medicijnen toegediend werden. De behandeling is gebaseerd op de onderlinge relaties en groepstherapie. Hierdoor behoorde het ‘centrum’ tot de groep van ‘therapeutische gemeenschappen’ van het Nederlands taalgebied, samen met nog drie klinieken in Nederland.
De oprichting van ‘Rustenburg’ was uiteindelijk een grote hulp bij de evolutie van de behandeling in de grote kliniek: in het ‘centrum’ kon tot stand gebracht worden wat nadien in de Onze-Lieve-Vrouwkliniek gemakkelijker werd toegepast.

Na de contestatiebeweging van 1968 werden in België tal van ‘therapeutische gemeenschappen’ opgericht. Deze staan echter niet, zoals de klinieken, onder toezicht van het ‘Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering’; ‘Rustenburg’ wel.
Een kliniek mag geen geïsoleerd werkend bastion zijn. De zieke moet er in moeilijke omstandigheden gemakkelijk hulp kunnen bekomen om daarna tijdig ontslagen te worden. Daarom werd Ronse medisch directeur van een extramuraal centrum. Het SPS, ‘Sociaal en Psychologisch Studiebureau’ werd complementair met de kliniek. Zo kon behandeling gebeuren aan huis. Dit ‘bureau’ werd toonaangevend voor België.

Ronse sloot bovendien op nationaal en internationaal vlak aan bij verenigingen die goede psychiatrie wilden promoveren; deze moet zich toeleggen op de medewerking en de inspraak van de patiënten en hun families bij de behandeling. Dit kan o.a. ook door ‘zelfhulpgroepen’ voor hen of voor hun nabestaanden. Ronse werd voorzitter van tal van verenigingen of stichtte er nieuwe, indien nodig. “Psychiatrie is vooral in contact treden met anderen” aldus Dr. Ronse.

Karl Jaspers beweerde dat een goede psychiater ofwel politicus wordt, ofwel filosoof ofwel geschiedkundige. Op politiek gebied moet hij van de gemeenschap goede behandelingsmogelijkheid eisen; door de relatie met anderen leert hij zichzelf relativeren; in het derde geval wil hij door geschiedenis te weten komen hoe de huidige situatie tot stand gekomen is. Men moet het verleden kennen om te ontdekken welke de goede beslissingen kunnen zijn voor de toekomst.

Ronse is geen politicus Hij heeft wel wetgevers beïnvloed, hetzij door rechtstreeks persoonlijk contact, hetzij via verenigingen die werkten als drukkingsgroepen.
Filosoof is hij evenmin. Wel bood het contact met patiënten hem de gelegenheid zich beter te situeren. Hij heeft uiteindelijk gekozen voor geschiedenis. Hij publiceerde o.a. een ‘echte’ ‘Geschiedenis van Geel’. Deze wordt steeds gedoceerd volgens archaïsche negentiende-eeuwse visies; dit werd hem ten andere verweten. Hij had er ook plezier in, de psychiatrie te situeren te Poperinge in de achttiende eeuw, een plaats waar niemand ze zou zoeken. Tot een herschrijven van de psychiatrie in Brugge kwam het niet. Wel schetste hij specifieke situaties in het begin van de negentiende eeuw en publiceerde hij collocatiedossiers uit de achttiende eeuw.

Geïnteresseerd in de samenstelling van de bevolking en haar evolutie, publiceerde hij tal van demografische analyses.
Hij beschreef ook de toestand van de bevolking te Ieper in mei 1940 en werkt nu aan haar situatie gedurende de Eerste Wereldoorlog.

Ronse is ook genealoog. Hiermee probeert hij levenssituaties te ontleden. Feitelijk zijn het verhalen zoals de expertises die hij verricht voor de rechtbank.

Nu pakt hij uit met de biografie van zijn vader. Die was chirurg te Ieper. Het is een gelegenheid om het leven tussen de twee wereldoorlogen te beschrijven alsook de fantastische evolutie van de geneeskunde.

Hubert Ronse de Craene

DOKTER LOUIS RONSE

Twee oorlogen, een leven

Was du ererbt von dein Vätern has
erwerb es, um es zu besitzen.
(Goethe, Faust I,1)

Dokter Louis Ronse

Dokter Louis Ronse (1891 - 1973)

Eerste hoofdstuk

EEN RONSE TE IEPER

De eerste wereldoorlog had de chirurgie enorme armslag gegeven. De chirurg was het orakel in de geneeskunde. Louis Ronse was een pionier: in het interbellum was Louis Ronse zelfs de enige chirurg in de Westhoek. Ieper, zelfs Poperinge en Veurne vormden zijn werkterrein.

Hij koos een verwoest gewest waar ook de medische zorg aan duigen lag. Zo praktiseerde hij als een van de eerste zeldzame artsen, in voorlopige barakken tussen het puin. Dit desolate landschap was hij al gewoon geworden, na vier jaar leven in de loopgraven aan de IJzer.

Ieper werd echter heropgebouwd. Ook hij moest zijn uitzichtloze toekomst hervatten. Hij werd het medische orakel. Als 'patron' mocht hij de lakens uitdelen. Nochtans bleef hij steeds zichzelf en was nooit conventioneel. Hij was “l’homme qui sautait par-dessus les bacs à ordure”. De weg van het Hospitaal naar de Kliniek legde hij af al springend over de vuilnisbakken (1).

Een kleine twintig jaar later werd alles echter opnieuw in vraag gesteld. Een tweede oorlogsravage! Nadien werd het een tweede noodzakelijke heropbouw van het leven. Geen grootse plannen meer maar uiteindelijk rustig anderen helpen. Hij werd 'un honnête médecin de campagne' zoals zijn collega, Professor Morel uit Leuven, hem noemde (2).

  1. Gegevens van Guy van Renynghe de Voxvrie
  2. Prof. chirurg Morel versprak zich bij een toast op het huwelijksfeest van een zoon. Het was niet pejoratief bedoeld.

1. EEN IEPERLING IN WORDING

Louis Ronse koos voor de bouw van zijn huis een hoop puin aan de Kalfvaart, juist tegenover het noodhospitaal waar hij werkzaam was. Het waren ruines van vier huizen die hij kocht aan 41 fr. per m2 - toch goed betaald - aan Eugène Froidure ‘ingénieur en chef des ponts et chaussées’. De akte werd verleden voor notaris François-Xavier Landrieux te Gent. Dit was een klasgenoot en vriend van Louis. Te Gent! Alles was nog gericht op zijn geboortestad, Louis was nog maar een Ieperling in wording.
Hierbij was ook oorlogsschade voorzien. Dit werd bepaald bij vonnis van 12 september 1922 door het Tribunaal voor Oorlogsschade.

Als architect koos hij een Kortrijkzaan, Jan Roland Van Hoenacker (1). Die werkte te Ieper vooral voor de burgerij. Hij ontwierp o.a. het ‘White Château’ voor Biebuyck, een eindje voorbij de Bascule, in de richting van Menen. Er was ook het ‘huis Cousin’ in de ‘De Steurstraat’; naast het vroegere Clarissenklooster, nu een rustoord.

Deze talentvolle man had eerst een beroepsopleiding genoten als schrijn-werker en daarop als meubelontwerper. Uiteindelijk belandde hij in architectuur. Na de wereldoorlog was Waasten zijn pleisterplaats. Hij bouwde er de kerk en het stadhuis, ontwierp het nieuw kerkhof, tekende de plannen van de gemeenteschool voor jongens, van de school van de Broeders Maristen en van het rustoord. Hij was ook de bouwmeester van hoeven en de voornaamste woningen in de hoofdstraten.
Zijn stijl was traditioneel en toch modern art deco. Hij was daarbij tijdgenoot van Van de Velde, Hoste en anderen uit deze school. In de Waastense kerk gebruikte hij veel geglazuurd keramiek, o.a. voor de kansel en biechtstoelen. Later bouwde hij te Antwerpen de eerste wolkenkrabber van het land, de ‘Boerentoren’. Opdrachtgever was de koeken- en chocoladefabriek ‘De Beukelaar’, daarop werd de Krediet Bank er eigenaar van (2).

  1. Deze heeft zich te Antwerpen geassocieerd met J. Van Beurden en S. Smolderen.
  2. Gegevens Architect Viaene te Ieper. Rijksarchief Brussel: Fonds Verwoeste Gewest.

2. DE KALFVAART

In 1923, toen Louis Ronse reeds drie jaar te Ieper verbleef, werd begonnen aan de werf op de Kalfvaart. Hij wilde een huis zoals aan de grachten te Amsterdam. Er was natuurlijk geen water. Dit moest men halen uit de Wieltjesgracht, deel van de oude vestingwal bij de Torhoutpoort, door Vauban opgetrokken. Louis Ronse wilde allure. Het huis stond hoog tussen de aanpalende arbeiderswoningen en had een hoge stoep, hoge vensters, een belangrijke topgevel met een steile, blauwe dakkap. Het was opgetrokken in gele baksteen, de omlijsting van de vensters in wit arduin.

Huis Louis Ronse

De dokterswoning in de Kalfstraat

Dit maakte wel indruk. Buurman Karel Gadeyne gebruikte de grootte van het huis als eenheidsmaat bij het schatten van de verwoestingen in mei 1940: “Op het kruispunt van de Bruggesteenweg en de Kalfvaart was een put waarin het ganse huis van Dr. Ronse zou kunnen verdwijnen” (1).

Het hospitaal tegenover het huis was toen nog ondergebracht in barakken van het Albertfonds (2). Die waren opgetrokken buiten de Wieltjesgracht op de Kalfvaart. Vóór de oorlog was hier de moestuin van de Burgerlijke Godshuizen. In afwachting dat zijn huis klaarkwam betrok Louis Ronse een barak op de hospitaalsite (3).

Het definitieve hospitaal werd ondertussen ook gebouwd. Het kwam op het terrein van het vroegere Psychiatrisch Instituut in de Lange Torhoutsestraat. Wanneer dit in 1924 progressief in gebruik genomen werd bleef het plein op de Kalfvaart jaren lang braak. Na de tweede wereldoorlog werden er villa's op gebouwd.

  1. Archief Coombs-Caenepeel Ieper: Oorlog 1940. Geteisterde gebouwen.
  2. Dit fonds bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken werd op 23.09.1914 door de regering in Le Havre gesticht om te verhelpen aan de woningnood bij middel van houten barakken. Die constructies bleven na de oorlog nog lang in gebruik. Zij ressorteerden dan onder de in 1919 opgerichte Dienst der Verwoeste Gewesten die alle heropbouw regelde tot in 1926 (Resurgam. De Belgische Wederopbouw. 1985, Gemeentekrediet, Brussel).
  3. Archief OCMW. Verslagboeken.

Tweede hoofdstuk

ZIJN JEUGD

1. ZIE JE VAN ROENSE?

Wanneer ik als kleine jongen ergens kwam kreeg ik steeds dezelfde vraag: “Zie je van Roense? - Behoor je tot de familie Ronse?”. Dit werd dan steeds gevolgd door de vertrouwensmededeling: “Joen vodre et mi nog gopereert - uw vader heeft mij nog geopereerd!”.

De naam Ronse betekende iets in de streek. Wie waren de Ronses feitelijk?

De voorouders waren hoveniers en sinds 1800 kooplieden te Veurne. Edmond-Constantijn, de grootvader van Louis was ook garen- en bandverkoper. Hij werd echter gegrepen door 'het heilige vuur der letteren’. Hij schreef gedichten en uiteindelijk ook geschiedenis. Daarbij zette hij zich in voor de Vlaamse Beweging. Edmond kreeg hierdoor een plaatsje in de 'Biographie Nationale' en werd zo de 'grote’ man van de familie.

Zijn zoon Herman, vader van Louis, ijverde ook voor het Nederlands, speciaal in het onderwijs. Hij was immers directeur van de Rijkstuinbouwschool te Gent. Daarbij was hij medestichter van het eerste katholiek werkliedensyndicaat in België. Dit werd gesticht als reactie tegen de socialistische beweging. Herman was immers 'hyperkatholiek'.

Gans het gezin was dus Vlaams, katholiek en sociaal bewogen. Later zou een zoon, Edmond, dezelfde weg opgaan en zelfs minister worden. Hij was de oudste broer van onze chirurg.

Louis had een identieke politieke opinie als zijn oudere broer maar al zijn aandacht ging naar zijn beroep.

2. KLEINE LOUIS

Bij de vertelsels van Louis kwamen drie verhaaltjes steeds aan bod. Twee uit de oorlog en eentje uit zijn kinderjaren. Alle ondeugende verhalen om de kittelorigheid van zijn vrouw te toetsen!

Een eerste herinnering: hij was in de armen van de dienstmeid. Op een zolder zonder plankenvloer sprong die van de ene balk op de andere. Het was een zolderruimte waarvan de bevloering nog niet gelegd was. Voor Louis was het zalig de schokken te kunnen voelen, leunend tegen haar borsten. Er waren weinig herinneringen aan de ouders. In hun jonge jaren werden de kinderen vooral door dienstpersoneel opgevangen. Daarbij was het een zeer groot gezin. De vader was ook weinig thuis. Hij was politieker, litterator, directeur van de Gentse tuinbouwschool en apotheker.

Kleine Louis

Kleine Louis

Louis is steeds een onderdanig en gevoelig kind geweest. Hij was de derde en volgde op Edmond. Oudere broer was briljant. Hij kon alles, durfde alles en Louis keek steeds naar hem op. Somtijds was het echter wat te veel. Tot ontsteltenis van zijn broertje ging Edmond met zijn vriendje Hye de Crom in het Citadelpark vogelnesten roven. Louis durfde hier niet aan meedoen.

Kleine Louis pelde bij het ontbijt netjes zijn druiven. Hij schikte ze mooi op zijn bord en vlugge broer hapte ze naar binnen.

Op school had Edmond het gemakkelijk. Louis behaalde even goede resultaten maar het vergde wel wat meer inspanning.Gans het verdere leven bleef dit zo. “Edmond zal nooit onbestoeft - zonder bewonderd te zijn - slapen gaan” aldus zijn moeder. Later wilde Louis een academische titel. Op het ogenblik echter dat hij zijn doel zou bereiken speelde de Grote Oorlog hem hierin parten. Edmond deed het beter. Deze kon vanaf 1914 te Parijs reeds zijn carrière opbouwen.

3. MUZIEK OP HET PATRONAAT

Kleine Louis was muzikaal aangelegd. De straatliedjes waren in zijn herinneringen ook belangrijk (1). De kwajongens Ronse speelden buitenshuis, vooral met buurtjongens in het patronaat. Hun vader bevorderde die christelijke vrije tijdsorga-nisatie. Hier zal het wel volks toegegaan zijn. Louis kwam thuis met mooie liedjes. Eerst het volkslied van de parochie:

“Eén, twee, drij, vier, de Heuvelpoert, de Heuvelpoert,
één, twee, drij, vier, de Heuvelpoert is hier!”

en commentaar op belangrijke gebeurtenissen:

“Wie gaat er mee naar Verapaz?
Daar moete' je niet werken,
Eten en slapen gelijk een verken!"
(2)

Daarbij ook lokale evenementen. In hun studententijd hielpen de zonen van Herman nog op het patronaat. Ze leerden er ook recenter liedjes. Eentje uit 1913:

“En Pei Gou die vliegt omhoege
om zijn kunsten eens te toege'
eerst op zijne rugge
dan op zijne buik,
en dan vliegt hij de piste uit”.

Een herinnering aan de Franse vlieger Pierre Goux (3). Op de laatste dag van de grote Wereldtentoonstelling te Gent in 1913 gaf die een demonstratie op het St.-Denijsplein. Met het antiek vliegtuig verrichtte hij ‘looping the loop’ - tientallen verticale cirkels, tot groot jolijt van de ‘lochte Genteneers’!
Deze ontspanning lag nochtans niet in ieders smaak. Pastoor Van der Mynsbrugge van St.-Coleta in zijn ‘Liber Memorialis’: “en 1913 il n’ y a eu que . . 24.800 communions durant toute l'année. Le temps de l'Exposition est cause de cette diminution”.(4).
Louis volgde ook muziekles. Hij deed dit zeer ordentelijk. Zijn leermeesteres was Marguerite de Guchteneere (5). Hij mocht haar graag en legde zich speciaal toe op de notenleer, te meer omdat zijn lerares een cantate schreef voor de Romeprijs.
Na het eerste doctoraat op de universiteit ging al zijn interesse echter naar het universiteitslaboratorium. Hij minderde daarom alle activiteiten die niets met de studies te maken hadden Ook de muziek! De grote oorlog die enkele maanden later uitbrak, maakte het dan helemaal onmogelijk.
Hij kwam niet verder dan ‘Ik zoek mijn Euridice’ van Glück. Louis zong het dikwijls. De kinderen hoorden het van in de wieg. Ook was er Gounod met de aria van Marguerite: ‘Je ris de me voir si belle’. Dan zongen de kinderen mee. Zij wisten niet dat hun vader nog een tweede Marguerite had.

  1. Louis Ronse: Mémoires..
  2. Een reminiscentie van de mislukte kolonisatiepoging van Leopold I in Guatemala.
  3. Pierre Goux sneuvelde in de oorlog 1914-1918.
  4. In 1912 waren er 26.500 communicanten. Tweeduizend parochianen bleven liever op de kermis?
  5. Niet Rosa De Guchtenaere. Ook zij musiceerde en was uiterst Vlaams voelend wat bij de Ronse's in de smaak viel. Zij was echter antireligieus wat hier niet paste. Marguerite was ook dertien jaar jonger dan Rosa.

4. LEVEN MIDDEN HET GROEN

Het directeurshuis in de Normaalschoolstraat lag midden de tuinen en serres van de Hofbouwschool. Het was een neogotiek gebouw, als een kasteel midden het groen. Naar de stad toe waren er ook de bomen van het Citadelpark (1).

Gent

Er stonden wel werkmanswoningen in de richting van de Schelde maar hier was alles nog landelijk. De stroom wordt op deze plaats nauwer tussen de heuvel van Ledeberg en de Blandijnberg. Langs de Schelde bij de Strokaai ligt het ‘Strop’. Het is het moederhuis der Broeders van Liefde met de psychiatrische inrichting er aan verbonden. De kleine Ronses werden er soms naar toe gestuurd met een of andere dringende medicijn voor patiënten. Hier was een grote inrijpoort in blauw arduin en erboven in gebeitelde reuzeletters: ‘Maison de Santé'. Indrukwekkend!
Enkele familieleden werden later aan de zorgen van de Broeders toevertrouwd. Zij hebben hiervoor nooit ver moeten lopen. Je moest uiteindelijk enkel maar het hoekje om.

Aan de zuidkant van de ‘Maison de Santé’, op het einde van het Stropsteegje had je ook ‘La cité ouvrière du Strop’. Het waren twintig huisjes rond een vierkantige middenkoer met twee toiletten en de waterpomp in het midden. Op het eind was een keet en een hondenhok. Hier woonde een brandhoutleurder die met een stootkar en vier zwarte honden door de straten trok. Soms moest hij in de moestuin van de psychiatrische inrichting. Hij liet dan zijn hondenkar aan de deur. Kleine Louis bleef liever wat op afstand.

De Ledebergheuvel was ook landelijk. Er waren moestuinen en kleine pachthoven, omgeven door mooie hagen. Soms trok kleine Louis, samen met zijn oudste zus, langs deze smalle paadjes. Hun moeder zond ze immers om er groenten te kopen, of boter gewikkeld in een rabarberblad.
Hier had je ook de Zevenweiden waar het drinkwater voor de stad gewonnen werd. Aannemer August Kallaert had er de galerijen voor de waterwinning gegraven. Het was een buur tevens medebestuurder van de ‘Werkmanskring’ van de parochie. Er waren hier machtige stoompompen: een daverend schouwspel voor kleine snaken. Louis bezocht het met zijn vader in 1897. Dit was een indrukwekkend evenement wanneer men in de duisternis door de onderaardse gangen trok.

Louis trok met zijn ouder soms naar de Zevenweiden op vlinderjacht. Dan kwamen ze voorbij de spinnerij Van Uyttenhove. De arbeiders schaften hier bij de poort, gehurkt op een rijtje langs de muur. Plots weerklonk het sirenesein en de schartijd was om. De werklieden verdwenen. Voor de kleine jongen als in een poppenspel.
Vóór het ‘Strop’ lag op de Schelde steeds een grote dekschuit gemeerd met een kippenhok op het middendek. Interessant voor de kinderen! Op de andere oever was een droogdok. Het werk met het lawaai van de boorhamers was dan weer bezienswaardig.

Louis leefde mee, vooral ook luisterend. Wanneer hij op tachtigjarige leeftijd deze wat zeldzame herinneringen neerschrijft zijn ze meestal alle met geluiden omweven. Je hebt de blaffende honden, de fabrieksirene, de kakelende kippen, de boorhamers maar ook een brandweerwagen, de stoomfluit van een trekboot. In de tuin van de Normaalschool kon Louis daarbij 's zondagnamiddags de muziek van de harmonie in het Citadelpark horen.

  1. Het is de vesting die door Willem I nog versterkt, en na 1830 afgebroken werd.

Derde hoofdstuk

DE STUDIES

1. HET SINT-BARBARACOLLEGE

Toen Louis 9 jaar was veranderde hij van school. Vader Ronse nam in 1900 een belangrijke beslissing. Het was het jaar na diens hommage aan Bisschop Stillemans met zijn gedicht ‘Het Oratorio van de Dood’. In dit jaar was Priester Daens immers in opstand gekomen tegen zijn bisschop en Herman Ronse benadrukte met die geste zijn aanhankelijkheid aan Rome. Hij deed nog meer: van nu af zou hij al zijn zonen naar de meest ultramontaanse school te Gent sturen, het elitaire Sint-Barbaracollege.
Hij heeft zijn twee oudste telgen, Edmond en Louis, bij de paters Jezuïeten ingeschreven op 6 September 1900. De oudste was in het ‘première préparatoire’, het zesde leerjaar, Louis in het ‘troisième préparatoire’, het vierde (1).
De drie lagere klassen waren hier niet voorhanden. Herman Ronse had eerst geopteerd voor St.-Lievens, het bisschoppelijk college. Zijn oudste verbleef er vijf jaar, Louis drie. Blijkbaar was hij minder tevreden geweest over deze lagere klassen en zocht een andere lagere school voor zijn andere kinderen.
Vond hij er geen naar zijn keus? Het werden steeds andere instellingen. Fritz deed zijn kleuterjaren bij de ‘Soeurs Franciscaines’, Gustave in het St.Amandus Instituut van de Broeders der Christelijke Scholen, Victor bij de ‘Zusters van Crombeen’. Van Albert die in 1910 ingeschreven werd, en van Paul, na de oorlog, is het niet bekend.
Wij weten ook niet waar de meisjes klas liepen maar hun middelbare studies deden ze te Leberg-Pamel in het pensionaat van Juffrouw Borgignon. Hier was hun moeder ook leerlinge geweest. De studies voor onderwijzeres volgden ze later bij de ‘Dames de l'Instruction Chrétienne à l'Ancienne Abbaye de Doornesele’ te Gent.

Alle jongens zouden daarop in St.Barbara de middelbare studies volgen.
Tot 1905 was het onderwijs volledig Frans. Vernederlandsing stond niet op het programma. De Provinciaal van de Belgische jezuïeten-provincie was vooral bezorgd om de ‘standing’ van zijn colleges te Antwerpen, Gent en Turnhout. Daarom was hij bang voor taalwijziging. Het Frans bleef behouden en de lessen werden daarop zo lang mogelijk in de twee landstalen gegeven. Pas in 1932 werd alles Nederlands na de wet van 14 juli 1932 (2).
Het was een elitaire school. Maurice Maeterlinck (3) spreekt van “un collège aristocratique où abondaient les barons, les vicomtes, les comtes et les hobereaux à particule acquise ou qu'on achetait”. Die schrijver was er echter niet gelukkig geweest: “Je ne porte les Jésuites qu'à la surface de mon coeur”. Hij verdroeg de discipline niet. Maar van de zestien medeleerlingen van zijn klas werden er toch zeven Jezuïet. Waarschijnlijk was alles er nog niet zo slecht.
Louis Ronse was er wel tevreden net zoals een ander leerling, Leon Elaut: “De kennismaking met het Jezuïetenmilieu op St.-Barbara was voor mij een aangename ervaring, het oriënteerde mijn discretievermogen naar horizonten waarvan ik vroeger geen benul had, en dit op een ogenblik dat men als knaap van veertien jaar voor indrukken meer open staat dan op welk ander tijdstip” (4).
Zelfs Maeterlinck geeft toe dat er veel te leren viel: “Les professeurs étaient très bons, très patients et très dévoués”. Met welk fantastisch resultaat! Eén van de twee ministeries de Smedt de Nayer, in 1896 of 1899, was volledig samengesteld uit oud-leerlingen van Sint-Barbara.

Bijna alle Fransschrijvende Vlaamse litteratoren komen uit St.-Barbara: Georges Rodenbach en Emile Verhaeren enkele jaren vóór onze Nobelprijswinnaar Maeterlinck. Daarop waren Charles Van Lerberghe, Grégoire Le Roy, Franz Hellens en nog andere.
De leerlingen kregen vooral een litteraire vorming. "Wiskunde is niet het speerpunt van het humanioraonderwijs in de jezuïetencolleges. Ze hadden goed de lessen door vakleraars te laten geven, het bleef een zwakke plek in hun blazoen. Al hebben veel wiskundige knobbels op hun banken gezeten, toch was voor de meesten de wiskunde een blok aan het been, dat ze zonder geestdrift zes jaar lang meesleepten", aldus Elaut.
De tucht was er wel belangrijk, wie zich niet aanpaste werd in het sekwester opgesloten. “Het sekwester is een door glas aan alle kanten afgezonderde ruimte, een paar vierkante meter groot, met een stoel, een tafel en een inktpot, van de meest kale vorm en kleur die men zich voorstellen kon; om het half uur loopt een surveillant voorbij die u aankijkt met het meest onmeedogend gezicht van de wereld en vraagt: ‘Ca va?’ Er zijn zo vier hokjes naast elkaar, alle van dezelfde cachotachtige bouw”. Louis zal wel nooit die straf ondergaan hebben. Hij was er een te goede leerling voor.

Louis en Edmond

Kleine Louis met zijn oudste broer Edmond.

  1. Archief St.-Barbara College, Gent. Met dank aan Pater J.Paul Fransen voor zijn bereidwilligheid.
  2. R.Van Landschoot: Onderwijs in: Encyclopedie van de Vlaamse Beweging - p 1973. Lannoo, Tielt, 1973-1975.
  3. A. Maeterlinck: Les Bulles Blues. Editions du Rocher, Monaco, 1948.
  4. L. Elaut: Mijn Memoires, van Keiberg naar Blandijnberg. Orbis-Orion, Beveren, 1981.
Edmond Ronse

Edmond Ronse, de oudere broer van Louis, studeerde af als Dr. in de Rechten in 1912. Hij behaalde tevens de driejaarlijkse prijs De Ridder 1908-1911.

2. DE PATERS JEZUÏETEN EN HUN COLLEGES

Het Sint-Barbaracollege werd gesticht in 1833. Dit was op het ogenblik dat de Kerk in België uiteindelijk vrije armslag kreeg.

Willem I wilde in 1815, met de beste bedoelingen, alles zelf regelen. Hij liet zich niet alleen in met de opleiding van de seminaristen, ook wilde hij het aantal novicen in de kloosters bepalen.

Vanaf 1830 zouden zijn vroegere onderdanen hun schade inhalen. In ieder parochie zou de pastoor steeds ergens een brave jonge dochter vinden met wie hij ziekenzorg en vooral onderwijs zou organiseren (1).

Ook de bisschoppen bouwden scholen. Voor de colleges werd doorgaans een beroep gedaan op de Jezuïeten. In West-Vlaanderen - tot 1834 behoorde de provincie tot het Bisdom Gent - ontstonden er te Brugge, Kortrijk, Ieper en Veurne. Deze bleven hier echter in handen van het episcopaat, uit angst seminaristen te verliezen. Te Gent riep Mgr. Van de Velde de jezuïeten ook ter hulp en zo kwam St.-Barbara tot stand (2).
Deze stonden aan de kant van de behoudsgezinden. Geen wonder! De orde was in 1773 opgeheven onder druk van verlichte katholieke despoten en pas in 1814 hersteld.
Na 1773 bleef ze actief in Pruisen en Azië en vooral in Wit-Rusland, waar Tsarina Catharina II de opheffingsbreve niet doorgevoerd had. Een vijftigtal jezuïeten uit de Nederlanden vonden er asiel. Twee maand nadat de Kerkelijke Staat na de val van Napoleon hersteld was, in mei 1814, werd de orde door Pius VII erkend. Er waren nog slechts een zeventigtal paters.

Een noviciaat werd in 1814 te Gent ingericht in de oude abdij Dooresele. Hier was echter te weinig plaats. Daarom stelde graaf de Thiennes de Leyenburg zijn kasteel te Rumbeke ter beschikking.

Alles verliep nochtans niet zo gemakkelijk. Zoals Napoleon gaf ook Willem I zijn clerus geen vrije vestigingsmogelijkheid. Daarom weken de paters uiteindelijk uit naar Brigues in Zwitserland.

Na de Belgische Revolutie keerden zij uit Zwitserland terug en in 1832 werd de Belgische Provincie gesticht. Het noviciaat werd ditmaal ingericht te Nijvel en vanaf 1837 te Drongen. De orde telde in 1843 al 143 leden, waarvan 80 priesters en de evolutie was in stijgende lijn (2).

  1. In België en Frankrijk werden, tussen 1830 en 1870, gemiddeld om de week, een nieuwe zustercongregatie gesticht, ongeveer dertig jaar lang. Nooit heeft de Kerk in haar twintig eeuwen bestaan dergelijke bloei gekend. (C.Langlois: Le Catholicisme au féminin. Ed. du Cerf, Paris, 1984).
  2. J.Cauwe: De Jezuïeten in Kortrijk. De Leiegouw. 1995, 37 p 297-320

3. STEEDS GEHOORZAAMHEID EN ZUIVERHEID

De kerk van het St.-Barbaracollege werd ontworpen door een Zwitser. Maeterlinck moest van deze bouw niet weten: “Un chef d'oeuvre ignominieux”. Hij is te veel geconfronteerd geweest met de godsdienstige gedrevenheid van de paters, vooral omtrent de ‘zuiverheid’. “Tous les efforts de morale convergeaient vers un seul but, vers ce qu'ils appelaient 'la belle vertu', ce qui voulait dire la pureté et la chasteté parfaites et invraisemblables”. Maeterlinck voelde zich slachtoffer.

Een tweede verplichting was de paternalistische sociale bewogenheid. Als geïnitieerde moest men zich neerbuigen over de andere en hulp bieden. Zo bereikte men later ook de eeuwigheid, luidde het.

Edmond en Louis moesten zich bij deze elite vervoegen. Op Onze-Lieve-Vrouw-Lichtmis 1904 werden ze lid van ‘la Congrégation de Notre-Dame aux Anges’. Edmond was toen in de eerste klas humaniora, Louis nog in het lager onderwijs. Als voorbeeldige jongen mocht hij bij uitzondering meedoen.
Beiden beloofden trouw aan het verheerlijkt moeder-imago, maar beloofden haar ook: “de ne permettre jamais que par mes inférieurs il soit fait quelque chose contre votre honneur”. Hun ondergeschikten zouden dus niets mogen ondernemen tegen 'Ons-Lieve-Vrouwtje'.
Een tekst op zijn minst opgesteld voor elitaire burgerskinderen. Snotneuzen moesten zich borg stellen voor hun later dienstpersoneel, arbeiders en pachters!

De nieuwbakken congregationisten beloofden echter ook: “d’ être humblement soumis aux ordres de notre Saint Père le Pape”. Jezuïeten steunden de paus als wereldlijk machthebber. Zij propageerden o.a. de St. Pieterspenning. Deze diende onder meer om de pauselijke legers - onder bevel van de Belg Mgr. de Merode - te kunnen betalen. De paters maakten propaganda voor dit leger. Twee dutsen van hun leerlingen uit Gent sneuvelden als zoeaven in de strijd tegen de éénwording van Italië.
De belofte voor de Mariacongregatie hield ook in “à n'adhérer en rien aux sociétés condamnées par l'Eglise”. Hiermee beloofden de brave Ronsekens hun neven de Deyne uit Ninove niet na te volgen (1).

Te Gent werd St.-Barbara door de linksen ervaren als een nest van reactionairen. Geen wonder dat de ruiten van het college bij betogingen stuk vlogen en dat de socialisten tijdens het sermoen van brave paters in de kerk de ‘Internationale’ kwamen zingen. Voor Herman Ronse die de ‘Vrije Bond voor Werklieden en Burgers’ gesticht had, later omgedoopt in de ‘Antisocialistische Werklieden Bond’, was dergelijk gedrag een provocatie. Een reden te meer om zijn kinderen naar deze school te sturen.

  1. Deze behoorden tot de loge. Uiteindelijk heeft Rome zelf het antiklerikalisme van de loge uitgelokt. De grootvader van Arthur Verhaegen, die de flambouw bij de christelijke arbeidersbeweging van Herman Ronse overnam, was feitelijk gelovig, ofschoon hij Grootmeester was van de Loge, en als stichter van de Vrije Brusselse Universiteit bij zijn dood vreselijke herrie verwekte wegens zijn burgerlijke begrafenis (J. De Maeyer: De rode Baron, Arthur Verhaegen. Kadoc, Leuven, 1994.).

4. SCHOOLRESULTATEN

Hoe deden de kinderen Ronse het op school? Fritz, mentaal wat gehandicapt, kwam te St.-Barbara in 1902 maar moest na drie jaar tijdens het zesde leerjaar naar ‘l'école primaire d'application’, dus technisch onderwijs. Heden zou het ‘Bijzonder Lager Onderwijs’ geweest zijn.
Gustaaf deed het beter - hij was uiterst intelligent - maar vanaf de vijfde Latijnse, de tweede humanioraklas, liet zijn gedrag te wensen over. Op het einde werden het voortdurend fugues. Waarschijnlijk waren het de voortekenen van hebefrenie. Hij is ook vroeg gestorven als geesteszieke.
Albert, de latere pastoor van Zevergem, was een goede leerling in het lager onderwijs maar had in de Latijnse steeds minder goede resultaten, dit door minder goed gedrag.
Hierin influenceerde vooral de oorlog. Vanaf 1917 werd het college immers door de Duitsers bezet en werden de klassen verspreid over de stad. De tucht zal wel niet zo adequaat geweest zijn. Albert moest het derde Latijnse dan ook overdoen in 1918. Daarbij zal ook zijn escapade te situeren zijn, samen met zijn broer Victor. Die behaalde in 1917 het retoricadiploma. Beiden poogden in dit jaar over de geëlektrificeerde versperring van de Nederlandse grens te geraken. Dit mislukte grandioos. Zij werden door de Duitsers opgepikt en kwamen er gelukkig, samen met hun vader, enkel met gevangenisstraf van af.
Met de ‘Übermenschen’ die we dertig jaar later terug zouden zien, zouden zij er gegarandeerd niet zo goed vanaf gekomen zijn. Toch ook wat jong om dergelijke toeren uit te halen! Victor was reeds negentien, Albert amper zestien.
Op raad van pater Claeys-Bouüaert begon Albert hofbouwstudies. Nadien werd hij priester: een late roeping. Hij werd pastoor te Zevergem.
Paul kwam na de oorlog op het college. Zijn vader stierf reeds in 1922. Opgevoed door drie brave ongehuwde zusters zou ook hij priester worden. Hij stierf als pastoor van St.-Macharius te Gent.
Een deel van zijn kroost gaf aan Herman Ronse wel wat kopzorgen maar over drie zonen - de toekomstige priesters niet meegerekend - mocht hij zekerlijk niet klagen. Edmond, Louis en Victor waren steeds bij de beste leerlingen. Ook de meisjes deden het goed. De oudste ondernam geen hogere studies maar hielp in de apotheek. Zij hield er later wel iets van over want ze brouwde haar eigen bier - gelukkig wist de accijnzencontrole het niet. Weinigen hebben echter van dit brouwsel durven proeven. Julia werd later hoofdinspectrice in het Middelbaar Technisch Onderwijs, Anna werd lesgeefster.
De drie gezusters waren wel zeer verschillend. Hun moeder typeerde ze wonderwel: "Als Maria een hemd heeft zou ze het wegschenken, Julia zou er twee aantrekken, Anna zou het hare verliezen".

Op St.-Barbara was Louis een zeer voorbeeldig student. Hij accepteerde gezag en was plichtbewust. Gans het leven door zal hij nochtans wel eens aan usances willen ontsnappen. Hij stelde zich dan anticonformistisch op maar dan toch enkel in details. Ook had hij steeds een wat angstige ingesteldheid. Hierdoor was hij nauwgezet, ook bij het studeren. Na de genomen beslissing was hij hierdoor ook doorbijtend en vastberaden.
Zijn oudere broer nam het op school gemakkelijker op. Er wordt verteld dat deze het soms minder goed deed: “Hij had slechte vriendjes!”. Het vogelroven met Hye de Crom? In de lagere humaniora waren zijn resultaten hierdoor altijd ietsje minder dan deze van Louis. Naar het einde toe deed hij het echter steeds beter.

Hij had ook gemakkelijk buikkrampen vooral wanneer er een minder gemakkelijke wedstrijd was. In de derde Latijnse legde hij op het einde van het jaar geen examens af maar werd hij gedelibereerd “et passe avec grand fruit” (60%). Zonder enige inspanning haalde hij het toch.
Eventjes een voorbeeld? Zesde Latijnse: Edmond, 9e op 26, 5 accessits (onderscheiding) - Louis, 4e op 25, 10 accessits. In poësis: Edmond, 10 accessits - Louis, 14 accessits. In retorica: Edmond, 12 accessits - Louis, 13 accessits. Victor deed het even goed.

5. IN DE 'ACADEMIËN'

Onze drie knappe studenten werden dan ook lid van de ‘Academiën’. Dit waren vergaderingen in de hoogste klassen voor leerlingen die in alle opzichten - deugd, studie, ijver en tucht - voorbeeldig waren. Men legde zich er toe op allerlei oefeningen. Uitgekozen teksten van schrijvers werden geanalyseerd, litteraire opstellen in dicht en proza werden opgesteld. Er waren discussies, improvisaties, voordrachten. Dit alles met de bedoeling de spontane activiteit en de smaak te ontwikkelen (1).

De Ronse's hebben er meegewerkt aan ‘les grands et les petits traveaux’ en aan de academische zittingen. In St.-Barbara was er op 5 december 1904: “une séance littéraire à l'occasion du cinquantenaire de la définition dogmatique de l'Immaculée Conception” en op 20 juli 1908 “pour le 75e anniversaire de l'indépendance nationale”.
Een ‘séance musicale et littéraire’ met piano- en vioolmuziek en declamaties werd georganiseerd door de ‘académie de Poésie’ op 1 april 1908. Louis behoorde tot die klas. Wij vinden hem ook terug in de notulen van 14 december 1907: “Monsieur Ronse donne lecture de son travail ‘Essai d'étude sur Fabre’. Le devoir est longuement développé. Il est original et ses différentes parties sont reliées par de bonnes transitions, mais il perd beaucoup par la lecture indécise et saccadée”. Was hij wat angstig? Zijn vriend François Landrieux - later aan de universiteit met grote onderscheiding en daarop notaris - “critique minitieusement ce travail dont il fait grand éloge. A son juste avis le titre ‘Essai d'étude sur Fabre’ est faux, il faut supprimer le mot ‘Essai’. Le devoir de Monsieur Ronse mérite certainement tout l'éloge qu'en fait le critique, mais il a cependant quelques défauts: il est trop technique et le but n'en est pas assez clair”.
Op 18 januari 1908 voert Louis “la critique du petit devoir de Monsieur Claeys - Monsieur Ronse analyse cet ouvrage jusque dans les plus petits détails”.

Zoals in het onderwijs gebeurde alles in de ‘Académies’ in het Frans. Vanaf 1900 werden echter in St.-Barbara Vlaamse stukken voorgedragen in de ‘Académie de Rhétorique’ o.a. op 19 november een werk van Prudens van Duyse.

In de Poësis werd pas later, op 18 december 1904, hiermee gestart. ‘Monsieur Wauters' reciteerde Ledegancks ‘De Vlaming heeft geen taal’.

Zij spraken in hun overmoed:
“ Dat volk is slechts tot arbeid goed.
Zijn grove geesten houdt het wakker,
Al zwoegend op zijn groenen akker . .
De Vlaming heeft geen taal!” . .

. . Dit zeggend greep hij naar de stift
en tekende in gezang en schrift
die reine en onvervalste klanken,
die hij zijn moeder had te danken.
Hij toonde zijn gewrocht den Waal . .
“Spreek, hebben wij een taal?”

Dit gedicht had een diepe indruk gemaakt en als gevolg zou ‘Monsieur Hillegeer' een Nederlandstalig opstel voordragen: ‘In het Woud’. “Het was het eerste Vlaams werk onzer Academie - van Poësis - en zeker zal het steeds tussen de uitmuntendste gerekend worden”. De vernederlandsing van het onderwijs was op weg. Alles bijeen toch een uitstekende opleiding. We zien deze heertjes van zestien à zeventien jaar in een rollenspel. Het zal hen later helpen bij hun optreden in weten-schappelijke academies, beleidsvergaderingen of ministeriele conferenties. Ook Edmond deed hieraan mee. Hij zou later advocaat worden en, zoals zijn vader, zou hij zich ook inzetten voor de christelijke arbeidersbeweging. Hij zou voorzitter van de provinciale raad, senator, minister worden. Hij werd een van de vele oud-leerlingen van St.-Barbara die met succes een politieke loopbaan uitbouwden.
In de klas van Louis waren echter niet zoveel politici. Van de vierentwintig mede-studenten, kozen twee voor het seminarie, tien begonnen filosofie waarvan de helft bij de Jezuïeten te Namen. Er waren nog vier artsen. Twee studenten begonnen de rechten, vier zouden ingenieur worden. Verder ging er één als brouwer door het leven en één ging werken in het familie-bedrijf. Het zijn alle beroepen met grote verantwoordelijk-heid. Een elitair college!

Louis bekwam zijn retoricacertificaat in augustus 1909.

Edmond Ronse

Verslagboek van de 'Academie de Rhétorique' 1884-1885

  1. Deze praktijk in het onderwijs werd reeds door de Jezuïeten op punt gesteld in 1599. In de XIX° eeuw waren Academies gebruikelijk in alle colleges. Alles verliep bij die samenkomsten zeer officieel: kandidatuurstelling tot lidmaatschap, keuze van een voorzitter, goedkeuren van de verslagen. Het programma werd officieel vast-gelegd in 'les grands et les petits travaux'. Er werden ook academische zittingen georganiseerd voor medestudenten en buitenstaanders (Brouwers L. : De Jezuïeten te Gent).

Vierde hoofdstuk

SOCIAAL ENGAGEMENT

1. HET PATRONAAT

Herman Ronse had in zijn studententijd met Eylenbos een belangrijk sociale organisatie tot stand gebracht. Samen hadden ze de 'Algemene Bond van Werklieden en Burgers' gesticht. Vlug werd dit de 'Antisocialistische Werkliedenbond', het latere A.C.W. Herman was de intellectuele bezieler en werd hoofdredacteur van hun weekblad 'De Lichtstraal'. Dit werd later het dagblad 'Het Volk'.
Met Eylenbos stond vader Ronse dus aan de basis van de Christelijke arbeidersbeweging in het land. In 1889 nam de latere baron Arthur Verhaegen de taak van Herman over. Ondertussen had die zijn medewerking gestopt. Voor hem telden nu de studies, het beroep, de litteraire ambities.
In 1894 hernam Herman Ronse echter een zelfde initiatief maar dan op zeer lokaal niveau. Hij hielp Pastoor de la Kethule de Ryhove bij het stichten van de Sint-Coleta parochie te Gent. Dit was een arbeiderswijk waar de zeer dynamische pastoor zowel op godsdienstig als op sociaal niveau uiterst actief was (1).
de la Kethule deed al het mogelijke om de godsdienst te promoveren. Er was op de parochie een mis om 5 u. Dit was voor de arbeiders die om 6 u reeds aan het werk moesten.
Het sociale werk was voor de pastoor even belangrijk. Vanaf de aanvang werd Herman de secretaris van de Kerkfabriek maar de pastoor vroeg hem de activiteit van het Patronaat te organiseren (2). Hier moest niet alleen ontspanning maar vooral een 'antisocialistische werking' gecreëerd worden. Herman werd in 1903 voorzitter van de 'Werkliedenbond' van de parochie.
In dit kader werden naast bedevaarten en processies ook feesten en optochten ingericht. Er waren ook politieke manifestaties. Zeer dikwijls gebeurde dit in samenwerking met de officiële 'Antisocialistisch Bond'. Er werden daarbij ook voordrachten gegeven waar niet alleen godsdienstige maar vooral politieke thema's besproken werden.
Uiteindelijk was de activiteit van de parochie zo geweldig, zo antisocialistisch gericht, dat in 1895 manifestanten de diensten in de kerk kwamen storen. Wanneer stakingen uitbraken was men dan niet gerust: "De Heren Ondervoorzitter en Bestuurder van de Werkmanskring - dit is Herman Ronse - hebben zich bij de Heer Politiecommissaris begeven ten einde hem te verzoeken in geval van oproer de Kring te beschermen op 21 april 1902".

Pastoor de la Kethule verwachtte dat de bestuursleden van zijn 'Sociale Kring' een te volgen voorbeeld zouden zijn op de parochie. Bij feestdagen gingen ze vóórop bij het communiceren alsook aan de offerande in de mis. Hij vroeg "aan de leden van het Bestuur hun best te willen doen om zoveel mogelijk den zondagavond - als het zijn kan vroeger - te komen naar de kring want 'het doet pijn te moeten bekennen dat het altijd zeven of half acht is eer men met vier kan geraken om met de kaart te spelen". Het gezin Ronse heeft zich heel zeker hieraan onderworpen. De kinderen hebben dan ook zeer dikwijls hier hun ontspanning genomen.
Een parochieblad werd gesticht als bijlage van 'Licht en Liefde', een blad uitgegeven door dominicanen te Lier. Het werd vlug onafhankelijk: 'De Heuvelpoort' - drie bladzijden met nieuws, één met reclame. Hierin werden ook de voordrachten van de 'Werkliedenbond' gepubliceerd (3).

Herman heeft echter, van zodra het mogelijk was, zich door zijn kinderen laten helpen. Edmond werd bibliothecaris van de Kring en Jan Van Bogaert, een neef, hulpbibliothecaris. In 1908 hielp Edmond aan de stichting van "een comiteit tegen de slechte drukpers welke voor doel zou hebben goede geschriften te verspreiden om zo doende de slechte tegen te werken die over 't algemeen de goede zeden en het geloof uit het volk trachten te bannen". Edmond werd voorzitter, Raymond Roegiers, later de schoonbroer van Edmond, ondervoorzitter..
Het was vooral een politieke affaire. Van af de eerste vergadering werden vlugschriften verspreid tegen de nakende verkiezing. Daarbij werd in 1909 een 'studiekring' in het comité gesticht waarin o.a. een spreekbeurt gehouden werd over het ontstaan van het socialisme: "In 1878 verschenen hier te Gent vijf mannen wier doel het was de maatschappij omver te werpen. Hun doel was ook de werklieden te verontzedelijken door het stichten van een bibliotheek bevattende werken van schrijvers zoals Zola".
Het jaar er op kwam dan nog een 'Strijdersbond' met als doel "niet alleen het socialismus te bestrijden .. . maar ook om onzen godsdienst te verdedigen . . Er is te veel flauwigheid onder de katholieken en daarom moet gestreden worden om de onverschilligen wakker te schudden en ze in gelid te brengen om een sterken dam te vormen tegen al wat de Katholieke Kerk bestrijdt".
In 1912 kwam uiteindelijk nog een parochiale 'Jonge Wacht' tot stand "wegens de verslagenheid waarin de parochie verkeert . . ten eind de parochie op te beuren". Opnieuw werd een toekomstige schoonbroer van Edmond ingeschakeld. Tony Roegiers werd schatbewaarder.
In die periode was het patronaat bijna een Ronse-affaire: familieleden maar ook toekomstige aanverwanten.

Natuurlijk nam Herman Ronse hier geen initiatief meer. Hij had de fakkel overgedragen aan zijn zonen. Edmond nam de leiding van de werking tot in 1914. In 1912 was hij reeds ingeschreven bij de Balie. Hij leerde in het patronaat de finesses van zijn later beroep, vergaderingen leiden, spreken in publiek, zijn gedacht doordrukken. Naast advocaat was hij immers vooral politieker.
Wanneer in 1917 opnieuw gestart werd met een studiekring zou de broer van Louis, Victor, als retoricastudent zijn steentje bijdragen.
Vader Ronse zou tot het einde zijn kroost mobiliseren. Zijn dochters werden op de parochie ingeschakeld als catechisten. Zijn dochter Julia zou zelfs onderpastoor Poppe (4) helpen bij het stichten van de maandelijkse Communie Bond.
Moeder Ronse spande echter de kroon. Op 15 december 1912 werd ze meter van één van de drie nieuwe klokken van de parochiekerk... drie jaar nadien werd de klok door de Duitsers gestolen.

  1. Parochie St.-Coleta, Gent. Niet geklasseerd Archief.
  2. Patronaten zijn parochiale verenigingen voor vrije tijdsbesteding onder leiding van priesters. Rond de eeuwwisseling waren ze uiterst belangrijk.
  3. Er zouden nog drie exemplaren in bibliotheken voorradig zijn. Wij hebben ze niet teruggevonden.
  4. Poppe was een heilig priester. Julia Ronse heeft steeds geijverd voor zijn zaligverklaring.
  5. De Communiebonden werden later H.-Hartbonden.

2. OOK LOUIS IN HET PATRONAAT

Louis moest ook opdraaien voor het Patronaat. 's Zondags was hij mede-verantwoordelijk. Wanneer Edmond op 4 december 1911 afwezig was nam hij het voorzitterschap van de 'Studiekring' waar: "De zitting wordt geopend met het weesgegroet - zoals gewoonlijk - alsook op het einde van de vergadering; en daarop laat de dienstdoende voorzitter het lied 'Zij zullen haar niet hebben de schone ziel van 't kind' zingen, bedankt vervolgens de aanwezigen en sluit de zitting met het Weesgegroet".

Louis hield ook spreekbeurten. Op 15 januari 1911 had hij het over de Onderlinge Bijstand: "Hoe een mens moet zorgen voor zijn zedelijk en stoffelijk welzijn en bijzonderlijk een werkman omdat er te veel omstandigheden in zijn leven komen die zijn welvaart bedreigen".

Hij sprak op 12 december 1912 over het Syndicaat of de Vakvereniging en legde uit "hoe de Socialistische Vakverenigingen te werk gaan, die in plaats zich met het bijzonderste punt bezig te houden enkel en alleen de vakvereniging gebruiken om de godsdienst uit de herten te bannen en om de hoofden dezer partij rijk te maken".

Hij schreef ook artikels in het Parochieblad. Dit werd ten ander verwacht van alle leden van de 'Studiekring'. Hierbij keek Edmond echter waakzaam toe. Hij wilde "dat men de artikels niet tegenstaande zij zeer schoon geschreven zijn, in een taal zou schrijven die verstaanbaarder is voor het werkvolk; want men moet hier goed in acht nemen dat men op de parochie niets anders heeft dan werklieden die naar school maar gegaan hebben juist aan die jaren dat zij zouden begrijpen wat zij lezen".

Louis deed zijn best. Volgens de pastoor die alles controleerde, ging hij soms zelfs te ver. Op 26 januari 1913 pleitte hij voor "zuiver gelijk stemrecht voor ieder". De pastoor was afwezig op deze vergadering maar op de volgende bijenkomst corrigeerde hij onze spreker: "Voorkeurstemmen moeten behouden blijven voor vaders en ontwikkelde arbeiders".

Louis was mee: Vlaams en katholiek! In juni 1914 was hij echter in het tweede doctoraat en begon een praktijk op het laboratorium van Professor Frans Daels. Hij besteedde nu al zijn tijd aan studie. Er was geen tijd meer over voor het patronaat.

Vijfde hoofdstuk

EEN FRANSTALIGE UNIVERSITEIT

1. EEN FRANSTALIGE VLAMING

De geschiedenis van de Gentse Universiteit begint in 1816. Op 25 september nam de ijverige Willem I toen het besluit tot oprichting van drie universiteiten in de Zuidelijke Provinciën. Het werden Leuven, Luik en Gent. Artikel 18 van het organisch reglement bepaalde: “De taal van welke zich de professoren in de faculteiten, met uitzondering alleen van de hoogleraren in de Nederduitsche en Fransche letterkunde, de rechtspraktijk en economische wetenschappen, bedienen moeten, zal zijn de Latijnsche”.
Na de Belgische omwenteling besloot de Voorlopige Regering tot afschaffing van het Latijn en bepaalde dat ieder professor zich in zijn colleges zou mogen bedienen van de taal “qui convient le mieux aux besoins de ses élèves”. De uitvoeringsbesluiten van de wet van 27 september 1835 op het hoger onderwijs stelden dat lessen in het Frans werden gegeven. Toen Louis Ronse aan de universiteit kwam gold dit nog altijd.

Nochtans was er voldoende gedebatteerd geweest. De Vlaamse Beweging liep feitelijk parallel met de vraag naar vernederlandsing van het onderwijs. Het begon in 1840 met het ‘Petitionnement’ (1).
In 1854 ontstond de ‘Vlaamse Commissie’, later herdoopt in ‘Grieven Commissie’.
Uiteindelijk werd in 1861 het ‘Vlaams Verbond’ gesticht wat uitliep op de ‘Vlaamse Landdagen’ (2). Deze laatste zouden tot aan de eerste wereldoorlog gehouden worden wegens politieke verdeeldheid, zonder veel resultaat (3).
Vanaf 1883 ontstonden echter ook parallelle ‘Landdagen’ vanuit studentenbonden - deze waren reeds in 1877 in colleges actief. Aanleiding was de wet van 15 juni 1883 betreffend het officieel middelbaar onderwijs dat hen nu vóór was: “Dans la section moyenne . . le cours de Flamand est donné en Flamand. Les cours d'Anglais et d'Allemand sont donnés en Flamand . . et un ou plusieurs cours du programme soient également donnés en Flamand”.
Het was normaal dat deze ‘Landdagen’ een duidelijk katholiek karakter hadden. Hierom gingen de kerkelijke middens er zich mee bemoeien. Vooral de uiterst ultramontaanse bisschoppen van Brugge, Malou, Faict en Waefelaert hebben er echter de rem op gezet. Het vrij middelbaar onderwijs zou hierdoor Frans blijven tot in 1932.

Het lager onderwijs is nooit verfranst geweest. De toestand na de Belgische Omwenteling was echter erbarmelijk. Er waren 27% ongeletterde militaire rekruten in 1842, ongeveer 17% in 1869. Steeds werd door de katholieken de strijd geleverd voor de ‘ziel van het kind’ tegen de ‘school zonder God’ maar aan degelijkheid van het onderwijs werd niet veel aandacht geschonken. Pas met de wet van 14 juli 1932 zou het Nederlands in het middelbaar onderwijs verplichtend worden. De tussentijdse schoolwet van 12 mei 1910 had enkel deze van 1883 bekrachtigd.
Vanaf 1883 werd het evident dat ook op universitair niveau iets moest onder-nomen worden maar beslissingen konden slechts getroffen worden nadat praktisch haalbare voorstellen gedaan werden. De enen wilden met Professor Mac Leod een progressieve vernederlandsing; de anderen wilden met Professor Frederic, wilden twee-taligheid. De clerus wilde uiteindelijk geen verandering. Hierdoor zou alles duren tot 1930.
Er waren twee grote vooroordelen tegenover de promotie van het Nederlands. Er was de angst voor een verdeeld België zo de twee landstalen gelijkwaardig werden.

Daarenboven heerste vooral de mening dat het Nederlands onmogelijk een wetenschappelijke taal kon zijn.
Het zou duren tot 31 juli 1923 met de wet Nolf, vooraleer aan de Gentse Universiteit in het Nederlands gedoceerd werd. Men kon kiezen voor één derde Nederlands en twee derden Frans of omgekeerd. Deze wet streefde naar een compromis maar stelde uiteindelijk niemand tevreden.
De wet van 5 april 1930 bracht de doorbraak: uitsluitend Nederlands met vijf jaar uitstel voor de speciale scholen voor ingenieurstudies, waarbij rekening gehouden werd met de talrijke vreemde studenten.

Grootvader Edmond had deze strijd gevolgd. Heel zeker had hij het over de bevraging van het Frans in het middelbaar onderwijs gesproken met deken Hoornaert. Edmond Ronse was immers lid van zijn Kerkfabriek. Hoornaert zag het niet zitten: “Pourquoi ne pas nous servir de la langue maternelle pour faire nos études? Nous sommes le seul peuple qui emploie une langue étrangère. L'emploi de la langue maternelle conserverait mieux, et ferait même accroître le caractère national et l'amour de la patrie dans la jeunesse./. Nous n'insistons pas parce que nous désespérons” (4).
Ook vader Herman Ronse was bij de kwestie betrokken geweest. Op de ‘Vlaamse Landdag’ van 1888 sprak hij over de noodzaak de wet van 1883 ook in het vrij middelbaar onderwijs toe te passen. Het had geen resultaat. Met dit voorstel liep hij immers tegen de kar van de clerus en alles bleef Frans.

De gesprekken thuis handelden zeer dikwijls over de taalproblemen in het onderwijs. Reeds als kind had Louis hierover een woordenwisseling met zijn zusters. De negatieve houding van de bisschoppen kwam ter sprake en de jonge Louis bekritiseerde ze. Een zuster dan: “en de Vlaamse Beweging is voor jou dus belangrijker dan God?” en kleine Louis beaamde dit tot grote ergernis van de zussen. Een jeugdige voorvechter! In de humaniora deed hij het echter wel wat kalmer aan.

Als student is hij nooit rechtstreeks met het probleem geconfronteerd geworden. De vernederlandsing van het middelbaar onderwijs kwam in de beslotenheid van de jezuïetenwereld niet aan bod.
Ook aan de universiteit was alles kalm. Zijn professor in de eerste kandidatuur, Mac Leod, had zich wel actief met die problemen ingelaten, evenwel zonder veel resultaat. Dit gebeurde daarbij ook dertien jaar eerder. Vanaf 1906 trok die zich de zaak niet meer aan (5).

Louis Ronse zou pas in 1930 de definitieve oplossing van de taalstrijd meemaken. Toen werd het Nederlands te Gent verplicht. Professoren die het Nederlands niet machtig waren moesten de universiteit verlaten. De meesten echter namen de uitdaging aan, ofschoon ze nooit les in deze taal gekregen hadden.
Zij deden hun best. De taal van Professor ingenieur Flachet bij voorbeeld was zo sappig Gents dat men, hiervoor alleen al, de lessen volgde.
Ingenieur Jan van Bogaert - die we reeds ontmoet hebben als hulpsecretaris van de Studiekring op de Parochie St.-Coleta - heeft zich minder goed kunnen aanpassen. Hij had de wet Nolf van 1923 die tweetaligheid voorschreef wat geforceerd en alle Frans uit zijn cursus aan de Gentse Universiteit gebannen. Er volgden hierop studentenbetogingen. Zelfs de ruiten van zijn woonst moesten er aan.

Uiteindelijk verkoos hij dan boven zijn professoraatschap, een goede betrekking bij Gevaert te Antwerpen. Een slachtoffer van de vernederlandsing?

  1. Het ‘Petitionnement’ was een openbaar verzoekschrift getekend door 11 à 15.000 Vlamingen, waarbij een ‘Vlaemsche Academie’ en ‘Nederduytsch bij de Universiteit van Gent’ gevraagd werd. Het was de eerste maal dat de zuiver litteraire beweging het politiek forum betrede.
  2. In 1854 werd een rekwest door Gentse studenten aan de minister van Binnenlandse Zaken gestuurd. Voor het eerst werd dan hierover in het Parlement gedebatteerd. Er kwam ook een ‘Vlaamse Commissie’, om te onderzoeken “hoe ./. het gebruik der Nederlandsche taal te regelen in haar betrekking met verschillige gedeelten van het Openbaar Bestuur”. In 1859 werden de conclusies door een intussen nieuw gevormde regering verworpen. De commissie verwierf hierdoor de naam ‘Grieven Commissie’.
  3. Te vergeefs werd het ‘Vlaemsch Verbond’ gesticht tot bundeling van alle politieke strekkingen. Een eenvormig beleid kwam er niet. Taalperikelen in het Hof van Beroep in 1863, waarbij Vlamingen veroordeeld werden zonder iets verstaan te hebben, bracht opnieuw beroering. Protestmeetings worden ingericht, wat uitliep op het regelmatig organiseren van ‘Vlaamse Landdagen’
  4. Encyclopedie van de Vlaamse Beweging: p 1095.
  5. Mac Leod was in 1896 rapporteur van de eerste ‘Commissie tot Verwezenlijking van de Inrichting van een Nederlandse Hogeschool in Vlaams België’. Hij stelde toen een progressieve vernederlandsing voor. Dit voorstel werd echter verworpen.

2. VLAAMSGEZINDHEID

In 1909 koos Lodewijk Ronse voor studies in de geneeskunde aan de Gentse Universiteit, natuurlijk in het Frans. Dit gaf geen problemen. Hij was volstrekt tweetalig. Uiteindelijk aanvaarde hij dit hoewel hij een rasechte flamingant was.
Daarbij had de Vlaamse Beweging een nieuwe koers genomen. De actie voor de taalrechten, o.a. de vernederlandsing van de universiteit, stond op dit ogenblik minder centraal. Frans Van Cauwelaert bracht immers in 1906 een filosofisch, pedagogisch element naar vóór. Hij onderlijnde de noodzaak van opvoeding en vorming van het volk. Hierdoor richtten de politieke studentenorganisaties meer en meer hun aandacht op hun sociale verantwoordelijkheid. De studenten moesten de jongeren opvoeden tot mannen met wil en karakter die later zouden strijden voor culturele en politieke verheffing.
Deze nieuwe tactiek lag helemaal in de lijn van Louis. Daarbij had onze student geen echt strijderstemperament. Hij zal later ook nooit ‘strijden’ en zich nooit met politiek bemoeien. Door studie wordt hij dan ‘un parfait honnête homme’, het ideaal gepromoveerd door de paters Jezuïeten... maar ook door Van Cauwelaert.
Daarbij beantwoorde de vernieuwing van het flamingantisme ook aan de bezorgdheid van de christelijke arbeidersbeweging. Men wilde voor de arbeiders een volwaardige levenswijze mogelijk maken. Het cultuurflamingantisme beoogde dus naast de sociale bezorgdheid ook de geloofsverdediging en... de drankbestrijding (1). ‘Voor Kerk en Vaderland’ werden de onderwerpen van het 'Algemeen Katholiek Vlaams Hoog Studenten Verbond'. Ook thuis, bij vader Ronse, werd deze strekking gehuldigd. Dit stemde helemaal overeen met zijn sociale bewogenheid. Hij was niet alleen een stichter van de christelijke arbeidersbeweging maar hij wilde ook de ontvoogding. Met dit doel had hij zelf enkele volksromans geschreven.
Studeren lag Louis. Uiteindelijk ontstonden bij hem stilaan ook academische ambities. Hij zou universiteitsprofessor worden. Ook hierin werd hij door zijn omgeving aangemoedigd. In de bibliotheek thuis bewaarde hij de historische en litteraire werken van grootvader Edmond. Zijn vader had met zijn werken de rij aangevuld met litteraire werken en botanische artikels. Uiteindelijk was er ook zijn oudere broer die in deze periode de 'de Ridderprijs' behaalde (2).

  1. 1.Encyclopedie van de Vlaamse Beweging.
  2. De 'de Ridderprijs' was een driejaarlijkse prijs van de RUG voor Staathuishoudkunde.

3. MAC LEOD

Louis Ronse zou dus ook als student de Leeuwenvlag hoog houden naar het voorbeeld van zijn vader en grootvader. Er speelde echter nog een andere invloed mee.

Zijn vader had persoonlijke contacten met Mac Leod. Deze professor was voor hem van grote betekenis geweest. Twee jaar ouder dan Herman was die reeds in 1887, op dertigjarige leeftijd, benoemd tot hoogleraar in de Plantenkunde. Zijn oeuvre was van een internationaal niveau.
Herman wilde toen een plantenbedrijf openen. Hiervan kwam niets in huis. Zijn verloofde wilde immers een academische titel. Herman koos in 1883 voor de studies die het minst tijd vroegen. Na twee jaar was hij apotheker. De plantenkunde bleef voor hem nochtans centraal. Hij werd in dit vak lesgever en daarna rector van Koninklijke Hofbouwschool te Gent..
Herman ontmoette tijdens zijn studies Julius die als geaggregeerde werkte in het histologisch laboratorium van Mac Leod. Zo kwam hij in contact met de Vlaamsvoelende leraar. Herman zou steeds deze relatie onderhouden en fel zijn invloed ondergaan.

Mac Leod was zich bewust dat intellectuele minderwaardigheid steeds gepaard gaat met sociale en economische achterstand. Hij ijverde dan ook voor de Vlaamse zaak door culturele ontwikkeling te promoveren.
In 1883 stichtte hij het ‘Natuurwetenschappelijk Genootschap van Gent’. Hierdoor wilde hij de intellectuele achterstand van bloemisten en landbouwers verhelpen. Ook Herman bracht zijn steentje hiertoe bij. Hij werd één van de zevenendertig leden van de vereniging. Hij leverde dat jaar ook twee bijdragen met wetenschappelijke vulgarisatie voor het tijdschrift.
Deze vereniging ging echter na drie jaar teniet. Er waren geen nieuwe leden bijgekomen.
Mac Leod gaf het niet op. In 1887 stichtte hij het ‘Tuinkundig Genootschap Dodonea’. Dit was van hoger niveau en bleef bestaan tot 1914. Er werden excursies georganiseerd en ook voordrachten gehouden. Ook werd een jaarboek uitgegeven (1). Ditmaal sloot Herman Ronse zich hierbij ook aan en op 25 oktober 1904 gaf hij in dit kader zelfs een voordracht over bemestingsproblemen.
Mac Leod wilde dat het onderwijs in al zijn geledingen Nederlandstalig zou worden. Daarom stichtte hij ook in 1897 de ‘Natuur- en Geneeskundige Congressen’ met Nederlands als omgangstaal, waar Franse rapporten vertaald werden. Ook dit was voor Herman fundamenteel. Wij hebben reeds gezien hoe hij op de 'Vlaamse Landdag' van september 1888 te Gent, de verfransing van de katholieke onderwijsinrichtingen in de stad aan de kaak had gesteld.

Als rector van de Gentse Koninklijke Hofbouwschool, zou Herman dus steeds dezelfde politieke bekommernis hebben als Mac Leod. Naast ‘goede’ romanlectuur voor de arbeider heeft hij steeds tal van vulgariserende artikels gepubliceerd, onder andere in ‘De Tuinbode’, waarvan hij de stichter en de hoofdredacteur was.

Wel was er bij dit alles een grote tegenvaller: Mac Leod was liberaal. Daarom wilde Herman hetzelfde bereiken als zijn leermeester, maar dan wel langs katholieke kant. Rekening hiermee houdend, stelde hij zich dan in zekere zin als tegenhanger op. Uiteindelijk volgde hij slechts zijn voorbeeld.

Toen Louis Ronse zich in 1909 liet inschrijven aan de universiteit werd een belangrijk deel van de stof in de kandidaturen voor geneeskunde gedoceerd door Mac Leod. Deze was zelfs secretaris van de examencommissie voor het eerste jaar.
De professor was een goede pedagoog, vriendelijk, steeds bereid tot lach en vermaak. Hij stelde zijn persoonlijke bibliotheek ter beschikking van de studenten en ontving ze zelfs thuis. Hij leerde zijn leerlingen ook schetsen maken om het voorgestelde goed te laten uitkomen en spoorde hen ook aan om hun taal te verzorgen (2). Daarbij moedigde hij zijn studenten aan om de vergaderingen van Dodonea bij te wonen: “Quelques étudiants assistent à nos réunions et prennent même des notes comme s'ils étaient au cours”.
Wij vinden Louis dan ook op de zondagse vergaderingen in de plantentuin van de Universiteit op de Steendam, gedurende zijn eerste universiteitsjaar. Tussen november 1909 en eind mei 1910 is hij er bijna ieder maand (3). Hij zal ook wel nota's genomen hebben.

Mac Leod eiste dus van zijn studenten dat ze zouden bijdragen tot beoefenen van een Vlaamse wetenschap, noodzakelijk voor de ‘algeheele beschaving’ en de ‘verstandelijke ontvoogding’ van het volk. Hij heeft bij Louis heel zeker goed gehoor gevonden. Dit was wat bovendien ook thuis verkondigd werd.

  1. Mac Leod gaf zijn zondagse conferenties in de tuinen van de vroegere refuge van de abdij van Baudelo. In 1797 werd dit de botanische tuin van de stad. Deze plaats was wel wat afgelegen van de rijke buurten en hierdoor kwam hier niet veel volk. Toch juist goed voor wetenschappers.
  2. H. Bossaert: Julius Mac Leod en de Vervlaamsing. 1977, Archief RUG, Gent.
  3. Botanisch Jaarboek uitgegeven door het Kruidkundig Genootschap Dodonea te Gent.1909,14 p 52. en 1910,15 p 28 en volgende.

Zesde hoofdstuk

DE STUDIES VAN LOUIS

1. GENEESKUNDE

De universitaire studies waren toen al van gelijke aard als de huidige. Tot in 1875 werden de academische graden door een centrale jury te Brussel toegekend. De wet op het hoger onderwijs van 20 mei 1876 bracht hierin een gelukkige verandering mits aanpassing in 1890 en 1891.
Vooreerst was een humanioradiploma nodig voor toelating tot de universiteit. De faculteiten kregen ook het recht academische graden toe te kennen.
Er werden daarbij verplichtende praktische oefeningen ingevoerd en de leerprogramma's konden uitgebreid worden naargelang de nodige specialiteiten. Hierdoor ontstonden tal van nieuwe leerstoelen. Uiteindelijk werd een geschreven thesis vereist voor het behalen van een dokterstitel, uitgezonderd voor de rechten en de geneeskunde.

Ten gevolge van deze wetgeving nam het aantal professoren geweldig toe. In 1870 waren te Gent 31 leerstoelen; in 1890, 63. In 1900 waren er 82 en in 1910, 94. Daarbij had je toen ook tal van assistenten en repetitoren. Dit droeg bij tot een verbetering van de kwaliteit van het onderricht.

Niet alleen de afdelingen voor wetenschappen maar ook de faculteit der letteren waren tussen 1890 en 1930 de meest toonaangevende in West-Europa. Zo had je bijvoorbeeld: de ‘Belgische’ historische school met Pirenne en Fréderick. Ook de studies van Hulin de Loo betreffende de Vlaamse primitieven waren toonaangevend. Als eerste had die de werken van verschillende onbekende meesters gegroepeerd op grond van stijlcriteria. Zo ontdekte hij onder meer Robert Campin, voorloper van Van der Weyden (1).

Ten gevolge van de nieuwe wetgeving minderde echter de studentengroep. Dit was vooral het geval in de Faculteit der Letteren. In 1879 telde deze slechts 40 studenten. Deze terugval was echter maar tijdelijk. In 1884 waren er al 66. Tussen 1875 en 1913 steeg het totaal aantal studenten bovendien van 488 naar 1253.
Wel behoorden de meesten tot de technische scholen voor ingenieur - deze telden bijna de twee derden van het totaal aantal studenten. Het waren veelal vreemdelingen maar ook Belgen die als ingenieur een staatsbetrekking wensten. Tot aan de wet van1890 moest men een diploma van een staatsuniversiteit voorleggen om dergelijke betrekking te verkrijgen (2).

  1. Université de Gand. Liber Memorialis. Van der Poorten, Gand, 1913 en Liber Memorialis 1913-1960. Rectoraat, Gent, 1960.
  2. Gedenkboek van de Rijksuniversiteit te Gent na een kwarteeuw vervlaamsing. 1930-31 à 1955-56. R.U.Gent, 1957.

2. EERSTE JAAR NATUURWETENSCHAPPEN, 1910-1911

De studenten Ronse hebben zich helemaal ingezet voor de studies. Vooral studeren! 's Zondags was er nog wat toezicht te houden op het patronaat en ééns per maand woonden Louis en zijn broer Edmond een vergadering bij in de parochiale studiekring. Aan het echte studentenleven, met de specifieke verenigingen, heeft Louis zeker niet deel genomen. Dit lag niet in zijn karakter. Er waren overigens slechts een klein aantal leerlingen en die hadden met de professoren ook een ongedwongen omgang. Dit stimuleerde de studies.

In 1910 waren in totaal 1097 studenten ingeschreven. De Faculteit Natuurwetenschappen telde 90 studenten waaronder 35 nieuwkomers. Slechts 27 studenten volgden de cursus van het eerste jaar, en dan nog maar 11 die voor geneeskunde gingen. Er waren ook 10 kandidaten apotheker, één dierenarts en vier wilden het doctoraat in natuurwetenschappen behalen. Onder hen bevond zich Andries Mac Leod, de zoon van de professor, alsook de enige studentin, Jeanne Clevers. Die zou echter het volgende jaar overgaan naar de geneeskunde.
Vijf medeleerlingen van St.-Barbara hadden aangekondigd geneeskunde te beginnen aan de Gentse Universiteit. Twee waren echter niet op het appel: Georges Desbonnet uit Ledeberg en Emile Verschraegen uit Gent. Gaston Myncke echter was wel present, maar verdween reeds het volgend jaar (1).
Zat Louis op dezelfde bank naast Jean Schepens? Beiden woonden in dezelfde straat en dan nog maar tien huizen van elkaar, Boulevard de l'Horticulture 5. Menigmaal hebben ze de weg samen afgelegd langs het Citadellepark.

Louis was één van de 619 studenten die in dat jaar examens aflegden, 187 kregen geen getuigschrift of diploma, 260 slaagden met voldoening, 47 behaalden een ‘grote’ en 7 een grootste onderscheiding.
Op 14 juli 1910 haalde onze student ‘la première épreuve de la Candidature en Sciences Naturelles, première section des aspirants à la médecine’ met onderscheiding. Eén van de 118 aan de universiteit! Hij zou volhouden. Na de kandidatuur in de natuurwetenschappen verwierf hij de twee kandidaturen in geneeskunde en het eerste doctoraat, steeds een onderscheiding... tot aan de wereldramp.
Op 15 maart van het jaar 1910 behaalde François (sic) Daels ook het speciaal wetenschappelijk diploma van dokter in de Gynecologie en Obstetrica, met zijn werk : ‘Les Anesthésiques en Gynécologie’. Louis zal wel niet aanwezig geweest zijn op de academische zitting van zijn toekomstige leermeester. Wel zou hij scheikundig onderzoek verrichten in deze specialiteit.

Onze student heeft tal van internationale beroemdheden als professor gehad, zelfs al in het eerste jaar.

Georges Hulin de Loo gaf er ongeveer anderhalf uur per week logica en moraalfilosofie. Deze man met internationale faam zou ‘l'Ecole des Hautes Etudes’ stichten. Ofschoon hij het Nederlands machtig was, werd hij de voornaamste tegenstander van de vernederlandsing. Toen in 1930 het Nederlands verplicht werd wou hij zich niet onderwerpen. De studenten namen dit niet en Hulin werd op 17 december 1931 door betogers uit de universiteitsgebouwen verjaagd. Dit incident heeft toen nog een kortstondige regeringscrisis uitgelokt.

Professoren

De twee voornaamste vakken in de eerste kandidatuur waren de fysica en de scheikunde: Schoentjes en Swartz. Beiden doceerden driemaal per week, anderhalf uur. Scheikunde was toen maar even belangrijk als de fysica want de organische scheikunde verkeerde nog in een beginfase. Henri Schoentjes was dokter in de Wis- en Natuurkunde. Hij was vooral geïnteresseerd in elektriciteit en thermodynamica. Hij zou in 1912 tot rector benoemd worden. Gedurende de oorlog zou hij zich krachtdadig opstellen tegen de omvorming van de universiteit door de Duitse bezetter.
Fréderic Swartz doceerde scheikunde en werd pas in 1910 gewoon professor. Hij was nog jong en uiterst veeleisend. Hij “dwong eerbied af, een eerbied die echter aan vrees grensde”. Hij ging op in zijn vak en wist studenten te appreciëren die er interesse voor toonden. “Wie kon bewijzen dat hij voor de chemie een boontje had, was zijn vriend; voor wie hem verstandige vragen over de leerstof stelde en echt niet klaar zag in een scheikundige reactie ontdooide hij”, oordeelde zijn oud-student Elaut (1). Hij maakte graag wat show. “Zijn les over de 'vlam' was het culminatiepunt van het jaar. Hij hield die 's avonds teneinde in het schemerdonker effecten te bekomen die anders verloren gingen. Swartz geleek dan op de alchemist Faust die voor hellevuren staat”.
Andere vakken waren gemakkelijker. François Stöber gaf mineralogie. Hij was vooral gekend door zijn opzoekingen betreffende kristallografie. Het was een les van anderhalf uur zoals die van Hulin en zijn collega Xavier Stainer.
Deze laatste was dokter in de wetenschappen. Benoemd in 1903, gaf hij cursus in geologie. Hij zou ook internationaal bekendheid verwerven vooral wegens zijn cartografische studies. “Zijn lessen bestonden uit twee episodes. De eerste werd afgedreund met de snelheid van een machinegeweer, goed verstaanbaar, maar onmogelijk onder nota's te brengen. De tweede episode was juist andersom en berekend om opgenomen te worden: langzaam zonder één aarzeling, in onberispelijke volzinnen. Daarna ging het machinegeweer weer aan het ratelen, tot opnieuw de kalme volzinnen aan de beurt waren ./. Het was een vriendelijk, ietwat geheimzinnig man, van wie het heette dat hij nooit een student had aangesproken, tenzij op het examen”. Hier mocht men dan zijn gang gaan en vertellen wat men wilde, na tien minuten onderbrak hij en zei niets meer dan: ”Merci, monsieur”.
Eindelijk was er de fameuze botanist Mac Leod, een prof waar Louis naar opkeek, een te volgen idool. Maar de jonge, pas benoemde professor Victor Willems werd ook ingeschakeld voor deze cursus. Mac Leod gaf gans het jaar door slechts één uur les in de Plantentuin. Het was een cursus die dan toch niet zo belangrijk was maar die door Louis Ronse steeds met enthousiasme gevolgd werd. Onze held heeft alle tekeningen uit die les bewaard. Het leven lang zou hij overigens zijn enorme interesse tonen voor botanica en taxonomie. Wanneer hij later met zijn kinderen op stap ging zou hij steeds ergens een belangwekkende plant ontdekken. Hij plukte ze dan en zijn kinderen kregen uitleg mits vele Latijnse namen. Hij is steeds een wandelende botanische encyclopedie geweest maar voor zijn kinderen was wandelen, spijtig genoeg, geen studie maar spel.

Ook in de loopgraven aan de IJzer bleef de flora hem boeien. Zijn ordonnans vertelt: "Hoe groot de vernieling wel was, toch was hier en daar het leven doorgebroken en het minste struikje of plantje interesseerde ons ./. Hij werd dan mijn leermeester en dank zij hem heb ik zelfs op het front heel wat planten van naderbij leren kennen" (3).

  1. Archief RUG, Recettes des années académiques
  2. Elaut Leo o.c.
  3. VerzameldeWerken van Paul Tamboryn. 1989, Ieper. p 147.

3. EERSTE KANDIDATUUR GENEESKUNDE, 1911-1912

Wanneer Louis zijn tweede jaar in 1910 aanvatte, was de universiteit 43 studenten rijker. 114 studeerden er voor geneeskunde. Er waren in zijn jaar een elftal die de studies voor geneeskunde voortzetten. Je kon daarbij ook het aantal professoren op één hand tellen. Vier in de eerste kandidatuur geneeskunde was wel gezellig.

Elaut gaf het uurrooster dat na de oorlog niet gewijzigd werd: “Leboucq, elke dag, buiten de maandag, van 8.30 u tot 9.30 u. Van der Stricht om de twee dagen van 9.30 u. tot 11 u. Daarna practicum van 11 tot 12.30 u. Steeds waren bij de lessen praktische oefeningen voorzien, met uitzondering bij La Housse. De praktische lessen waren te Gent uitstekend. De studenten die uit Leuven voor de doctoraten naar Gent kwamen, daar ze zo een jaar konden winnen, stonden er gewoon bij te kijken”.

Professor Victor Willems was voor de studenten van het tweede jaar een reeds gekend figuur. Hij gaf nu zoölogie. Er waren voor de tweede jaarsstudenten drie nieuwkomers, Hector Leboucq met de anatomie, Omer Van der Stricht met histologie en embryologie en Edouard La Housse met fysiologie en scheikunde.

Professor La Housse, die fysiologie gaf, was geen al te grote sommiteit. Hij was vooral geïnteresseerd in de neurologie en spierpathologie. Hij zou tijdens de oorlog verder les geven aan de von Bissinguniversiteit - de Gentse Universiteit tijdens de oorlog. Waarschijnlijk door naïeve onbezonnenheid, want op politiek plan was hij niet combattief. Hij verloor hierdoor zijn leerstoel en stierf twee jaar later.

Leboucq was een Ieperling. Ingeschreven aan de Gentse Universiteit in 1866, was hij tijdens zijn studies, als toegevoegde militair geneesheer betrokken bij de Frans-Pruisische oorlog van 1870. Hij gaf les in anatomie vanaf 1878, en was rector van 1906 tot 1909. Hij was geïnteresseerd in de normale morfologie en verwierf internationale bekendheid door zijn histologische studies in de vergelijkende anatomie o.a. betreffende de ossificatie. Het was vooral de evolutiewijziging van hand en voet die zijn aandacht trok.

Van der Stricht was de meest originele. Hij was nog jong, pas in 1906 benoemd als gewoon professor. Het was een echt laboratoriumman die helemaal opging in zijn professorfunctie. De werken die het laboratorium publiceerde maakten furore. Hij had een enorme documentatie die tegenwoordig nog in leerboeken kan gebezigd worden. Drie grote onderwerpen hadden vooral zijn aandacht. Vooreerst bestudeerde hij de genese van het bloed en de vorming van het kraakbeenweefsel, later zou het de fijnere structuur van het binnenoor zijn. Vanaf 1922 zou hij specialist worden in de ovogenese van de zoogdieren. Hoe de eicel bevrucht wordt had voor hem geen geheimen meer.

“Na de ochtendlessen in de anatomie was er op dinsdag, donderdag en zaterdag anderhalf uur college in de algemene weefselleer van professor Omer Van der Stricht”. Hij volgde zijn leerlingen op de voet. “Een kaarsrechte man in een geklede jas, platte boord, op de neus een knijpbril met een zwart touwtje dat achter zijn rechter oor liep en aan de kraag van zijn jas vastlag.
Hij sprak traag zodat men zijn woorden letterlijk kon opnemen. Er gingen overigens dictaatschriften van wat hij de vorige jaren gedoceerd had, van hand tot hand rond. Daardoor kon men de evolutie van zijn vak nagaan. Hij tekende cellenkernen en hun insluitsels op het bord terwijl hij sprak; hij had zijn hand vol kleurkrijtjes en op het eind van de les had de zwarte jas van die kleurenrijkdom zijn deel gekregen. Wanneer om halftwaalf de les afgelopen was, waren we hoorndol van het pennen en het tekenen. Van der Stricht trok daarna met ons, opnieuw voor anderhalf uur, naar de tweede verdieping voor het practicum. Daar stonden de microscopen opgesteld en moesten we uit de klaarliggende preparaten alles zo demonstratief mogelijk natekenen. Met zijn assistent Lams ging hij van man tot man om er zich rekenschap van te geven of we de cursus begrepen hadden.

Wie een trimester in de hoge rijschool van Van der Strichts practicum was getraind, wist iets van de histologie af. Van een zo nauwgezet hoogleraar liepen er geen twee voorbeelden in heel het land rond. Hij keek ons op de vingers en week geen ogenblik van onze zijde. Dat practicum beschouwde hij als het essentieelste gedeelte van zijn onderwijs.

In het derde trimester kregen we van hem embryologie met bijhorende demonstraties. Dat college moest voor de histologie niet onderdoen. Zaadcellen en eicellen defileerden op het bord met al hun bestanddelen. Naarmate we later meer over embryologie vernamen, bleek het werk van onze hoogleraar het neusje van de zalm van de embryologische wetenschap te zijn".

4. TWEEDE KANDIDATUUR GENEESKUNDE, 1912-1913

Het derde jaar bracht dezelfde vakken mee, gegeven door dezelfde professoren, maar de cursus van Willems werd vervangen door vergelijkende anatomie, een meer gespecialiseerde zoölogiecursus.

Deze tak werd gegeven door de pas benoemde Hector Lebrun die ook conservator was van de Koninklijke Musea voor Natuurkunde te Brussel. Een uiterst ijverige man. Zijn curriculum vermeldt Bonn, Napels, Keulen, Kassel, Berlijn, Praag, Wenen, Munich, Frankfort, maar ook de States met o.a. San Francisco - waarschijnlijk veel animo, zelfs ambitie. Maar feitelijk waren dit steeds reizen in regeringsopdracht.

Zijn fysiek voorkomen was naar zijn temperament: een reus van een vent. Omwille van zijn imponerende verschijning kreeg hij de bijnaam ‘Brontosaurus’. Hij had daarbij echter een voorkomend, lief, bijna kinderlijk, gezicht, “steeds netjes gekleed, winter en zomer in pandjesjas over een wit vest waarop een gouden horlogeketting bengelde”.
Hij was actief en combattief maar nooit echt agressief. Hij verkondigde zijn ideeën en deze konden soms hard aankomen, maar eens gezegd of gepubliceerd trok hij het zich verder niet meer aan. De anderen moesten de taak dan maar overnemen.
Zo vocht hij voor een beter onderricht van biologie in het middelbaar onderwijs en had tal van populairwetenschappelijke publicaties op zijn naam. Zoals Mac Leod was hij overtuigd dat onderwijs beter moest gegeven worden, dat volkscultuur belangrijk was. Wel deed hij het door publicaties, niet zoals Mac Leod die steeds bereid was om lezingen te geven, congressen te organiseren of meetings te houden.
Zoals Herman Ronse behoorde hij tot de katholieke voorvechters. Hier ook gaf hij zijn opvatting maar insisteerde niet. Hij was lid van de Heilig-Hartbond, van de Mariacongregatie en van de derde orde van St.-Franciscus.
Ook de muziek was voor hem een ideale toevlucht. Hij had een studentenkoor gesticht dat hij dirigeerde. Een 'schola cantorum' in verband met de katholieke eredienst?

Met zijn medewerkers was hij uiterst voorkomend, ook met de studenten, zoals met Leon Elaut tien jaar later. “Tijdens het practicum in het oude universiteitsgebouw van de Volderstraat moesten we skeletten van vissen, vogels, hagedissen enz. tekenen. Hij vond die tekeningen altijd uitstekend, als we maar in de schedel van een ons onbekend dier een ‘os carré’ hadden geplaatst”. Ook het examen werd bij hem een vriendelijk onderonsje. “Hij wees bv. op het vorkbeen van een vogelskelet en vroeg hoe dat heette; als men daaraan toevoegde dat het overeenkomt met de sleutelbeenderen van de werveldieren, rees hij overeind om de kandidaat geluk te wensen. Daarna kwam er altijd een vraag over zijn dierbare amfibieën. Of de axolotl een penis had, wist niemand. Dan antwoordde hij zelf: ‘Un tout petit pénis, monsieur!’ en hij wees op de punt van een potlood”.

Om een graad te halen moest je immers wel ietsje van de amfibieën afweten. Dit was zijn studieterrein van een zeer beperkte maar delicate specialiteit. Hij was immers de grote internationaal gekende specialist in de vrouwelijke geslachtsorganen van amfibieën.

Daarnaast had je dan weer een heel andere prof. De psychologie werd gegeven door een zeer belangrijke persoonlijkheid. Jules Van Biervliet was de zoon van een Brugse oftalmoloog en een telg uit een eminente familie.
In april 1890 werd hij benoemd tot hoogleraar te Gent en in oktober belast met de psychologie. Reeds na een paar maand, tegen einde december 1890, was hij klaar met een laboratorium voor experimentele psychologie. Het eerste in Europa! Hier wilde hij de traditionele wijsgerige psychologie experimenteel en fysiologisch funderen.
Hij had een spiritualistische wereldbeschouwing en poogde deze te toetsen aan geïsoleerde materiele onderzoeksprocédés. Zo bestudeerde hij de waarneming, de aandacht, het geheugen. In de loop van zijn carrière zou hij daarbij ook meer en meer aandacht schenken aan de pedagogiek. Hij werd hierin een sommiteit. Te Parijs werd hij in 1909 naast Binet, de uitvinder van de fameuze intelligentietest, ondervoorzitter van een internationaal comité voor pedagogische psychologie.
Zijn cursus was de enige waarin de toekomstige geneesheren ietsje over psychologie zouden leren: één uurtje, ‘s woensdags van 11 tot 12, en ook maar gedurende één semester. Hij wist ook dat zijn studenten daarom nooit te veel van psychologie konden afweten. Voor hem echter gold het principe dat de graad van alle psychologische kennis omgekeerd evenredig is met het aantal uren dat er aan besteed wordt.
Daarom vond hij zijn cursus waar dertig uren voorzien waren te lang, dus de moeite niet waard.. “Wanneer hij voor de eerste keer verscheen, begon hij met te zeggen dat dit veel was en dat de eerste regel van de proefondervindelijke psychologie beval dat het aantal uren moest gehalveerd worden, dus vijftien. En dat de tweede regel luidde: het aantal uren colleges moet een even getal zijn. Het zal dus twaalf uren worden. En de derde regel was: anderhalf uur college is onpsychologisch, zowel voor de professor die spreekt, als voor de student die luistert. We zullen derhalve nog eens halveren. Er bleven na berekening twaalf lessen van drie kwartier over... Nog nooit hadden we zo een taal gehoord. We waren als van de hand Gods geslagen en zaten er een wijl stil bij. Van Biervliet merkte het, en maakte er ons attent op dat hij met zijn voorgestelde regeling zijn eerste psychologische zet bij zijn nieuw gehoor gehaald had. De anderen zouden volgen. En weg was hij. De inleiding tot zijn cursus had geen kwartier in beslag genomen. We gingen naar huis zonder één nota te hebben genomen”.

Daarbij moet je het voorkomen van Van Biervliet voorstellen: “Zijn fysische verschijning beantwoordde aan de definitie van de homunculus. Ik geloof niet dat hij veertig kilo woog. Hij liep met voorzichtig-precieuze pasjes en had altijd een paraplu bij zich.

Wanneer hij de week nadien binnentrad, bleef hij voor het midden van de lange groene tafel staan, keek elk van ons met peilende blik aan, vroeg te gaan zitten, haalde een gouden uurwerk met lange gouden ketting uit zijn ondervestzakje, hield het uurwerk op aangezichtshoogte zodat het uiteinde van de ketting op de tafel sleepte, liet dan met berekende kleine draaibeweginkjes, het uurwerk tot op de tafel zakken. Terwijl hij dit deed, hield hij het auditorium in ‘t oog om onze reacties op te vangen . . Eentje kon zich niet houden van lachen. Dat was het moment, door de professor verwacht, om zijn psychologische slag te slaan: 'Sortez, monsieur!' Wanneer deze de deur achter zich gesloten had, begon Van Biervliet zijn les over 'la mémoire'. Het was merkwaardig interessant. Hij dicteerde ons een bladzijde tekst en het was weer gedaan.
Het scenario met het uurwerk en de ketting was elke week onveranderlijk hetzelfde. Niemand gaf nog een kik. Een paar keer verscheen Van Biervliet niet voor zijn lange tafel, maar we geraakten toch aan het twaalftal colleges dat hij ons voorspeld had.
Die originele man heeft ons geen examen afgenomen, hij kwam niet. Het was Lebrun die ons vroeg wat te vertellen uit de cursus van J. Van Biervliet. Elkeen koos de estesiometer, een toestel om de gevoeligheid van de tastzin te meten en dat als een stokpaardje in de colleges van psychologie door J. Van Biervliet bereden werd”. Geen wonder dat de officiële biografie van de grote, kleine professor liet aanvoelen dat hij wel een eerder eenzame persoonlijkheid was, teruggetrokken, zonder veel contact met zijn studenten.

Heeft Louis Ronse van hem dan toch wel enige invloed ondergaan? In zijn loopbaan heeft hij steeds rekening gehouden met psychologische componenten in de pathologie. Het was vooral het organisch-psychologisch aspect dat zijn aandacht trok. Ook waren in zijn bibliotheek, tussen de chirurgie, psychologische werken uit natuurwetenschappelijke scholen, zoals het oeuvre van Kretschmer.

Op 30 september 1912 - hij was toen in de tweede kandidatuur - werd Louis benoemd tot ‘aide-préparateur du cours d'anatomie humaine, du cours d'histologie, du cours d'anatomie pathologique et du cours de physiologie pour un an’. Dit was een officiële staatsbenoeming waaraan 300 fr. verbonden was. Het was een manier om later in een laboratorium te geraken. Zo zou Louis reeds in juni 1914 een eerste artikel laten verschijnen over de therapeutische mogelijkheden van het ‘Moederkoorn’ (1).
Na het behalen van zijn kandidatuurdiploma zou hij in juli 1914, bij de aanvang van het 1e Doctoraat, op het laboratorium van Daels werken. Hij was dus aardig op weg om een academische carrière te beginnen.

  1. L.Ronse Moederkoorn en aanverwante Artsenijen Geneeskundig Tijdschrift voor België. 1914, 5, p. 233-240. Het betreft geneesmiddelen om de baarmoedercontracties bij de geboorte te versterken of bij de nageboorte bloedingen te stoppen.

5. EERSTE DOCTORAAT, 1913-1914. TWEEDE DOCTORAAT, 1914...

Tijdens de twee medische kandidaturen werd de normale ontwikkeling van de mens aangeleerd. In de drie doctoraten begon pas de studie van de zieke mens. Vooreerst werd gedurende twee jaar de algemene pathologie bestudeerd, in het derde werden de verschillende specialiteiten gedoceerd. Dus waren er nu totaal nieuwe leraren, meestal geneesheren. Er werden vooral algemene principes aangeleerd. Hoe de ziekte ontstaat en hoe ze behandeld moet worden. Hierbij kregen de anatomische en microscopische ziekteveranderingen speciale aandacht. De chirurgie nam hierdoor aanstonds een grote plaats in.
De inwendige ziekteleer stond toen nog in de kinderschoenen. De studie van deze pathologie, gedoceerd door de Stella in het 2e doctoraat, kon nog verwerkt worden in een gepolykopiëerde studentencursus van drie honderd vijf en zestig bladzijden. Alle grote ziekte-entiteiten werden nochtans hierin reeds vermeld. De anatomopathologie ervan was ook al gekend; deze is immers vooral aanschouwelijk. Meer was er niet. Het laboratoriumonderzoek verkeerde nog in de kinderschoenen. Heel de kennis was uiteindelijk nog zeer visueel, zoals bij het ontstaan van de methodologie van de moderne geneeskunde in 1800. Zelfs de opgang van de microbenleer, dank zij Pasteur, lag in het domein van het ‘zien’. Iedereen spoorde microben en bacillen op. Hierdoor waren alle inductoren van belangrijke ziektes al geïdentificeerd. Je had de tuberculose-bacil door Koch in 1882 en het jaar erop het vibrion van de cholera, ook door Koch. Ondertussen had Conrad Röntgen sinds 1895 de X-stralen ontdekt. Deze uitvinding was opnieuw een uitnodiging tot kijken en zien. Vooral de ontdekking van de syphilis-treponema in 1905 door Schaudinn en Hofmann was een merkelijke vooruitgang. Deze vondst geschiedde slechts vijf jaar voordat Louis aan de universiteit kwam.
Uiteindelijk namen twee chronische infectieziekten een uiterst belangrijke plaats in: tuberculose en syphilis. Tuberculose kon nu gemakkelijk opgespoord worden door RX- en sputumonderzoek. Syphilis was meer geniepig ofschoon de Bordet-Wassermanreactie in 1906 de diagnose kon bevestigen. Steeds werd aan die treponema gedacht bij moeilijk te verklaren symptomatologie. Uiteindelijk was er ook geen echte behandeling. Wel had Pasteur de vaccinaties bevorderd, die tijdens de oorlogen en vooral tijdens de grote oorlog zo belangrijk zouden worden maar dit was preventie.
Genezing was zeer dikwijls enkel mogelijk door tussenkomst van de chirurg. Orthopedie was de enige tak van de geneeskunde die volledige genezing gaf. De chirurgie was nochtans ook belangrijk bij infecties. Voor ontstekingen en abcessen was de bistouri het enige redmiddel. Geen wonder dat de chirurgie in de eerste helft van de negentiende eeuw een belangrijke specialiteit werd. De grote oorlog zou de chirurgie ook goed vooruit helpen. Gezien de kennis in geneeskunde vooral visueel was, konden de studenten de stof gemakkelijk assimileren. Zij was zeer overzichtelijk.
In het eerste doctoraat werd algemene pathologie gegeven door Camille Verstraeten, terwijl Jean François (sic) Heymans de algemene therapie doceerde. Daniel Van Duyse doceerde de pathologische anatomie met microscopische praktijk, en Emile-Fréderic Van Imschoot algemene chirurgische pathologie. Dit waren slechts vier professoren voor een elftal leerlingen. De belangrijkste figuur onder hen was Jan Frans Heymans, de vader van de toekomstige Nobelprijswinnaar. Hij gaf les sinds 1890 en tal van publicaties wijzen op een uiterst belangrijk en actief proefondervindelijk laboratoriumonderzoek. Hij zou in 1923 tot rector van de universiteit benoemd worden. Het was een gemoedelijke boerenzoon uit Gooik met een spontaneïteit die zeer sympathiek overkwam. Hij wist echter wat hij wilde en kon ook realiseren wat anderen niet aandurfden. Ook nam hij geen blaadje vóór de mond wanneer er iets te zeggen viel.

Camille Verstraeten uit Kalken gaf les sinds 1886. Hij was ook werkzaam als wetsdokter en maakte deel uit van toezichtcommissies bij het gevangeniswezen en psychiatrische instellingen. Sinds 1911 was hij ook voorzitter van de provinciale medische commissie (1). Zijn les in algemene ziekteleer lag wel in de lijn van zijn officiële functies. Dit was niet het geval bij Daniël Van Duyse. Pathologische anatomie en microscopie waren voor hem eerder secondair. Hij heeft hierover ook niet zoveel gepubliceerd. Deze rasechte Gentenaar was feitelijk oftalmoloog. Hij doceerde dit vak in het laatste jaar. Hij heeft vooral bekendheid verworven door de toepassing van de radiologie in de ooggeneeskunde. De nog jonge Fréderic Van Imschoot, oud-leerling van het Atheneum en van de universiteit te Gent, zal zijn lessen over algemene chirurgie met liefde gegeven hebben. Sinds 1891, het jaar vóór zijn benoeming als prof, was hij reeds verantwoordelijk voor de chirurgische instrumentencollectie van de universiteit.
Louis behaalde het getuigschrift van het eerste doctoraat met onderscheiding op 8 juli 1914. Onze student had nog maar de helft van de algemene vakken in pathologie bestudeerd. Het jaar erop zou hij ook maar vier professoren gehad hebben, waaronder opnieuw Heymans met pharmacodynamie en pharmacologie. Nieuw zouden Paul Van Durme geweest zijn met wetgeneeskunde, Adolphe De Cock met specifieke pathologische chirurgie en vooral Hector de Stella met vele lesuren over algemene ziekteleer: ‘la pathologie médicale et thérapeutique spéciale des maladies internes y compris les maladies mentales’ (2).
Onze student had uiteindelijk zeer algemene principes aangeleerd maar de specifieke kennis, nodig in de praktijk, was er zeker niet. Hij was nochtans een goede student. Gedurende de eerste kandidatuur had hij zijn activiteiten op de parochie, alsook zijn muzieklessen verminderd. Hij volgde toen de niet verplichte conferenties van Mac Leod. In de doctoraatsjaren was hij regelmatig aanwezig op de ‘Geneeskundige Refereer-avonden’ die Professor Frans Daels organiseerde. Hij kon hier ook zijn eerste wetenschappelijk werk voordragen. Het werd een publicatie: ‘Moederkoorn en aanverwante Artsenijen’ dat nog op 31 juli 1914 uitgegeven werd, vier dagen vóór de inval van de Barbaren. Professor Daels had de ijverige student opgemerkt en stelde hem voor om in zijn laboratorium te komen werken. Zoals Edmond zou ook Louis met specifieke studie kunnen meedingen aan een concours voor een studiebeurzenreis. Het onderwerp zou gaan over de cancirogene ontwikkeling van cellengroepen in de pancreas (3). De weg lag open: opzoekingen, publicaties en professoraat. Aanstonds na zijn eerste doctoraat maakte onze student kennis met het laboratorium van Daels. Hij zou er precies één maand werken en... zijn volgende publicatie nopens dit onderzoekswerk zou pas zes jaar later verschijnen. Van de opzoekingen nopens de pancreas zou niets in huis komen. Louis zou later ook niet meer werken met Daels. Zijn drie volgende werken zou hij publiceren gedurende zijn assistentschap te Brussel in februari, april en juni 1920. Het zouden allemaal werken zijn nopens scheikundige stoffen die betrekking hebben met de bevalling. Deze lagen wel in de lijn van de specialiteit van Daels.

  1. De provinciale medische commissies hebben als functie te zorgen voor de algemene gezondheidstoestand: het voorkomen van epidemieën, het bestrijden van chronische ziektes - zoals syphilis en tuberculose - het helpen functioneren van ziekenhuizen; het nazicht in scholen en ateliers voor wat betreft de gezondheidssituatie enz.
  2. Gent, Archief Universiteit.
  3. De maligne evolutie van het syncitium van Langerhals.
Daels

6. VERDERE STUDIES

In augustus 1914 was het uit met de studies. Vijf jaar oorlog voeren! Daarna werd onze student gedemobiliseerd op 30 september 1919. Hij moest dan nog zijn examen van het tweede doctoraat afleggen. Dank zij Depage waren examens ingericht voor soldaten doctorandi in de geneeskunde. Studenten die het 2e doctoraat behaald hadden, konden het laatste examen afleggen tijdens de oorlog. De studenten die in het tweede doctoraat waren - onder hen Louis - moesten wachten.

In januari 1918 werd hen echter ook deze mogelijkheid geboden. Allen meteen aan het blokken!.. Het zou voor april zijn. April was er en het werd juli en daarop september... Toen begon het laatste grote offensief en met de examens was het uit, nu definitief.

Daarop volgde de wapenstilstand en plots op 18 december 1918, het grote nieuws: “examens binnen vijf dagen”. Louis was nog steeds onder de wapens. Niemand had sinds drie maand nog een boek geopend!
Voor het tweede doctoraat waren er uit de Gentse Universiteit 36 ingeschreven. Slechts 28 durfden het zonder voorbereiding aan. Zij hadden gelijk, slechts twee studenten werden gebuisd. Louis slaagde bij de 'Centrale Jury' het examen van het tweede doctoraat op 23 december 1918 met voldoening. Hij had geen enkele vraag gekregen nopens wat hij in de vijf dagen voordien overlopen had. Toch was het één jaar gewonnen!

Op 19 januari 1919 werd onze 'Médecin Auxiliaire' geplaatst in het Militair Hospitaal te Gent. Een mooie plaats! Hij kon zich nu inschrijven aan de universiteit. Hij eindigde zijn legerdienst op 20 september 1919 (1). Op 27 oktober 1919 legde hij aan de Gentse Universiteit met onderscheiding het eindexamen af voor geneesheer.

Hij liep een tijdje stage te Parijs en werd daarop assistent in het Hôpital St.Pierre te Brussel bij Professor Vince. Hij was steeds de ijverige student. Op dit ogenblik publiceerde hij immers drie artikels in één jaar tijd.

Alle werden gepubliceerd in het 'Vlaamsch Geneeskundig Tijdschrift', februari, april, juni 1920. Zij hebben betrekking op medicatie: eerst 'Cotracine, Styptol, Stypticine', vervolgens 'Het Hydrastischextract en zijne werkzame bestanddelen' - een vervolg op zijn artikel uit juli 1914 - en uiteindelijk 'Therapeutische werking der hypophysisextracten'. De auteur beschrijft telkens de consistentie en de toepassing van het product.

Toen men hem in juni 1920 naar Ieper riep, was hij werkzaam in het Hospitaal van Etterbeek.

Te Ieper heeft hij daarop nog gedurende zes maand, tot in augustus 1922, radiologiebespreking gevolgd op de dienst van Professor Sebrechts te Brugge.

  1. Militair Dossier.

Hoofdstuk 7

OORLOG

1. DE SPELBREKER

Een lang verwachte maar ook gevreesde oorlog, de grote spelbreker! 29 juni 1914: Sarajevo, Frans-Ferdinand, Princip, Graaf Berchtold, Graaf Tisza, Wilhelm en anderen; één maand later: ultimatum, mobilisaties, Jaures, Koning Albert en daarop 4 augustus 1914. Louis kon zijn toekomst niet meer zelf bepalen. Het volgende academiejaar 1914-1915 zou niet starten. Op 9 december 1914 besliste de Academische Overheid te Gent: “Le Conseil Académique exprime au gouvernement son désir de n'ouvrir aucun cours aussi longtemps que les combattants de l'Yser ne seront pas en mesure de les suivre”. Tweeëntachtig studenten zouden niet meer terugkeren. Zij overleefden de zondvloed niet. De bezetter aanvaardde dit besluit natuurlijk niet. Daarom werden te Gent de twee meest beroemde professoren, Pirenne en Fréderic, gedeporteerd. Op 24 oktober 1916 slaagden de Duitsers erin de universiteit opnieuw te openen met de hulp van extremisten en vooral naïevelingen. De naam van deze eerste promotie 1917 was von Bessinck. Dit was het hoofd van de bezettende macht. Eindelijk kwam er een Vlaamstalige universiteit! Naïef! Eenendertig profs, honderd achtendertig studenten. De gecompromitteerde profs zouden meestal uitwijken; de studenten zouden felle moeilijkheden ondervinden om nog aan een Belgische universiteit ingeschreven te kunnen worden. In beide kampen was bij de aanvang van de oorlog, iedereen rotsvast ervan overtuigd de overwinning te behalen; het zou daarenboven een korte oorlog worden. Elkeen was wild enthousiast. Zelfs de socialisten die met een algemene staking de oorlog wilden bannen, kregen de koorts te pakken. In de twee kampen defileerden fiere soldaten: “Nach Paris!” of... “à Berlin!”. Overal bloemen en muziek, overal vlaggengezwaai, fanfares, damescomités, steunacties, ambulanciercursussen, lazaretten. Europa stond op zijn kop. Allen liepen eensgezind naar de dood en het faillissement. Jan uit de straat, arbeider of boer, echter niet. Ze keken eerder van op afstand naar deze burgerlijke exaltatie. Ook zij zouden echter met de brokken zitten. De Belgen waren de enigen die geen oorlog wilden en daarom zijn zij ook nooit officieel tot de geallieerde alliantie toetreden. Te Versailles zou voor hen geen plaats voozien zijn. En toch! Hun reactie was identiek als bij vijand of vriend. "Pulchrum est pro Patria mori". Een slogan uit de oude doos.

2. VON SCHLIEFFENS OORLOG

Op 4 augustus vielen de Hunnen België binnen. Het Duitse plan werd reeds jaren tevoren opgesteld door het vroegere hoofd van de Duitse generale staf, Alfred Graaf von Schlieffen. Zijn inval wilde een grote draaibeweging maken, doorheen het Groot-Hertogdom en België, omheen de Franse verdedigingslijn. In 1914 werd Nederland gespaard dank zij zijn opvolger, de angstige, voorzichtige von Molkte. Die had het plan wat gewijzigd.
Von Schlieffen wilde aanstonds naar Parijs. Eens de stad ingenomen, betekende dit de overwinning. Dan kon men de oekazes opdringen. Het zou een mooie victorie worden. Van 6 tot 9 september werd het echter de Marne. Het Duitse plan stortte ineen. Adieu Paris!
De aanvallers hadden de Maas en de Samber gevolgd. Zij kwamen dus niet verder dan Tienen-Brussel-Mons-Valenciennes, zodat Vlaanderen steeds onbezet bleef. Na de Marne werd het 'nach Calais'. Hier was er een niet militaire zone waar Fransen noch Britten manoeuvreerden. Die hadden geen tijd gehad om haar te bezetten. Noord-Frankrijk en Vlaanderen lagen open en bloot: noch Fransen, noch Britten maar ook geen Duitsers. Een soort no mans'-land! Hadden de invallers hier voldoende rekening mee gehouden?
De strijd verplaatste zich naar het noorden. De Duitsers wilden de onbezette Franse linkervleugel via de noordkant overvleugelen. Telkens kon Joffre hier verse manschappen inzetten. Het was de ‘rush naar de zee’. De kreet "nach Paris!" werd nu "nach Calais!". Deze ‘rush' eindigde te Rijsel. De stad werd op 12 oktober ingenomen.
Op 14 oktober konden de Britse en Franse troepen zich nochtans te Ieper verzamelen. De Duitsers geraakten hier niet verder meer. Het Iepers ‘Salient’ nam op dit ogenblik vorm. Op 21 oktober begon daarop de eerste slag om Ieper. Calais zou nooit ingenomen worden.
Meer naar het westen hadden de Duitsers echter nieuwe troepen ingezet. Die belegerden op 28 september Antwerpen. Een nieuw gegeven! De vesting was nog in verbouwing maar Koning Albert wilde in het depot van het leger de tegenstand organiseren. IJdele hoop! De stad viel op 10 oktober. Het Belgisch leger kreeg toen juist de tijd om zich op de IJzer terug te trekken. Op 18 oktober begon daarop de slag aan de IJzer. Deze duurde tot 31 oktober en kon ook de Duitse aanval in de richting van Calais stoppen.
Vanaf 14 oktober bevonden zich in het noorden van België dus drie geallieerde strijdkrachten: Britten en Fransen op de lijn Armentières - Boezinge, Belgen van Boezinge tot Nieuwpoort en tussenin, tot 10 november, een Frans - Belgisch bruggenhoofd te Diksmuide. Vanaf Armentières tot aan de Zwitserse grens was de verdediging in Franse handen.
Het front onderging weinig verandering. De bewegingsoorlog eindigde op een loopgravenoorlog. Het was de eerste maal in de geschiedenis dat iets dergelijks voorviel. Loopgraven werden voordien enkel gedolven bij de belegering van een vesting.
De frontlijn had dan een lengte van bijna 1000 km. Erlangs liep een tien à twintig kilometer brede strook verwoesting doorheen Europa. In de winter een modderpoel, in de zomer stof en zand maar steeds een vuilnisbelt voor ratten, kadavers van paarden en vooral van mensen! Daarbuiten liep het normale leven verder: het gezang van de vogels, de werkers op het land en het straatgebeuren in de stad. Je stapte van de ene wereld in een totaal andere: een krankzinnige overgang.

3. DE BURGERWACHT

In België werd vanaf 29 juli gemobiliseerd. Wie geen militaire dienst moest verrichten werd ingelijfd bij de burgerwacht. Dit was naast het leger en de rijkswacht een derde militaire organisatie. Ontstaan uit de stadsmilities die bij onlusten de orde handhaafden, had zij haar adelbrieven verworven in 1830. Naar gelang het niveau van haar ingrijpen werd de burgerwacht bevolen door de Minister voor Inwendige Aangelegenheden, door de gouverneurs of door de burgemeesters.
Haar opdracht was “de orde te handhaven” maar daarbij ook “het nationaal territorium te verdedigen”. Hoe? Hiermee heeft de regering het wel moeilijk gehad. Zo werd op 20 augustus 1914 de burgerwacht deels afgeschaft om daarna opnieuw aangewend te worden, zelfs in een territoriaal leger. Na veel twijfelen werd ze op 13 oktober definitief ontbonden.

Gezien de rekruten hun uitrusting betaalden werd het een elitair gezelschap: geen landbouwers, geen arbeiders. Op de boerenbuiten was een burgerwacht slechts gepland bij oorlog maar in elke stad met 10.000 inwoners was er een bestendige wacht: de zogenaamde ‘blauwen’.
Beneden de dertig jaar behoorde je tot de eerste ban en kon je ingeschakeld worden in grote manoeuvres. De ouderen, tot veertig jaar, waren er om de lokale orde te handhaven, dus steeds onder bevel van de burgemeester. Vaak kon je de zondag ‘manoeuvres’ bijwonen, vooral parades. Slechts enkele malen waren er ook schietoefeningen. Hier leerde je hoe de antieke geweren na ieder schot moesten herladen worden met loden kogels van 11 mm. Slechts zeer elitaire vrijwilligerskorpsen beschikten over een up to date uitrusting.

Ook te Gent waren er om elf uur na de mis ‘manoeuvres’ op de huidige Bevrijdingslaan, langs de Bijloke. Aan de ene kant zag je de ‘soldaatjes’, aan de overzijde de zondagwandelaars. De boord van het trottoir gaf steeds mogelijkheid om een uiterst mooie rechte lijn bij de manschappen te bekomen.

Edmond Ronse, vrijgesteld van militaire dienst, behoorde bij de eerste ban. Gezien hij reeds verloofd was wilde hij zeker spelen. Tussen twee wachtronden in, huwde hij op 12 augustus 1914 met Madeleine Roegiers.

Vanaf 4 augustus bliksemde en donderde het reeds bij Luik en de burgerwacht kreeg de bewakingsopdracht van opslagplaatsen, spoorwegen, kruispunten, stations en vooral dorp- en stadstoegangen. De controles waren wel belangrijk, alle wegen eindigden immers aan een stadspoort. Hier kon niemand door zonder pas. De vrees voor spionnen maakte dit nog moeilijker. Overal werden niet alleen Duitse onderdanen maar ook zogenaamde spionnen door de burgerwachten opgeleid. Eenieder voelde zich uiterst nuttig voor het vaderland wanneer hij een spion kon ontmaskeren. Zelfs Louis werd door deze rage te Gent aangegrepen. Twee brave oude dochters - waren zij wat bizar aangekleed? - wekten zijn wantrouwen op. Hij vond het de moeite om hen te volgen. Ter controle liep hij eventjes een straat rond... voor niemendal!

Toen het Belgisch leger zich in de vesting Antwerpen terugtrok en Brussel op 20 augustus ingenomen werd, werd de tweede ban van de burgerwacht naar huis gestuurd. De eerste ban werd echter gegroepeerd onder bevel van Generaal Clooten, samen met rijkswachters en vrijwilligers, in een nieuw gevormd territoriaal leger (1). Dit werd in het niet veroverde landsgedeelte ten noorden van de Schelde ingezet om de orde te handhaven en vooral Duitse verkenners, ulanen, op te sporen. De eerste ban van de burgerwacht bleef dus verder strategische plaatsen bezetten maar nu werd het wel gevaarlijker.
De Gentse wacht werd opgesteld tegenover de Duitsers langs de Schelde tussen Gent en Schoonaarde (2). Op 4 september moest de brug er echter opgeblazen worden en op 7 september ging Burgemeester Braun van Gent reeds onderhandelen met de Duitsers te Oordegem. Hij wilde zomaar de stad overgeven. Gelukkig was Generaal Clooten er en vanaf 11 september werd de Gentse wacht ingeschakeld in de streek rond Gent.
Op 7 oktober begon de aftocht uit Antwerpen, op 10 oktober viel de vesting. Ondertussen werd de Gentse wacht opgesteld langs het kanaal Gent - Terneuzen en daarop langs de afleidingsvaart Leie - Zeebrugge. Op 9 oktober geraakte het territoriale leger van Generaal Clooten slaags te Melle en de dag daarop begon de terugtocht op Brugge. Hier werd op 13 oktober het territoriale leger ontbonden.
In deze gevaarlijke periode heeft Edmond zijn enige militaire ervaring opgedaan. Zijn peloton was opgesteld aan de brug over het derivatiekanaal van de Leie te Balgerhoek bij Eeklo. Plots aan de overkant: ulanen! De onderluitenant riep: "Allen onder dekking en... niet schieten!". Er werden die dag geen heldenfeiten verricht maar de luitenant was wel een verstandige kerel.
Edmond legde dus in zijn curriculum niet veel militaire activiteit aan de dag. Geëvacueerd naar Brugge, werd hij er op 13 oktober gedemobiliseerd en ‘naar huis gestuurd’. Gemakkelijk gezegd, enkel het Ieperse en Veurnse waren nog vrij grondgebied.
Zijn vrouw wachtte hem op bij familie te Veurne. Op 14 oktober kreeg het echtpaar een vrijgeleide naar Parijs. Edmond had er contacten met het ‘Beschermcomiteit der Tijdelijke Uitwijkelingen van Oost-Vlaanderen’.
Dit werd in 1900 door Mgr. Stillemans gesticht maar onderpastoor Moyersoen was van uit St.-Coleta in 1903 benoemd geworden tot aalmoezenier te Parijs. Door deze contacten had Edmond het probleem eerder bestudeerd; in 1913 had hij er zelfs een studie over geschreven (3).
Als advocaat zou hij zich nu met het ‘Werk van de Vluchtelingen’ inlaten. Voor zijn schoonbroers Paul en Raymond Roegiers en vooral voor zijn broer Louis - ook voor Gustaaf en Fritz - zou hij vrijwel het enige familielid worden waarmee nog contact mogelijk was.
Omstreeks 16 oktober hebben de jonggehuwden zich te Parijs gevestigd. Dit was de dag waar het gevecht aan de IJzer begon. Voor Louis begonnen toen wel geen wittebroodsweken. Edmond Ronse heeft er echter ook voor gezorgd dat we iets meer zouden te weten komen over Louis. Hij heeft werken geschreven ten behoeve van de vluchtelingen waarin brieven van zijn broer en schoonbroers gepubliceerd werden (4).
Fritz en Gustaaf zijn ook vier jaar afwezig geweest. Enkel de drie dochters en de drie jongeren, Victor, Albert en Paul waren nog thuis. Frits en Gustaaf werden gereformeerd. Fritz heeft toen in een bloemisterij gewerkt en Gustaaf te Parijs. Louis meldde dit aan zijn ouders op 1 oktober 1915 (5).

  1. Historique des Troupes Territoriales en Belgique en 1914. Geen auteur, geen datum.
  2. Lievens Luc Enkele aspecten van de Gentse Burgerwacht in Handelingen Maatschappij Geschiedenis Oudheidkunde Gent. 1918, Nieuwe Reeks LII, p. 83 à 106.
  3. Ronse Edmond L’ Emigration saisonnière Belge en France Ouvrage couronné du prix triénal d’Economie Politique - Prix De Ridder - institué à l’Université de Gand. 1913, Eylenbosch, Gand, geen datum.
  4. Ronse Edmond De Slag aan de IJzer De Mesmaker, Parijs, 1915.
  5. Dank zij het werk ‘Oeuvre du Mot du Soldat’ heeft Louis eenmaal zijn ouders kunnen schrijven van aan het front.
Burgerwacht
Yzer

4. OORLOGSVRIJWILLIGER

Heel België was geschokt, angstig, maar na een paar dagen verliep alles als in de buurlanden. Niet alleen patriottisme, zelfs nationalisme was de mooiste deugd. Wie niet meedeed pleegde verraad. Over gans Europa werden rekruteringbureaus geopend en stroomden vrijwilligers toe. Ook in België, het waren er hier 22.000.

Louis was werkzaam op het labo van Daels. Hier werd overwogen een universitaire antenne met professoren en studenten op te richten (1). Professor J.F. Heymans liet in de pers dan ook een oproep verschijnen om een ambulance met vrijwilligers, geneesheren en brancardiers te vormen. Dit artikel evenals de verhalen over de verdediging van Luik gaven de doorslag bij Louis.

Hij vervoegde zich als vrijwilliger bij het leger omdat zijn professoren inlijving promootten. Werken in een universitaire equipe zou ook niet onaangenaam geweest zijn. Had Professor Depage niet in de tweede Balkanoorlog een Rode Kruiséquipe opgericht die goed werk had geleverd? Deze zending had maar enkele maanden geduurd en men dacht dat alles nu ook van korte duur zou zijn.

Onze ijverige student meldde zich dus aan bij Professor Heymans die hem samen met negen jezuïetennovicen uit Drongen naar het wervingsbureau in de St.-Pieterskazerne stuurde. Dit was het hoofdkwartier van de 1e Divisie. Hij werd op 12 augustus ingeschreven en werd op 16 augustus gestuurd als ambulancier naar de ‘Ambulance Colonne’ van de 1e Divisie.
“Je fais le paquetage de mon linge, du savon dans le havresac bariolé en peau de vache à poils touffus, le même que portaient les garde-civiques et aussi les fantassins” Hij voegde eraan toe “le ‘livre de petite chirurgie par Chavasse” en enkele briefjes van 100 fr. Twee briefjes van 20 fr. werden gewisseld in goudmunt in de Post van de Normaal Schoolstraat. Hiermee zou hij tijdens het beleg van Antwerpen in het Legerdepot te Duffel zijn uniform betalen. Zijn ‘Chavasse’ zou hij vergeten te Boom bij zijn collega Mertens. Die was onderluitenant bij dezelfde ambulancecolonne en Louis werd er gekantonneerd.

De opleiding van gewone vrijwilligers duurde twee maand. Te Ieper was Jan Van der Ghote, toekomstig schoonbroer van Louis, in dit geval. Hij was student en volgde dus die opleiding. Daarop werden allen ondergebracht in vier brigades waaruit geput werd naargelang de verliezen van het leger.

Technici werden echter aanstonds ingelijfd met de graad van onderluitenant. Honoré Van der Ghote, broer van Jan en ingenieur met de specialiteit elektriciteit keerde naar Ieper terug vanop stage ergens in Duitsland. Hij werd onmiddellijk ingelijfd in de compagnie schijnwerpers in de vesting Antwerpen. Hij kreeg geen speciale opleiding.

Ook het peloton van Louis met zijn Jezuïeten werd als bekwaam geacht en moesten geen opleiding volgen. Zij kregen meteen hun marsorder. Zij moesten zich zo vlug mogelijk bij hun eenheid vervoegen. De ambulancecolonne van de 1e Divisie verbleef ergens tussen Tienen en Diest. Onze nieuwbakken militairen namen dus vol moed de trein.

Chirurgie

Louis was nog in burgerpak. Toch bekwam hij aanstonds de titel 'aspirant-geneesheer'. Er was echter geen spraak meer van een eventueel universitair peloton. De novicen werden gepromoveerd tot verpleger. Zij waren natuurlijk nog in soutane - geestelijken zouden pas in 1915 een uniform aantrekken. Een armband verving het uniform.

Louis

Louis Ronse (links) als recruut, (rechts) als ‘aspirant-geneesheer’.

Als piepjong 'aspirant-geneesheer' - zonder enige militaire of zelfs medische kennis - en daarop als 'hulpgeneesheer' heeft Louis Ronse nochtans waardering en ook erkentelijkheid verworven. “Onuitwisbaar blijft die tijd geprent in ons hart. Gelukkig konden wij rekenen en steunen op de morele steun en de ervaring van mensen aan wie wij een blijvende dankbaarheid verschuldigd zijn, zoals mijn aalmoezenier, wijlen pastoor François van Givry, dokter Ronse uit Ieper, inspecteur Hilaire Delobel uit Brugge, pastoor Storme van Elverdinge die in het hennekot van Cardoens woonde op enkele honderden meter van het front, meester Vermersch die te Woesten bleef, spijts bombardementen, modder en soldatengewoel” aldus Paul Tamboryn, de latere 'porte-sac' van Louis Ronse (2).

  1. Ronse Louis Mémoires.
  2. Verzamelde Werken van Paul Tamboryn Uitgave Ivan Woussen, Ieper, 1989.

5. GEZONDHEIDSOFFICIER

Louis Ronse bleef onder de wapens van 1914 tot 1919 en dit heeft zijn leven getekend: in vraag stellen van waardeschalen, nieuwe perspectieven, andere inzichten. Steeds zou hem de eerder gemakkelijke aanvaarding bijblijven van onafwendbare situaties, maar van nu af zou hij zich meer afstandelijk opstellen en minder onderworpen zijn. Hij werd ook minder conventioneel en betoonde de nodige ironie, zelfs wat sarcasme. In zijn werk was hij doordrijvend, zelfs wat brutaal. Uiteindelijk betekende de oorlog voor hem nog meer dan ellende. Heel zijn levensproject werd er door verwoest. Hij wilde een academische carrière opbouwen. Dit werd nu onmogelijk. Na de wapenstilstand was het te laat om nog aan laboratoriumwerk te denken.
Zelfs de universitaire equipe aan het front was een fata morgana. De eerste maand kon Louis wel werken met zijn leermeester Daels tijdens de belegering van Antwerpen, maar daarna was het uit. Gezien hij ook geen geneesheer was kon hij ook niet opgenomen worden in de equipe van Lepage. Die had in ‘L’Océan’ in De Panne een universiteitsniveau met internationale bekendheid bereikt.
Louis was vanaf 10 augustus 1914 adjudant-gezondheidsofficier - médecin aspirant - en werd op 15 augustus 1915 bevorderd worden tot onderluitenant - médecin auxiliaire. Nochtans zou hij gedurende de lange, lange oorlog meestal in eerste lijn vertoeven tussen de piotten. Hij was wel verbitterd. Vooral de ontgoocheling in zijn omgeving en de kennisname van het plantrekken kon hij moeilijk verwerken.
Dit is ten ander zeer vroeg begonnen. Op 18 augustus moest de ambulancecolonne uit Tienen zich terugtrekken. Het ambulancierpeloton kreeg onderdak bij de Jezuïeten te Leuven en daags nadien werd de trein genomen naar Mechelen waar onderdak gevonden werd in de Academie van de Stationstraat. De stad was totaal verlaten en Louis kreeg een verlaten huis toegewezen. Wanneer hij de volgende morgen de trein naar Antwerpen nam zocht hij tevergeefs naar zijn peloton. “J’appris plus tard qu’ils avaient été affectés au service des trains sanitaires”. Die verplegers bleven niet aan het front maar hadden als standplaats Antwerpen, daarop Oostende, uiteindelijk Engeland. Hun roeping was gevrijwaard! Zijn het de brave paters uit Leuven die zich over hun novicen ontfermd hebben? “A ce moment je ne comprenais pas encore que leurs supérieurs avaient obtenu qu’ils soient placés dans les situations les plus protégés de toute l’armée”.
Andere ontgoochelingen zouden nog volgen maar de grootste was wel de kennisname van menselijke zwakheid. In zijn mémoires trekken rijen collega's voorbij, zeer dikwijls tot ergernis van Louis.
“Le Dr. Jules De Caestecker, mon aîné en études, juste diplômé ./. Durant la guerre ce docteur montrait une panique affolante qui l’a fait, un jour de bombardement, rester en arrière de son unité et ce qui lui a valu des ennuis ./. Au moindre bombardement il s’enfuyait”; le lieutenant médecin Van den Bril frisant la quarantaine, ophtalmologue à Boom, imbu de son importance”; le major-médecin Gloudot, plus militaire que médecin”;
“Firmin de Rom. Celui-ci sortant de Louvain comptait continuer ses études à Gand. Tout de suite il 's efforça d’être dans les bonnes grâces du professeur Daels, son suppôt fidèle. Il le suivait dorénavant partout; ‘s efforçant de prévenir ses désirs, d’acquiescer à ses idées" - maar - "En 1930 à l’Université de Gand, il était tout aux ordres du professeur De Beule. Il lui fournit des armes scientifiques dans sa lutte contre le professeur Daels”. Vooral Daels zal hem ontgoochelen.
De oorlog van Louis was er een van loopgravenellende maar daarbij groeide ook het besef dat hij, bij zijn keuze als vrijwilliger, aan het kortste eind getrokken had.
Spijts alles heeft Louis alles wat hij ondernam behoorlijk verricht, ook zijn oorlog. Hij deed zijn plicht. "Bon Officier de Santé qui en toutes circonstances a fait preuve de dévouement et de courage" was de vermelding bij zijn ontslag uit het leger.
Op 14 april 1919 werd hij geciteerd op het dagorder van het leger: "Par le courage et le dévouement dont il a fait preuve au cours de sa longue présence au front".

Hoofdstuk 8

OORLOGSERVARINGEN

1. FRANS DAELS

Professor Daels werd de grootste ontgoocheling voor Louis Ronse. Alles was nochtans goed begonnen. Na de tweede uitval uit Antwerpen ontmoette Louis zijn prof op 13 september in de officiersmess te Boom. Daels was er in een splinternieuw uniform, gezeten naast de majoor. Hij kwam uit Antwerpen. Hier was hij geneesheer geweest van een bataljon van het 3e Linieregiment dat op 18 augustus slaags geraakt was te Grinde - Houtem-Ste.Margriet bij Tienen. Frans Daels had bij de aanval dekking gezocht in een kelder en werd niet verwittigd bij de aftocht. Daarop heeft de professor in burgerkledij doorheen de Duitse linies Antwerpen bereikt - hiervoor kreeg hij de Orde van Leopold.

Op 28 september hebben Louis en Frans Daels samengewerkt. De vesting Antwerpen werd toen bestookt. Majoor-geneesheer Gloudot stuurde hen naar Walem. Met hun tweeën hadden ze de opdracht de sanitaire toestand in het dorp na te gaan. Het dorp was verlaten, met overal granaattrechters en in verwoeste stallingen tal van koeienkadavers. De volgende dag werden beiden daarom teruggestuurd om met behulp van koorden de krengen in granaatputten te sleuren. Zo moesten epidemieën voorkomen worden. “Nous retournâmes tous deux à Walem”. Het werd een aangename samenwerking.

Louis kon daarbij ook voor het eerst helpen bij een interventie. Het was een armamputatie bij een artillerist van het fort van Walem wiens kanon ontploft was. Daels was operator, De Caestecker assistent, en Van den Bril zorgde voor de chloroformanesthesie. Louis mocht helpen - voor hem was het vooral nog kijken en leren. Alles was nieuw.

Een paar dagen later, op 30 oktober, werd het munitiemagazijn van het fort getroffen; vanuit Waarloos moest dringend assistentie verleend worden. Er waren zeventig doden maar vooral vele slachtoffers met brandwonden. Zij liepen al huilend doorheen het fort, gelaat en handen zwart en bebloed, de klederen aan flarden. “Les soldats qui se trouvaient dans les galeries couvertes voisines furent tués, une vingtaine d' autres atrocement brûlés . . Ces malheureux souffraient atrocement, la figure, la poitrine, toutes rouges des brûlures qui faisaient un tégument collant sur tout le corps” (1). Hiertegen was men nog machteloos: “On leur donnait une piqûre de morphine à l'arrêt à l’ambulance et les voitures continuent leur route vers l’hôpital d’Anvers”. Allen zullen wel gestorven zijn.

Het was voor Louis een eerste contact met het oorlogsgebeuren. Daarop werd hij echter van zijn leermeester gescheiden, Zij zouden niet meer samenwerken. De student ontmoette zijn professor veel later te Veurne op het S.K.V.H. - het ‘Secretariaat der Katholieke Vlaamsche Hoogstudenten’.

Als hoger officier was Daels actief in deze vereniging die door intellectuelen en studenten aan het front gesticht was in februari 1916. Het was een poging om de toenemende immoraliteit bij de soldaten tegen te gaan. Zowel de militaire als geestelijke overheid steunden het project. Wanneer als reactie tegen het verminderen van de discipline, de soldatenverenigingen in februari 1917 afgeschaft werden, mocht deze organisatie blijven bestaan.
Haar actie begon met een massale verspreiding van brochures ter ‘verzedelijking’ van de soldaten. Zeer vlug werd ook een Franstalige vleugel gecreëerd. Het werd één organisme, met het secretariaat in het college van Veurne, onder leiding van de principaal.

Zeer vlug ontstond hier het idee vakmanschap te bevorderen, zelfs met uitbreiding op hogeschoolniveau zoals Depage in ‘L’Océan’ het realiseerde. Daarom werd ook een bibliotheek opgericht waar de soldaten gedurende één maand werken konden ontlenen. Professor Frans Daels was de grote promotor van deze organisatie geweest. Het was normaal dat Louis, die steeds contact met zijn leermeester onderhouden had, deze beweging steunde.
Nochtans zag hij zijn leermeester nu op een mooie post, ver van het front, zoals alle gegradueerden: “Le professeur Daels put se retirer dans une thébaïde au collège de Furnes. Il y fonda une bibliothèque à l'usage des soldats étudiants. Ils pouvaient s'y procurer les auteurs de leurs cours universitaires. Elle portait le sigle S.K.V.H. - S.V.G.V. En relation avec des étudiants le prêt des livres lui permettait de faire de la propagande activiste et flamingante.
En juin 1918 j’étais cantonné à Fortem avec le 13e de ligne lorsque je rencontrais le professeur Daels sur la route d'Alveringem. Il fut très heureux de me revoir et m'invita à souper chez lui à Alveringem. En bon frère de lutte il logeait chez le vicaire Cyriel Verschaeve. Son adjoint était le Dr. De Backer qui l’assistait déjà à Gand avant la guerre. Au cours de la conversation on en vint à parler du récent transfuge de De Schaepdrijver. Le professeur excusait son acte de désertion comme celui d’un intellectuel flamand aigri par l’usage exclusif du français à l’armée (2). Tous deux nous l’arrêtâmes dans le développement de ses arguments. Notre opinion était nette. Un soldat transfuge est traître à la patrie”
.

Te Alveringhem is de achting van Louis voor Daels fel gedaald. Zijn Vlaams gevoel heeft daarbij ook wel een ferme deuk gekregen.
Wanneer Louis in 1919 opnieuw contact zal aanknopen met de universiteit zal Daels hem vragen om te komen werken op zijn laboratorium: “Je l’en remerciais. Après quatre ans de guerre il était temps de parfaire mes connaissances médicales pour arriver à ma spécialisation en chirurgie. D'autre part je ne désirais pas travailler de concert avec un professeur aux opinions activistes avancés”.
Ontgoocheling. Dan maar vlug het eigen leven opbouwen maar daarbij ook zwijgen en alle ondergane leed voor zichzelf houden.

  1. La Belgique et la Guerre Tome III. Les opérations militaires. 1926, Bertels, Bruxelles. p 153.
  2. Daels was een van de leiders van de Frontbeweging. In 1916 ontstonden debatkringen betreffend de taalkwestie in het leger; deze werden in februari verboden. Nochtans werd de beweging in 1917 verder georganiseerd en zij werd zelfs een politieke pressiegroep. In mei 1918 maakten de Duitsers intensieve propaganda en stimuleerden tot overlopen. Eenentwintig soldaten gaven hieraan gevolg. De eersten, waaronder De Schaepdrijver, verklaarden over te lopen in opdracht van de Frontbeweging. (Encyclopedie van de Vlaamse Beweging. 1973, Lannoo, Tielt.).

2.OORLOGSVERHALEN

De beproeving van deze vijf lange, belangrijke jaren heeft Louis steeds voor zich alleen gehouden. Dit was persoonlijk en belangde hem alleen aan. Hetgeen hij beleefde heeft hij nooit aan zijn kinderen verteld.

Bijna twee jaar lang had hij als ordonnans Paul Tamboryn gehad (1). Wij wisten er niets over. Enkel omdat deze te Ieper woonde hebben wij hun samenwerking leren kennen...

Tamboryn

Meester Tamboryn in volle actie.

Nooit had vader gesproken over een ander ordonnans. Als universitairen kenden wij hem allemaal: het was Mgr. Van Waeyenbergh. Vader heeft nooit iets over hem verteld. Het was de rector zelf die het mededeelde aan mijn broer Léon wanneer die student was te Leuven.
Nooit werd de oorlog thuis aangehaald. Wel werden verhalen opgedist die - zoals deze uit zijn kinderjaren met de meid - aanstoot gaven aan zijn vrouw. Er waren wel twee oorlogsverhaaltjes die vooral lachend verteld moeten worden.
Aan het IJzerfront lagen de soldaten, alvast bij de aanvang, vier dagen in de loopgraven vóóraan, vervolgens vier in tweede positie. Daarop werden vier rustdagen ingelast, met tijd te over o.m. voor herbergbezoek en andere ontspanning. Zo stonden op zekere dag de soldaten in de rij aan te schuiven bij een ‘cafeetje met meisjes’. Plots kwam de majoor buiten en - in het Frans natuurlijk: “Mes amis, les petites n'en peuvent plus, attendez. On arrête pour une heure, puis vous pourrez continuer”. Het waren immers niet alleen de soldaten die het druk hadden aan het front.

Het ander verhaal was griezeliger, ook meer medisch. Het betrof slachtoffers van het 'Ieperietgas'. Wanneer die reutelend, naar adem snakkend, brakend en verbrand aangebracht werden, vertoonden allen een kenmerkend symptoom: de ongelukkigen hadden door de lokale prikkeling, steeds erectie.

Gehangenen - voorzeker ook kruislieveheren - vertonen hetzelfde symptoom door het stagneren van bloed in de onderste ledematen. De slachtoffers van het gas waren als gekruisigden!

Dit alles was het enige wat wij kinderen van vader over de oorlog vernamen. Verduisterde jaren, zonder geschiedenis? Ik vroeg het militair dossier van Louis. Het was zoek! Alsof zijn wens alles te vergeten ook hier ingewilligd werd. Na drie jaar en veel aandringen werden de bescheiden dan toch gevonden.

Ondertussen had ik hem gevraagd zijn oorlogsmemoires te schrijven. Pas na zijn overlijden namen we er kennis van. Het stopt na de eerste zes maand oorlogvoering, alsof het schrijven te moeilijk geweest was. Tot in het minste detail echter wordt in deze memoires alles nauwkeurig weergegeven, met juiste namen en data, echt wetenschappelijk.

Ik heb ook meester Paul Tamboryn gevraagd zijn herinneringen boven te halen ter publicatie in een familieblaadje (2). Deze ordonnans van Louis vertelde gemakkelijker met alle nodige details. Hij was onderwijzer aan de Rijksmiddelbare School te Ieper, een innemend figuur, uitstekend pedagoog met liefde voor zijn leerlingen. Daarbij was hij ook een verteller en dichter, zelfs ietsje filosoof. Tamboryn kwam episodisch aan huis. De vrouwen waren bij die conferentie dan niet toegelaten, zoniet was de smakelijke fles wijn hierbij nooit mogelijk geweest. Elk bezoek van onze oom Paul Ronse, pastoor te Russignies, daarna in St.-Macharius Gent, was een gelegenheid om zijn naamgenoot uit te nodigen. De pastoor moest voor broer noch vriend de duimen leggen. 's Avonds laat bracht hij de lege flessen naar de keuken, in elke hand minstens drie tussen de vingers gekneld: “Voici les victimes! Et aucune n'a trépassée sans l'assistance de Notre Mère la Sainte Eglise!”.

Eén keer per jaar werden wij, broers en zusters, nog kleine snaken, bij Tamboryn uitgenodigd op chocolademelk en krentenbrood. Niet alleen de chocolade (3) maar ook de sprookjes waren welkom: 'Kwâ Bette', 'Blesse de koe', 'Liete de oude zeug'...
Nadien kwam het spannendste. Het was een kruipronde in de sportzaal van de school. Je moest de zaal rond zonder de grond te raken, langs het wandrek, de evenwichtslat, de boombalk, via de ringen en het zweefrek. Een uitdaging!
Feitelijk kon meester Tamboryn dit gemakkelijk organiseren: de sporthal viel onder zijn bevoegdheid. Hij was, spijts een rond buikje, niet alleen onderwijzer maar ook turnleraar in de Middelbare School, vanaf 1932 ook in de ‘Knechtenwezenschool’ (4).

  1. Paul Tamboryn, geboren te Elverdinge op 31 januari 1897, werd opgeroepen op 26 juni 1916. Hij was de zoon van Constant, onderwijzer, schrijver van schoolleerboeken. Deze behoorde tot de generatie onderwijzers die in de negentiende eeuw enorme invloed hadden. Naast de kasteelheer, de markies d'Hennetières, de pastoor, de brouwer, sinds één eeuw Van der Ghote, en de notaris, was de onderwijzer een centrale figuur in het dorpsleven. De meester had drie generaties jongens als leerlingen gehad. Hij kende iedereen naar zijn deugden en gebreken. In april 1915 was de familie uitgeweken naar Niort waar vader Tamboryn verder les gaf aan de kinderen van Vlaamse vluchtelingen, die hier gegroepeerd werden. Paul kwam op 30 oktober 1916 bij het CIBI (Centrum ter Instructie van Brancardiers en Infirmiers) terecht. Hij had een even sterke persoonlijkheid als zijn vader en weigerde zijn naaste te doden. Als onderwijzer kon hij echter kiezen voor ambulancier. Op 17 december 1916 behoorde hij tot de Ambulancecolonne van de 4e divisie en negen dagen later tot de 11e Compagnie van het 3e Bataljon van het 13e Linieregiment. Dit was bij Louis Ronse.
  2. Ronseana Yearbook for the Ronse family nr 10. 1973.
  3. Wij kregen er ‘chocolade Jacques’. Deze werd thuis niet gegeten. “Niet voldoende gedistingeerd” vond moeder, het moest ‘chocolade Côte d'Or’ zijn. Eigenaardig dat lekkernij met distinctie kon samengaan. Had het iets te maken met de prijs?
  4. Archief OCMW Ieper: Verslagboeken.

Hoofdstuk 9

ANTWERPEN

1. DE TERUGTOCHT OP ANTWERPEN

Door de Marne van 6 tot 9 september stortte het Duitse plan ineen. 'Nach Paris' werd het 'nach Calais'. Nu moesten de woestelingen Noord-Frankrijk en België veroveren. Een totaal ledige zone; geen Duitsers, geen Fransen, geen Bitten. Een no mans' land!
Wel waren er de Belgen. Zij stonden er in feite alleen voor. Na de val van Luik werden ze verplicht regelmatig achteruit te trekken. Enkele data: de stad Luik 6 augustus; de vesting Luik 16 augustus; Tienen 18 augustus; Aarschot, Leuven, Huy 19 augustus; Brussel 20 augustus; Charleroi 22 augustus; Mons 23 augustus; Namen 25 augustus maar Doornik pas definitief op 30 augustus en de Marne op 6 september.

Na de val van Luik stelde het Belgisch leger zich op 10 augustus op achter de Gete: op de lijn Diest, Tienen, Gembloux, Namen. De 1e Divisie nam er stelling. Er ontstonden schermutselingen maar op 12 augustus werd de Duitse cavalerie achteruit gedreven te Halen bij Diest. Dit was de enige Belgische overwinning, die echter veel mensenlevens koste. Op 18 augustus werd opnieuw gevochten te Ste. Margriete-Houtem en Tienen-Grimde maar ditmaal werden het nederlagen Er waren hier enorm veel verliezen, zoals te Halen Op 18 augustus besliste men zich op Antwerpen terug te trekken. Hier was de strijd nog niet aan de gang. Pas op 28 september zouden de Duitsers hier nieuwe troepen inzetten en een nieuw leger inrichten.

Ondertussen was Louis met zijn negen novicen - “ils arboraient comme seul attirail militaire un brassard de la Croix-Rouge et une gamelle” - op 16 augustus vertrokken op zoek naar de Ambulancecolonne van de 1e Divisie. Deze bevond zich te Kumtich en Roosbeek nabij Tienen, achter het 4e linieregiment dat aan de overwinning te Halen meegeholpen had.
De trein bracht de vrijwilligers uit Gent over Tienen naar Geetbets, de stationshalte voorbij Halen. Daarna maar te voet! 's Avonds waren zij te Loksbergen bij Diest - toch niet de kortste weg! - waar ze op 16 augustus onderkomen vonden in een schuur. De volgende dag konden de schachten zich aanmelden bij de sergeant-foerier die hen 's avonds bij Vissenaken een logies bezorgde. "Nous dormions, sans couvertures, dans cette abondance de foin moelleux et sec dont je me rappelle encore le parfum de sainfoin”. Louis herinnert zich die mooie nacht van 17 augustus na het marcheren onder een prangende zon.
Het kamperen in een gezellige sfeer met de novicen duurde slechts twee dagen. Reeds werd de soldij uitgekeerd en ook kennis gemaakt met het brullen van de sergeant-majoor bij het voorlezen van het reglement. Op 21 augustus werd Louis benoemd tot soldaat aspirant-geneesheer.
De schone dagen waren vlug voorbij. Op 18 augustus had de aanval op St.Margriete-Houtem plaats. Om 2 u. kwam het haastig bevel tot terugtrekken. Louis dan met zijn jezuïeten - in soutane, met pastoorshoed, een valies in de hand - op stap langs de weg op Leuven. Het origineel troepje werd gefotografeerd en veertien dagen later verscheen de mooie afdruk in een nieuwsblad (1) - te Gent kreeg de familie hierdoor wat nieuws. Na logement bij de paters te Leuven bereikten zij de volgende dag Antwerpen per trein.

Vanuit die vesting zou het Belgisch leger drie uitvallen verrichten op de rechterflank van het Duitse leger nl. op 25 augustus, 9 en 25 september. Louis heeft hier zijn eerste oorlogservaring opgedaan.

  1. Louis spreekt verkeerdelijk over de ‘Times’. In dit dagblad verschenen in 1914 echter nog geen foto's. Wij hebben de foto van 18 augustus niet teruggevonden. Wel is een gelijkaardig beeld verschenen in 'The Daily Sketch' van 17 augustus 1914. Het is net alsof ons voorval gekiekt werd. Alle details zijn aanwezig. Men ziet er priesters in soutane met een Rode Kruis armband, zoals onze jezuïeten. Daarbij is nog een man met pet die een soldatenzak draagt en nog geen uniform heeft. Het is het groepje van Louis niet maar zo liepen er tientallen in de richting van Antwerpen...
Vlucht

Luik valt op 16 augustus. Op 18 augustus trekt het leger zich terug op Antwerpen, Tienen valt. De volgende dag worden Aarschot en Leuven ingenomen; op 20 augustus is Brussel aan de beurt. Hierboven het beeld van een groep achteruittrekkende militairen en vluchtelingen; hiertussen een man met soldatenzak en priesters met rodekruisarmband. (The Daily Sketch, 17 augustus 1914 - toelating publicatie: The British Library)

2. DE STRIJD ROND ANTWERPEN

Op 25 augustus ondernam men vanuit Antwerpen een eerste uitval. De Belgen trokken over Mechelen tot tegen Grimbergen en Vilvoorde, Hofstade en Haacht.

De 1e divisie - Louis behoorde tot de ambulancecolonne - was opgesteld in het midden tegenover Zemst, Eppegem, Weerde. De weerstand van de Duitsers was niet fel en na één dag en één nacht zou alles reeds over zijn.
Onder bescherming van 75 mm kanonnen trokken de infanteristen in linie vooruit. Zij werden ook gesteund door de mitrailleurs. De Ambulancecolonne van de 1e Divisie volgde de troepen tot Ekspoel, de volgende dag was ze te Schiplaken. De bevolking was gevlucht, huizen en hoeven waren verwoest of stonden in lichterlaaie. De Duitsers gebruikten immers brandbommen om open schietruimte te krijgen.
Te Zemst kreeg Louis zijn eerste stervende te zien: “Je voyais étendu dans un appentis un soldat allemand en coma par blessure cérébrale. Voir les soldats à l’agonie était une autre vue que les malades à l’agonie à l’hôpital. L’horreur de la guerre m’impressionna encore fort à ce moment”. In Schiplaken kwam hij terecht in een verlaten kasteel. Het portret van de eigenaar in het salon, geschilderd op natuurgrote in lansiersuniform, keek hem onderzoekend aan. Ook indrukwekkend!

Van 9 tot 13 september, na de zege aan de Marne, werd de tweede uitval ondernomen. De 1e divisie heroverde Dendermonde. Ze werd daarop gedeeltelijk verplaatst naar Walem van waaruit zij verder trok naar Hofstade, Schiplaken, Kampenhout. De andere troepen trokken op aan de linkerzijde tot Laar, Tildonk, zelfs tot Kessel-Lo en Holsbeek. Zij heroverden Aarschot. Rechts van de 1e Divisie bereikte men Nieuwenrode en Eppegem. Het was dus een belangrijker opzet dan bij de vorige uitval.
De eerste dag was het zomers weder. In de nacht 9 september werd het echter regenachtig, zowel aan de Aisne als hier. De nacht was vreselijk kil en nat (1).
De troepen moesten bivakkeren zo goed als het kon. Soms was het in de dorpshuizen. Op de deuren hadden de Duitsers er in krijt en gotisch schrift, het aantal mannen en paarden voor inkwartiering genoteerd. Zeer dikwijls moesten de soldaten echter slapen onder de blote hemel, in een weide of een bietenveld. 's Morgens waren ze dan verkleumd en stijf. Enkelen geraakten zelfs niet meer vooruit.
Wel was gezorgd voor de voeding: per man één brood met twee sardienenblikjes. Enkelen smeerden hun fiets met de olie in. Aan de IJzer in oktober zou dit wegens de honger zeker niet meer het geval zijn...
Opnieuw werd aangevallen met steun van de veldartillerie en mitrailleurs. Op de vuurlijn zag men weer woningen die systematisch in brand gestoken waren. Men stelde ook vast dat de Duitse loopgraven veel beter en dieper waren dan de eigen verschansingen.

De Ambulancecolonne van de 1e Divisie verbleef te Muizen. Louis, midden zijn groep brancardiers, vernam er van Franse officieren de overwinning aan de Marne. Dit leek bijna niet mogelijk. Tot dan toe waren het steeds nederlagen geweest.
Voor het eerst onderging onze aspirant-geneesheer er een zware beschieting. In de buurt was een artillerieobservator in een populier geklommen; hij werd vlug een mikpunt. Louis werd ook geconfronteerd met gewonden. Een twaalftal grenadiers waren vreselijke verwond, meestal aan de armen. In de wonde lag dan zeer dikwijls het been bloot.
De slachtoffers moesten naar de veldposten gebracht om van hieruit door de ambulancecolonne afgevoerd te worden. “Een ganse groep sukkelaars, het hoofd met windsels, anderen met verbonden arm, anderen kreupel en strompelend”. Er waren er ook die men moest dragen. “Wie nooit brancardier was kan zich niet voorstellen hoe zwaar een berrie weegt op je schouder. Weldra is die gekneusd, daarna worden de polsen die hiervoor de berrie heffen, uiterst vermoeid. Het ganse gewicht komt dan toch op de schouder terecht. Je moet dan stoppen, met je buur wisselen waarna de andere schouder het te verduren krijgt. Met kleine pasjes trekken de brancardiers tussen de soldaten verder. Kanonnen schieten, kogels fluiten” (2).
De auto's van de colonne die de patiënten afvoerden, waren echter alle opgevorderd. Voor wie kon zitten was het gemakkelijk maar wat voor wie per berrie getransporteerd werd? Het kon enkel in open wagens, maar de baar moest dan met riemen en koorden vastgesnoerd worden (3).
Na het werk trok Louis met zijn vijftig brancardiers terug naar Mechelen. Tegen de avond wees de sergeant-foerier de school van Lint nabij Lier als bivak aan. De groep trok er naartoe, een tiental kilometer te voet, bij regen in een pikzwarte nacht. De moed zat er niet meer in. Telkens er huizen in 't zicht waren wilden morrende achterblijvers er logeren. Louis moest hen dan als een waakhond opjagen. Zij verstonden niet waarom hij het bevel om door te stappen uitvoerde. Hij was slechts soldaat aspirant-geneesheer (4).
De volgende dag bereikten ze Hombeek. Drie dagen werd er gevochten, te Wakkerzeel werd het een hecatombe. Steeds viel meer regen. In de nacht van 12 september was er zelfs stormwind met voortdurende regenvlagen. De wegen werden modderpoelen, de uniformen doordrenkt, als vodden.
De volgende dag zou het weer veranderen maar toen kwam de order tot de terugtocht. Onze ambulanciers kwamen terecht in een pensionaat bij paters te Boechout. Daarop ging de ambulancecolonne op rust in de verlaten kaarsfabriek 'Oudenhove' te Lier. Louis vertelt: “Te Lier is het lawaai van geschut stil gevallen en allen staan te kijken naar deze groep, uitgeput, vuil, ongeschoren met gescheurde kleren. ./. Het normale leven herneemt, in de cafeetjes wordt nagepraat. Bij mooi weer maken we lange wandelingen op de oude vestingen... De heldere hemel wordt weerspiegeld in de ondergelopen weiden...
Wat verder zijn geniesoldaten een sluis aan het openen om de overstroming te vergroten. ./. Tijdens de dag hoor je in de verte de batterij van Walem... Bij valavond keren bataljons terug van het front waar ze loopgrachten gedolven hebben. Bij schemering loopt de stad vol soldaten en hiertussen runderen die van het land terugkeren”.
Het was wel wat idyllisch maar in de kaarsenfabriek moest men slapen op beton - in de stad was geen stro meer te vinden - en er heerste een walgelijke geur van rottend kaarsvet.

Op 25 september werd de derde uitval uitgevoerd op vraag van Joffre. Het was drie dagen voordat de beschieting van Antwerpen begon. De nachten waren koud maar tijdens de dag scheen een mooie zon. In een poging om aansluiting met de geallieerden te krijgen werd een aanval verricht tussen de Dender en de Senne, in de richting van Aalst. Lebbeke, Malderen, Lippelo, Willebroek.
Alles duurde amper twee dagen, zonder resultaat. Daarop was het uit. Op 27 september begonnen de Duitsers met de systematische belegering van de vesting.

Op 28 september hadden de Duitsers reeds voldoende troepen rond Antwerpen aangevoerd. Aanstonds werden de forten bestookt. De vesting zou het niet lang uithouden. Het Belgisch geschut had een actieradius van 12 km, het Duitse van 15 km. Er waren echter vooral twee dikke Bertha’s toegekomen. Deze kanonnen van 420 mm hadden de forten te Luik, Namen en Maubeuge aan gruizelementen geschoten, nadien zou het Diksmuide worden. Hun transport was wel telkens een ferme klus maar het leverde de Duitsers een gemakkelijke overwinning op.

De ambulancecolonne vestigde zich nu in de school te Waarloos. De 1e divisie lag immers tussen de forten van St.Katelijne-Waver en Walem en verder tot aan de Rupel. Drie nieuwe auto's, ziekenwagens waarin drie berries boven elkaar konden geplaatst worden, werden nu in gebruik genomen. 's Nachts werden ze opgesteld tussen de forten om vlug hulp te kunnen bieden. Louis kreeg er de leiding van, “étant le plus jeune”. Hij was de 'jongste' en mocht de kolen uit het vuur halen. Enkel de chauffeur van de eerste wagen wist waar naartoe. Hij alleen beschikte over een kaart - kaarten waren toen nog een luxe.

Was het Blaasveld? De ‘vliegende colonne’ stelde zich op in een no man’s land waar het terrein voor het geschut reeds geëffend was. Er was hier geen huis, geen boom, geen struikje en alles bleef er roerloos stil. Wanneer je in de verte het geblaf van een hond hoorde werd de stilte nog meer beangstigend en... de uren gingen voorbij.
Louis als verantwoordelijke voelde de schrik in zich groeien: “de ma vie je n’ai jamais eu si grande peur”. Tegen 2 u. gaf hij het op. Terug naar Waarloos!

Onze expeditiechef was de volgende morgen niet fier over zichzelf. Had hij wel goed gehandeld? Werden er geen gekwetsten aan hun lot overgelaten? Het liep echter goed af, er kwam ook geen rapport. Majoor-geneesheer Gloudot was de zaak vergeten.

  1. De Cuyper Jos Journal de Campagne 1914-1917. Oorlogsdagboek van een hulpdokter bij het Belgisch Leger. 1968 Brugge: Genootschap voor Geschiedenis.
  2. Deauville Max Jusqu’à l’Yser. 1934, Louvain: Ed. Rex.
  3. ibidem.
  4. Dit hard optreden van Louis maakte nochtans indruk. Eén van de brancardiers werd na de tweede wereldoorlog secretaris van het West-Vlaamse Rode Kruis. In 1952 ontmoette hij toevallig zijn vroegere aspirant-geneesheer te Brugge. Toen hij Louis herkende haalde hij aanstonds dit koppig doorzetten aan.

3. DE AFTOCHT UIT ANTWERPEN

De aftocht uit Antwerpen, begonnen op 7 oktober, was op 10 oktober beëindigd. De 2e divisie vormde de achterhoede, samen met Britse mariniers die enkele dagen voordien te Oostende ontscheept waren. Churchill, de Eerste Lord van de Admiraliteit, had ze gestuurd om de stad te ontzetten.
Die aftocht was een hele prestatie. Slechts enkelen konden niet verder en werden geïnterneerd in Nederland - hierbij Jan Van der Ghote, de toekomstige schoonbroer van Louis. Ook enkele Britse Mariniers werden te Sint-Niklaas gevangengenomen.
Raymond Roegiers, de schoonbroer van Edmond Ronse, heeft het meegemaakt (1). “’s Avonds van den 8e oktober verlaten wij de brandende stad. Het was tijd, het 3e bataljon van het 25e linieregiment, dat onze aftocht dekt is in de straten van Antwerpen met de Duitsers handgemeen geworden. Wij worden in de overzetboten opeengestapeld en varen de Schelde over, terwijl de Engelse troepen en onze artillerie over de brug, door onze genie gebouwd, de stroom oversteken; dezelfde avond komen wij te Vrasene aan, waar wij kantonneren”.
Louis met de Ambulancecolonne van de 1e divisie nam ook de botennoodbrug te Hoboken en kantonneerde te Haasdonk. Op 6 oktober verdedigde de 1e Divisie nog de Nete te Walem. Na 7 oktober zou deze divisie per trein deels naar Gent, deels naar Oostende gevoerd worden. De andere divisies deden de tocht vooral te voet.
Louis werd geëvacueerd met deze divisie. Hij werd op 7 oktober echter gemuteerd naar het 3e Bataljon van het 3e Linieregiment. Dit behoorde nochtans tot dezelfde divisie. Dit regiment lag op dit ogenblik te Nieuwkerken-Waas. De mutatie gebeurde in vervanging van aspirant-dokter Bouche “qui s’éclipsait toujours lors des engagements du bataillon”. Deze medestudent te Gent was blijkbaar niet van de moedigste.
Daarop trok Louis met zijn nieuwe eenheid in de nacht van 8 oktober, te voet, naar Sint-Niklaas. Edmond kreeg hierover een brief van Louis (2): “Met genoegen verwijderden wij ons van Antwerpen, gerust zijnde het obussengerommel niet meer te horen, want het is onbeschrijfelijk wat wij daar hebben moeten afzien. Na enige uren, want de mannen waren afgemat - zij waren inderdaad gedurende tien dagen zonder ophouden in het bombardement geweest in een der meest aangevallen sectoren, n.l. Waalhem, Duffel - kwamen wij uitgeput van vermoeienis te Sint-Niklaas op het statieplein om 1 uur 's nachts aan (op 9 oktober) . Sedert de dag tevoren, hadden wij het voorgevoel dat wij naar Oostende gingen, en hier vernam ik dat zulks waar was.
Om drie uur en half was de trein gereed; wij gingen de statie binnen en het regiment nam plaats in een der lange treinen die daar manoeuvreerden. Wij vertrokken. Ik vond de reis akelig. Nu eens stilstaan, dan weer vooruit, dan het gefluit van de eerste locomotief die antwoordt aan de tweede achteraan; vrezen in de nacht aangevallen te worden door een vijandelijke macht die de Schelde zou overgestoken hebben, niet weten wie langs daar de vijand tegenhield, misschien een brug gesprongen - inderdaad 's anderdaags las ik dat een taube gepoogd had bommen te werpen op de viaduct van de Antwerpse steenweg te Gent - dit alles belette mij te slapen, niettegenstaande mijn vermoeienis. De anderen in de wagon sliepen dat het een plezier was om zien"
.

"Rond vijf hoorde ik een kloksken wiens geluid ik herkende”. Vanuit de trein kan je te Gent de toren van de St.-Coletakerk zien. Het gelui kondigde de vijf uren mis aan, die door pastoor de la Kethule ingevoerd was voor arbeiders die om zes uur reeds moesten gaan werken (3).
Een ontroerend ogenblik! Louis zou in vier jaar zijn thuis niet meer terugzien. “Onze trein vertraagt een weinig en ik zie dat wij St.-Pietersstatie te Gent doorrijden. Aan de uitgang der statie zie ik een zwarte massa staan; het zijn Franse fuseliers; ik hoor roepen dat er negenduizend ontscheept zijn. Beter laat dan nooit”. Het betrof de zesduizend ‘Fusiliers Marins’ van admiraal Ronarc'h. Deze kwamen in het station toe op 9 oktober (4).
”Nu ben ik gerust, ik slaap in tot Oostende”. De trein kwam er om 10 u. toe. “Wij moeten daar blijven tot 's achternoens. 's Namiddags (van 9 oktober) trekken wij naar Den Haan, waar wij twee dagen rust genieten” (9 en 10 oktober).
“Van Den Haan gingen wij naar Vlissegem (op 11 oktober), 's anderdaags naar Eernegem; hier bleven wij één dag en half. Onze soldaten maakten loopgrachten rond 't dorp in de richting van Brugge, om de terugtocht onzer troepen te beveiligen. Volgens hetgeen ik van lansiers vernomen had waren dien avond (13 oktober) Duitse ruiters rond Brugge gesignaleerd geworden. (Brugge valt op 14 oktober). 's Anderdaags bezetten onze troepen hunne loopgrachten. Om 9 uur kwamen Duitse ruiters in 't zicht, enige schoten weerklonken, de mitrailleuse ratelde; maar op dit ogenblik kwam 't order van retraite, want ten zuiden van ons waren Duitse troepen gesignaleerd. Met haast gaan wij voort (14 oktober) langs Moerdijk-Zande, St.-Pieterskapelle en Schore, en steken de IJzer over te Schoorbakke”.
Zoals iedereen wordt Louis getroffen door de prachtige uitrusting van het Britse leger: “Bij 't verlaten van Oostende kruisten wij de Engelse troepen die te Zeebrugge ontscheept waren (5). Onze brigade ging langs de ene kant, de manschappen mank gaande, zich langs de weg slepend, zonder ransel, moede, afgemat, bijna uitgehongerd, weinig officieren; langs de andere kant trokken duizenden en duizenden Engelsen voorbij, in schone gelederen, wonderwel uitgerust, fris en wel gezond. Wat een tegenstelling! Indien deze troepen één maand vroeger hier geweest waren, zouden wij waarschijnlijk meer moed op dezen ogenblik gehad hebben”.

In zijn mémoires schrijft Louis dat de ontmoeting gebeurt op de baan Torhout - Oostende bij het gaan van Eernegem naar Nieuwpoort. Dit lijkt ons wat laat. Deze verplaatsing gebeurt op 14 oktober en tegen de avond is Louis dan te Schoorbakke. Op 15 oktober is de weg Oostende - Torhout trouwens in Duitse handen en alle Britten zijn dan ook reeds te Ieper.
De ontmoeting met de Britten vindt dus vroeger plaats. De tocht Oostende - Den Haan op 9 oktober bij het verlaten van Oostende naar Vlissegem schijnt ons het meest redelijke.

Te Vlissegem vond Louis logies in een hoeve langs een vaartje. Als aspirant- geneesheer mocht hij steeds overnachten in een opgevorderde logeerkamer. Hij heeft aan die nachten nooit een goede herinnering gehad, zelfs niet wanneer hij vertoefde in bunkers en loopgraven. Deze logeerkamers waren immers enkel dienstig wanneer familie op bezoek kwam voor de kermis. Het was er altijd muffig en rond het bed hing steeds een schimmelreuk. De lakens waren ook steeds stijf en koud. Slapen werd dan een opgave.
Louis sliep liever in het stro van een schuur, zoals het nadien ook meermalen zou gebeuren achter het front. Nochtans was ook dit niet altijd zo aangenaam, ook niet zonder risico. Rond 24 oktober zou hij in een schuur vlooien opdoen (6).

Op 14 oktober heerste er vanaf 7 u. reeds, bij ijzige mist, een ongehoorde drukte te Veurne en op alle wegen richting van de IJzer. Dit duurde gans de dag. In de namiddag kwam de divisie van Louis te Schoorbakke aan en haastig nam ze tegen de avond stelling achter de stroom. Zij was bij de laatsten, enkele uren vóór de vijand.
De meeste soldaten waren oververmoeid en sleepten zich voort naar de aangewezen plaatsen terwijl ze bovendien gehinderd werden door slierten vluchtelingen. Velen hadden ook sinds zes weken de schoenen niet meer uitgedaan tijdens het stappen langs kilometerlange banen. En wat dan met de kledij?
Ze hadden de nachten doorgebracht in het natte gras. Nu zou dit zeker vaker voorkomen. Daarom was iedereen druk in de weer hutten te bouwen met takken en stro uit mijten.
Er was ook gebrek aan voedsel. De laatste dagen waren er enkel beschuiten en sardienenblikjes voorradig, aangevuld met wat men kon krijgen of gappen op een veld. Nu was er, ook voor de volgende dag, geen voedsel en iedereen moest zich bevoorraden in de omliggende hofsteden (7). Weldra zouden echter in de weiden talrijke runderen door granaten gedood worden. Jules Beyne, ordonnans van Louis, zou dan op rustige ogenblikken malse biefstukken kunnen snijden.

De divisie van Louis bereikte de brug te Schoorbakke 's namiddags op 14 oktober. Zij stelde zich op aan de IJzer in de sector Schoorbakke - Tervate. Dit was zeer laat. Op 15 oktober zouden de Duitsers reeds aanvallen.
Terwijl de soldaten zich zo goed mogelijk opstelden, ging de medische staf van het bataljon op de avond van 14 oktober logeren in een verlaten huis te Nieuwpoort. Hier was alles nog rustig (8) maar er vertoefden hier veel vluchtelingen en steeds terugtrekkende troepen, ook langs het strand. Vele militairen sliepen op straat tegen de huizen.
Louis zou voor kok spelen en had er drie uur voor nodig. Hij was niet weinig fier met het resultaat: “Le menu est soigné: potage Julienne, rôti-frites, macaroni au sucre vanillé”. Daarbij had hij in een tuin ondergedolven wijnflessen ontdekt. Gemakkelijk gevonden, slechts één voet diep (9).

“Al onze soldaten dachten te gaan uitrusten en zich opnieuw te bevoorraden in Frankrijk. Maar hier kregen wij de opdracht: ‘résister à outrance’ d.i. weerstand bieden tot het uiterste, liever sterven dan te wijken”. Dit was op 15 oktober. Op deze dag veroverden de Duitsers Oostende, Gistel, Ichtegem, Torhout en kondigde Koning Albert zijn proclamatie af: de IJzer werd de verdedigingslijn. De volgende dag begonnen reeds schermutselingen.

  1. Ronse Edmond De Slag aan de IJzer 1915 De Mesmaeker Paris.
  2. ibidem
  3. Archief St.-Coletaparochie Gent.
  4. Zij worden naar Antwerpen gestuurd ter versterking. Te Gent verneemt Ronarc’h dat hij te laat is voor Antwerpen. Daarom vervoegt hij zich bij het leger van generaal Clooten te Melle en neemt er dezelfde dag nog deel aan de strijd van 9 oktober. Daarop zullen de ‘Fusiliers Marins’ zich terugtrekken over Tielt en Kortemark naar Diksmuide. Ook zij doen het te voet - de meeste zelfs blootsvoets want goede matrozen verdragen geen schoenen. Zij bereiken hun stellingen op 15 oktober. Hier net op tijd toegekomen, zullen ze in samenwerking met de Belgen, het bruggenhoofd Diksmuide zesentwintig dagen lang verdedigen.
  5. De 7e Infanteriedivisie van Generaal Capper en de elitaire 3e Cavaleriedivisie van Generaal Byng ontscheepten te Oostende en Zeebrugge vanaf 6 tot 8 oktober. Zij zouden op 14 oktober Ieper bereiken.
  6. In de loopgraven heb je ratten en luizen, in de achterhoede muizen en vlooien. Louis had deze vlooien cadeau gekregen van Marokkaanse ‘goumiers’. Deze zwarte ruiters op kleine paardjes, uitgedost met wit-rode boernoes en kromzwaarden, als voor een carnavalstoet, bekeek je liever van ver. Zij hadden overnacht in een schuur waar Louis nadien onderdak vond. Het stro was er niet ververst. Enkele dagen later zou Louis de neten in de voering van zijn klederen vinden. In de maand december zou dit ongedierte hem vlektyfus bezorgen.
  7. Senesael Marcel La Bataille de l'Yser Oct. 1914 geen uitgever, 1964. p. 65.
  8. In zijn mémoires schreef Louis dat de Belgische genie deze avond het belfort en de kerktoren lieten springen om geen mikpunt te geven aan de Duitse batterijen. Fout, dit gebeurde pas op 17 oktober.
  9. Louis vernoemt in zijn memoires de genodigden of ten minste enkele ervan: “Le chef du 3e Bataillon du 13e était le Major Burguet d' origine de Verviers, mais placé à Ostende avec son bataillon. C’est un homme dans la soixantaine, bienveillant et doux qui me semblait fatigué pour son âge. ./. La 9e Compagnie était commandée par le Capitaine Tomassen, auquel était adjoint un sous-lieutenant encore à l'Ecole Militaire. Ce dernier manquait tellement d’énergie qu‘il faisait pitié à voir dans son uniforme à revers de col à velours noir et de guêtres canadiennes. La 11e Cie. était commandée par le Lieutenant Tromme. ./ . La 10e Cie. avait à sa tête le Commandant Pellaert. Il était originaire de Passendale comme son ordonnance Jérôme Priem qui l’accompagnait toujours et portait le fanion du bataillon emballé dans un fourreau ciré noir. Le Commandant Peelaert avait dans le bataillon une réputation de grande bravoure pour sa conduite lors de l’engagement de notre unité à Capelle au Bois, lors d’une sortie d’Anvers. La 12e Cie. était la Cie. de mitrailleurs. Elle formait bande à part parce qu’elle recevait ses ordres du Quartier Général de division. . . Le docteur du bataillon était le Lieutenant-médecin Genotte, militaire de carrière. ./ . Il aimait se plaindre et se lamenter sur toute chose. Son ordonnance était aussi le porte-sac à médicaments du bataillon. Un brancardier nous accompagnait aussi, l’Abbé Groult, un homme très jovial”.

Hoofdstuk 10

DE IJZER

1. DE BELGEN STAAN ER ALLEEN VOOR

Terwijl de Belgen zich achter de IJzer terugtrokken verdedigden de Franse en Britse troepen Ieper. Het front vormde zich immers ook rond het 'Iepers Salient' dat aangevallen werd door de troepen die de 'rush naar de zee' meegemaakt hadden. Ondertussen werden vanaf 19 oktober overal nieuwe Duitse reservekorpsen aangevoerd, de ‘Kinderregimente’. Die zouden vooral aan de IJzer aanvallen.

De Belgen hebben op deze frontstrook van 16 tot 31 oktober, het onmogelijke verricht. Zij waren alleen. Foch vond dat zij het zelf moesten klaren: “Vous avez tenu huit jours, vous tiendrez encore huit jours!” en “de l'énergie, toujours de l'énergie!”.
Op 16 oktober beloofde hij eindelijk troepen. Die kwamen pas aan op 23 oktober, evenwel te Nieuwpoort wat een misrekening was. Joffre wilde namelijk een omsingelingsbeweging maken, die natuurlijk op niets uitliep. Ondertussen was het Belgisch front te Tervate doorbroken.

Aspirant-geneesheer Louis kende slechts de helft van de geneeskundige theorie, van specialiteiten wist hij niets af. Verbandleer kende hij wel maar zijn praktijk voor wondverzorging en chirurgie was ondermaats. Tot dan toe had hij slechts een twintigtal ‘gevallen’ verzorgd te Antwerpen. Vanaf 18 oktober zou hij de maat vlug leren.

Alle Belgische troepen hadden op 15 november positie genomen. Het was hoog tijd. Per 6 km bevond zich een divisie opgesteld. Van Nieuwpoort tot Mannekensvere was het de 2e Divisie. Daarop volgde de 1e Divisie - tussen mijlpaal 4 en 10 - van de Uniebrug te St. Joris tot het midden van de bocht tussen Schoorbakke en Tervate. Vervolgens maakte de 4e Divisie front tot mijlpaal 16 te Kaaskerke bij Diksmuide. Deze voorpost werd vooral door de Fusiliers Marins verdedigd, samen met de 3e Divisie. Die had post gevat van Diksmuide tot aan het Fort van Knokke. De 6e Divisie strekte zich uit langs de vaart naar Ieper tot tegen de Franse troepen te Steenstrate - Boezinge. De Belgische cavalerie manoeuvreerde op de rechter flank, samen met de Franse en de Britse in de streek van Houthulst - Roeselare.
Het 3e bataljon van het 3e Linieregiment van de 1e Divisie waartoe Louis behoorde bewaakte de brug op de baan Pervijze - Schore met een vooruitgeschoven post te Schore zelf. Het was juist de meest gevaarlijke plaats. Tervate en Schoorbakke lagen midden het IJzerfront waar op 22 oktober de doorbraak zou gebeuren.

Toen de Belgen op 15 oktober zich in verdediging opstelden hadden ze toch één voordeel. De hoge berm van het jaagpad lag op de noordzijde van de IJzer. Loopgraven moesten er dus niet aanstonds gegraven worden, wel individuele kuilen vooraan, deels in de berm, deels in de weg. Tijdens de vlucht uit Antwerpen hadden de soldaten echter zeer dikwijls nodeloze last weggegooid, soms ook de schoppen.
Aanstonds werd de ambulanceveldpost van Louis ingericht aan de weg Pervijze - Schore.

De veldpost bevond zich aan de rechterzuidkant van de brug, in een ruime loods. De weg links van de brug verwijdert zich wat van de stroom en hierlangs was een lange rij huisjes zonder verdieping. Die eindigde 500 m verder aan de weg naar Ramskapelle op een landelijke brouwerij; dit zou de sanitaire veldpost voor de terugtrekkende grenadiers worden, na de doorbraak te Tervate.
De artillerie bevond zich rond de hoeve Grote Hemme, op de weg naar Ramskapelle ter hoogte van mijlpaal 6. Wat verderop langs het jaagpad in de richting van Tervate, had het hoofd van het bataljon, Majoor Burguet, samen met zijn adjunct, Luitenant de Harchies, zijn bureel ingericht. Dit bevond zich in een kleine hoeve achter de dijk. Hier stonden minder huisjes langs het jaagpad en aan de bocht bij mijlpaal 10 bevond zich een kleine herberg met een overzet.
Louis verhaalt hoe hij zich installeerde: “Ons bataljon lag aan een vooruitspringende bocht van den IJzer, vanaf de brug van Schoorbakke tot voorbij de draai van St.-Joris (bij Mannekensvere) waar het 23e (linieregiment) lag. Wij voorzagen een hevige strijd; ook namen wij voorzorgsmaatregelen, opdat de geneeskundige dienst het meeste nut zou opleveren. Op vierhonderd meter van de stroom stond een brouwerij (1) waar dichtbij zich vier stromijten bevonden; wij groeven een hol in de schelven en plaatsten daarboven verscheidene bussels stro; zo hadden wij een soort nis, elk van zijn kant, waar men zich in veiligheid kon zetten. Onze hulppost was te midden van de mijten. De soldaten hadden individuele loopgraven, om niet in de zijde genomen te worden; bijna allen hadden periscopen gemaakt door middel van twee spiegels: zo konden zij zien zonder zich bloot te stellen”.

Het weer beterde. 's Morgens was er steeds mist maar sinds 16 oktober was er altijd mooi weer overdag. Op 16 oktober werd Diksmuide reeds bestookt; ook te Schore werden hoeven in brand geschoten. De volgende dag begon een felle beschieting over gans het front.
Op 18 oktober rukte een gans Duits leger voorwaarts langs het kanaal van Plassendale en langs de baan Torhout - Diksmuide. Alle Belgische voorposten ten zuiden van de IJzer werden nu aangevallen. Mannekensvere, Schore, Keiem, Beerst werden met wisselend resultaat verdedigd. Van op de IJzer begon de Belgische artillerie op zijn beurt de vijand te bestoken. Louis kon op 18 oktober vanuit Schoorbakke zien wat er zich afspeelde op de weg Mannekensvere - Spermalie - Schore. “Den zondag morgend, volgens hunne gewoonte, vielen de Duitsers onze voorposten te Zande aan. Het 1e bataljon van het 3e (linieregiment) werd nogal erg gehavend. Vanop de oever kon ik aan een deel van 't gevecht tegenwoordig zijn.
Een escadron (Belgische) lansiers dat van 't westen op de weg van Spermalie kwam, werd geweldig door de vijandelijke artillerie vervolgd en gelukkiglijk dat zij zich in 't dorp van Spermalie gedurende een half uur verschuilden en zo uit het oog van de vijand geraakten. Een onzer kanons dat de hoofdwacht vergezelde bracht schrikkelijke verliezen in de vijandelijke rangen teweeg, maar moest zich terugtrekken na een uur of twee omdat het aan het vuur der infanterie blootgesteld was.
Op dat ogenblik kwam een ambulancerijtuig op de weg naar de brug van Schoorbakke gereden. Het viel in 't zicht van Duitse observateurs en weldra kwam een granaat op dertig meter er vóór vallen. 't Was een zware, en kaliber van ongeveer twintig of dertig. De brisant viel juist nevens de weg voor een groepje soldaten: een grote kolom aarde vloog een vijftien à twintig meter hoog, een zware stofzuil verbeeldend. Te lang vielen ze dus. De paarden zetten zich aan 't galloperen. Nu ploften de ‘trains-blocs’ - zo noemen we de zware granaten van in de dertig - achter 't rijtuig van 't Rood Kruis neer. Nu kwamen er twee tegelijk nevens het gespan vallen in de gracht; een brok staal kwam terecht op de rug van een der paarden. Mijn hert kromp van schrik als ik de granaten rond het rijtuig zag vallen, doch gelukkiglijk was niemand geraakt, als per mirakel. Weldra verborg een groep huizen de voiture aan de vijand en gans bezweet konden de paarden de brug veilig oversteken.

Dit was een verwittiging dat welhaast de dans voor ons ging beginnen. Inderdaad, 's achternoens begon het bombardement van de oever; het was nog licht veldgeschut dat weinig kwaad aan de tranchées verrichtte. Maar de bevelhebber van de groep artillerie die met ons werkte stond aan de oever de vijand na te speuren. Welhaast zag hij in de verte op de weg van Schore naar Spermalie een regiment Duits voetvolk ‘par quatre’ in dichte drommen marcheren. "Op zoveel duizend meter" telefoneerde hij: "twee honderd meter te kort". Nu vielen onze shrapnels juist in de kolom, een eerste laag, een tweede enzovoort. Met 't eerste schot lieten de Duitsers zich op kommando vallen, maar weldra was het volop overrompeling in hun rijen; de soldaten liepen 't veld in, niet meer luisterend naar hun officieren; maar deze zaten hen achterna en jaagden ze met de blote sabel en de revolver weer in de rijen. Dat was weer ons spel en wij schoten daarin met 't kanon dat het een plezier was. Spoedig waren ze gans in wanorde uiteengestrooid”.

Op 19 oktober werden Beerst, Vladslo en Keiem platgeschoten. Er bleven enkel drie bruggenhoofden behouden: te Lombardsijde - St.-Joris, te Schoorbakke en te Diksmuide. Lombardsijde werd ingenomen. Ook Nieuwpoort kreeg er van langs. Het was de aanvang van zijn geleidelijke verwoesting. 's Avonds werd het rustiger.
Louis dan: “Op maandag 19 oktober, van 's morgens vroeg, begon het bombardement in al zijn hevigheid. Gewoonlijk schieten de Duitsers eerst met zware granaten om de soldaten uit de loopgraven te jagen of ze kapot te maken, en als zij denken dat ze er uit zijn schieten zij met shrapnels. Deze laatste hoort men bijna niet afkomen. Het is maar wanneer zij openspringen dat men een speciaal gezoef hoort als een lang gerekte "tsjoe". Somtijds voelt men de kop of een zware brok op zich afkomen als een sirene die in gang zet. De granaten komen af als een wagonske dat op ongelijke riggels loopt; het geluid komt al erger en erger toe, maar niet gans regelmatig, en spoedig daarop gevoelt men een grote slag: alles davert; de grond waarop gij staat beweegt en enige seconden daarna ziet ge de brokken staal en aarde rond u kletsen!
Volgens het kaliber maakt de granaat een min of meer grote put. Een obus van 7,5 cm. maakt een kegelvormige put van ongeveer een halve meter basis; een van 15 of 30 cm. maakt een put van 4 à 6 m. basis en omtrent 2 m. diep. Deze hoort men afkomen met een zwaar geratel als van een stoomtrein, met hotsen en botsen, en dan ziet men een stofkolom van twintig meter hoog, zwart indien de obus op de aarde valt, rood op de huizen, soms geel, en daarna hoort men een vervaarwekkend geplof en voelt ge de grond daveren. Sommige granaten hoort ge niet afkomen; het zijn die - denk ik - der mortieren.

Op 'nen nacht werd ik zo achtervolgd, op een weg dwars door het blote veld, maar die gerepareerd was. Boven u de zware lucht; men gaat met moeite vooruit in de klibberende aarde, of liever in het slijk dat u vijfdubbele zolen maakt! Twee stappen achteruit en drie vooruit in het vlakke veld met de vervelende diepe grachten. Men hoort niets. Eensklaps . . een weerlicht twintig meter achter ons; een verschrikkelijke ‘dzoem’ van de openspringende granaat . . Dat maakt een vreemde indruk! En zo gedurende een half uur achtervolgd worden, en dankzij onze spoed toch vooruit blijven.
Wij zaten dus te Schoorbakke in onze schuilhoek naar de gevolgen van het bombardement te zien. Gelijk gewoonlijk schoot men eerst eenige hoge shrapnels om de afstand te regelen. Dan kwamen de castars af, vier tegelijk; soms acht, soms twaalf, zelfs zestien tegelijk! Zij vielen gewoonlijk achter onze stellingen, in de weide; doch jammer genoeg, ook soms dicht bij de tranchées, enkele soldaten kwetsend. Daar vielen er zelfs in de loopgraven zelf, zodat de soldaten die er zich in bevonden, bedolven werden. Niettegenstaande het hevig bombardement hadden wij betrekkelijk kleine verliezen: zo omtrent tien gekwetsten per dag en één of twee doden, op zes à zeven honderd man.
Wanneer de granaten te dicht vielen, kropen wij in onze nis; soms vielen ze op onze hooimijten of daartegen en dan was het een schommelen van over en weer en wij vroegen ons angstig af of de volgende weer voor ons niet was”.

Op 20 oktober begon de beschieting opnieuw met nog groter intensiteit. Steeds vielen de Duitsers aan over gans het front. Vooral de sectie tussen de Uniebrug te St.Joris en Schoorbakke had het hard te verduren. Ook in de Tervatebocht ging het moeilijk. De herberg bij mijlpaal 10 vatte vuur terwijl de aanvallers er op vlotten aanvielen. Gelukkig kon men ze terugdrijven. Het was nipt.
Louis werd erbij geroepen. “Den dinsdagmorgen 20 oktober vlogen de granaten weer ferm in de loopgraven te Schoorbakke. Op zeker ogenblik kwam men een van ons roepen om een mitrailleur, wiens arm afgerukt werd door een granaat, te verzorgen. Ik vertrok met twee brancardiers (2). Wij konden eerst achter de dijk gaan, maar op zekere plaats kwam de weg op gelijke hoogte, en niettegenstaande wij er op onze knieën over kropen, hadden de Duitsers, verscholen in eenige huizetjes aan de andere oever, ons bemerkt en vlogen de kogels rond ons.
Men had de gewonde in 't enig huizetje van de dijk achter de loopgraven gedragen, en daar lag hij, de moedige vent, gebouwd als een reus (3), zonder een klacht, met de voorarm afgehouwen, een rib bloot en een open beenbreuk. Ik was bezig met de arm te omwinden, wanneer ik gewaar werd dat onze aanwezigheid aan de vijandelijke artillerie bekend gemaakt werd. Opeens vliegt een granaat het dak door, de ruiten rinkelen, de grond davert en een hoop steengruis bedekt ons. Ik zegde bij mijn eigen: als wij hier nog enige minuten langer blijven zijn wij er allen aan! Ik haast mij het verband van de gekwetste te voleinden.
Langs onze vorige weg, met een draagberrie over de vijftien meter lange helling weerkeren konden wij niet. Elders nochtans was er geen gebaande weg. Er waren maar twee brancardiers om die zware vent te verdragen; ook wilde ik ze niet alleen laten gaan en, vergezeld van een soldaat, trachtten wij onze gekwetste weg te brengen.
Pas hadden wij het hofsteetje verlaten, of twee granaten vlogen tegelijk door het dak. Wij gingen voort in een weitje achter het huis, ons begevend naar een hoevetje, vier honderd meter verder gelegen; over twintig meter gaans waren wij aan het oog van de vijand door een reeks kopwilgen verdoken. Eens daar voorbij, floten de kogels ons weer rond de oren, alhoewel de deugnieten wel zagen dat wij met een draagberrie op weg waren. Wij haastten ons en losten elkander af, maar het was moeilijk daar te geraken uit reden van de brede grachten.
Aan 't hofsteetje eindelijk gekomen, rustten wij een ogenblik, maar daar ook kwamen de granaten vóór ons vallen; zij verkortten allengskens en wij moesten daar weg, wilden wij niet vernietigd worden. Men had ons in 't oog en men beschoot met een batterij de weg die men meende dat ik moest nemen om aan een hofstee, "Grote Hemme" genaamd, te geraken, op duizend tweehonderd meter van daar. Maar hoewel ik gebaarde in die richting te gaan, wendde ik mij inderdaad naar een hofstee die meer opzijde lag. De granaten vlogen rond met schrikkelijk geweld. De brokken ronkten rond onze oren en pletsten in 't water der grachten.
Wij hijgden uitgeput van onze last te dragen. Omdat wij te schrikkelijk achtervolgd werden, deed ik de draagberrie nevens ons in de gracht leggen en wij wachtten enige minuten totdat het kalmer werd. Een weinig later waren wij op de weg die naar de "Kleine Hemme" leidt. Ik was zeer blijde de mitrailleur uit 't gevaar gebracht te hebben. Enige minuten later voerde een auto hem weg.
Onze andere gekwetsten kwamen zich laten verzorgen in een soort schuur tussen de mijten; daar moesten ze blijven tot de avond; ze verzenden gedurende de klare dag, zou ze bijna aan een gewisse dood hebben blootgesteld. Sommige wilden daar in alle geval weggaan, omdat de granaten er zo schrikkelijk rond vielen.
Een onderluitenant, aan de hersenen getroffen, riep gedurig: "Est-ce que vous allez me laisser ici? Est-ce que vous allez me laisser ici?" Niettegenstaande een morfinesteek, stond hij op zeker ogenblik op en gevieren konden wij hem niet tegenhouden. Hij stak de arm op en commandeerde de aanval: "En avant! En avant! vous dis-je!" 't Was een moedige officier, een oud gendarm, zeer vriendelijk, die mij enige avonden tevoren de helft van zijn bed had afgestaan”.

  1. Het was feitelijk een loods. Pas na de doorbraak op 21 oktober werd het een brouwerij.
  2. De twee brancardiers zijn priester Groult en Honoré Van Wayenbergh, later rector magnificus te Leuven.
  3. De ‘reus van een vent’ was rijkswachtadjudant Leblanc. Enkele weken later vroeg zijn vrouw, die naar Frankrijk geëvacueerd was, om nieuws. Louis schreef terug dat haar man vreselijk gekwetst werd en mogelijk gestorven was. Zes maand nadien vernam hij echter dat de gekwetste het toch gehaald had. Hij zou nog ruim dertig jaar leven.

2. TERVATE

Een vreselijke periode! Nochtans zou het van 20 tot 25 oktober prachtig weder zijn: mistig maar overdag een glorierijke zon. Van 21 tot 25 oktober mocht het 3e Bataljon op rust te Booitshoeke. Het werd op de dagorde van het leger vermeld wegens de weerstand op 20 oktober en het verhinderen van het oversteken van de stroom bij Tervate. Wegens het goed functioneren van de geneeskundige dienst kreeg de bataljongeneesheer Genotte bovendien de Leopoldsorde.

Er gebeurde echter een catastrofe in de nacht van 21-22 oktober. De vermoeide wachten aan de grote bocht te Tervate aan mijlpaal 11 hadden niet gemerkt dat Duitsers stiekem met passerelles de IJzer overstaken. Zij werden vermoord vooraleer alarm kon gegeven worden. Pas 's morgens om acht uur werden zowel de Duitse als de Belgische staven verrast door het nieuws. Reeds drie Duitse bataljons en een compagnie mitrailleurs waren langs loopbruggen overgestoken. Het front was doorbroken.

Vanuit de 6e Divisie die sinds 18 oktober in tweede linie opgesteld stond ten westen van Diksmuide, werden nu grenadiers - Majoor d’Oultremont zou hier roem verwerven - naar de 1e divisie gestuurd. Deze hield te Schoorbakke stand ofschoon ze verder fel aangevallen werd (1). Karabiniers werden naar de 4e divisie gestuurd maar zij konden de toestand niet verhelpen. De 4e divisie moest wijken en de Duitsers nestelden zich in bij de mijlpaal 10. Zo zou haar buur, de 1e divisie, in de rug aangevallen worden.

Op 22 en 23 oktober bleef de toestand steeds kritiek spijts hulp van een regiment van de 5e Divisie. In de nacht van 23 op 24 werd te Tervate een pontonbrug geworpen en op 24 oktober trokken de Duitsers op naar St.- Joris, Schoorbakke en Stuivekenskerke. Groepen Duitsers infiltreerden de linies zelfs tot in Ramskapelle. Hier werd vreselijk gevochten (2).
De vuurlijn liep nu drie km achteraan de IJzer, op een boogscheut van de spoorwegberm. Te Nieuwpoort hield de 2e divisie stand ofschoon Lombardsijde op 19 oktober ingenomen werd. Hier werd op 20 oktober ten ander door Generaal Dossin met de hulp van sluiswachter Geeraert reeds een kleine polder blank gezet.
Daarop liep de vuurlijn langs de Noordervaart waar de 4e divisie opgesteld was. Zij volgde dan de Beverdijk. Hier probeerde de 1e divisie stand te houden. Aan het einde bevond zich de 6e divisie, tot aan de voorpost Diksmuide.
De Belgen hadden op 24 oktober geen reserves meer maar de Duitsers hadden ook al hun troepen moeten in de strijd werpen. Dezelfde dag was het er immers even erg aan toe te Diksmuide. Na 20 oktober was dit reeds de tweede erge aanval op de stad.
Op 21 oktober was eveneens de aanval van het Iepers ‘salient’ begonnen o.a. te Langemark.

Het 3e bataljon van Louis keerde terug te Schoorbakke op zondag 25 oktober. Hier waren nu grenadiers ingegraven en de veldpost was verplaatst naar de brouwerij op de weg naar Ramskapelle.
Het bataljon wist niet dat Duitsers verder doorgedrongen waren. Men was nog maar pas alles aan het ordenen toen de ‘porte-sac’ per wagen achter de brouwerij toekwam om hen te verwittigen. Jules Beyne leek een pienter soldaat, steeds bij de hand. Vanuit de velden achter de linies werd in de rug geschoten. Alarm!
Iedereen liet vallen wat er was en haastten zich op de weg naar Ramskapelle. Dokter Genotte was zelfs op zijn kousen. De kogels floten hen rond de oren. Uiteindelijk vond Louis het veiliger door de gracht te kruipen hoewel het water er tot boven de knieën reikte. Tijdens het vluchten werd brancardier Groult gewond in de dij maar mits aanbrengen van zijn individueel verband, kon hij gelukkig verder te voet.
Eindelijk kon men op adem komen bij de Noordervaart aan de Beverdijk maar men moest er bij de brug tot 10 u. wachten wegens een hevig spervuur (3). Hier werd nog een ander brancardier uit de équipe gewond. Honoré Van Wayenberg werd aan de rechter schouder getroffen door een shrapnell. Hij sukkelde verder tot aan een veldpost te Wulpen, van waaruit men hem naar Engeland afvoerde (4).

Dokter Genotte met Louis en Beyne waren de weg naar Pervijse ingeslagen. Halverwege ontmoetten zij Generaal De Ceuninck, commandant van de divisie. Ook deze leek in moeilijkheden. Hij vroeg hen naar nieuws. Men kon hem enkel zeggen dat de rechterflank van het bataljon waarschijnlijk omsingeld was.
Het duurde één dag vooraleer de vluchtelingen hun eenheid terugvonden. Telkens kwamen ze groepjes tegen die ook op de dool waren. Commandant Pellaert vertoonde symptomen van tyfuskoorts. Dokter Genotte liet hem daarom opnemen.
Ondertussen hadden de Duitsers ook Ramskapelle bereikt. Louis bemerkte er Franse troepen die ze aanvielen. Het waren mannen van Generaal Grossetti die van uit Nieuwpoort eindelijk naar hier gestuurd werden.

Route

Tervate en de vluchtroute van Louis op 25 oktober 1914

Op deze zondag 25 oktober heerste er paniek bij de Belgen. Alle veldhospitalen werden geëvacueerd, de Belgische generale staf trok weg uit Veurne en Koning Albert raadde Elisabeth aan te vluchten.
Toen werd eindelijk de beslissing genomen om het IJzergebied onder water te zetten en zich op te stellen achter de spoorwegberm Nieuwpoort- Diksmuide.
De generale staf had dit nooit aangedurfd. Zij had echter vernomen dat de Fransen de streek van Duinkerke onder water zouden zetten. Er mocht dus niet meer geaarzeld worden. Dit gebeurde eigenlijk veertien dagen te laat en... op raad van burgers; dit heeft de militairen steeds dwars gezeten. Pas op 28 oktober zou dit opzet lukken en zou het water progressief de vijand dwingen te wijken.

Het was wel uiterst nipt. Na de strijd bleven er van 75.000 man nog slechts zowat 60.000 beschikbaar.

  1. Op dit ogenblik kwamen Franse hulptroepen (de 42e Divisie van Generaal Grossetti) toe. Zij werden ingezet te... Nieuwpoort. Op 23 oktober vallen zij er aan. Zowel Foch als d’Urbal, de Franse legeroverste in het noorden, als Grossetti waren er immers stellig van overtuigd dat incompetentie en vooral het gebrek aan aanvalsvermogen de oorzaak van de catastrofale toestand van de Belgen was.
    Wanneer de Fransen, dankzij de tussenkomst van de Koning, op 24 oktober toch troepen naar Tervate zouden sturen dachten zij een lesje te kunnen lerenaan de ‘stomme’ Belgen. Zij zouden het echter niet beter doen. Toen de Fransen Nieuwpoort verlieten deden zij de brug naar Veurne springen zodat het nog moeilijker werd om het sluizensysteem te verdedigen.
  2. Te Ramskapelle werd Albert van der Ghote, op 24 oktober door een granaat onthoofd. De drie en twintigjarige broer van de toekomstige vrouw van Louis was één van de talrijke gesneuvelden.
  3. Louis bemerkte dat de dijk verdedigd werd door rekruten met uiterst slechte bewapening: grasgeweren uit 1870.
  4. Mgr. Van Waeyenberg was vrijwilliger-brancardier en geen aalmoezenier. Hij zou slechts op 28 december 1919 tot priester gewijd worden. In Engeland wilde men hem afkeuren maar dit wou hij niet. Hij behield een invaliditeit van 10 %. In juli 1915 vervoegde hij zich bij de ambulancecolonne van de 5e divisie. Na enkele maanden verblijf in het opleidingskamp te Auvours, werd hij wegens gezondheidsredenen in september 1916 opgenomen in de dienst van Mgr. Marinis, hoofdaalmoezenier van het leger.
    Wegens dit curriculum ondervond hij na de oorlog moeilijkheden om een Vuurkruiserkaart te bekomen. Bij het optellen van het aantal dagen aan het front vond een nauwgezette administratie dat hij wegens zijn verblijf in Engeland het quorum niet behaalde.

3. NIEUWE OPDRACHTEN

Op 21 tot 25 oktober werd het 3e bataljon gereorganiseerd te Veurne. Zo kon Louis een paar dagen in de stad bij zijn tante Sioen-Ronse intrek nemen.
Het bataljon zou voortaan ingeschakeld worden te Ramskapelle en er zou een nieuwe bataljonsgeneesheer benoemd worden. Het was kapitein-geneesheer Servais die voordien te Oostende reeds verantwoordelijk was voor het bataljon. “C’était un homme de petite taille avec de fortes moustaches noires”. Hij had de naam ‘Teinture d’iode’ gekregen want hij kende maar twee remedies: voor het inwendige aspirine en voor het uitwendige joodtinctuur.
Toch een plichtsgetrouwe man. Hij hield eraan iedere dag adjunct Louis te vergezellen voor de consultaties van de drie compagnieën. De ‘porte-sac’ streek dan de remedie uit op het bezeerde lichaamsdeel (1).
De samenwerking met ‘Teinture d’iode’ was echter van korte duur. Na twee weken werd Louis op 12 november aangesteld bij het 1e bataljon van het 3e regiment. Zijn chef was nu een pas in 1914 afgestudeerde arts, Noël de Gouwy. Deze bekeek het leven zoveel mogelijk langs de goede kant. Daarom stelde hij zeer vlug zijn brave ondergeschikte voor de morgenconsultatie alleen te doen. Als compensatie betaalde hij een som gelijkwaardig aan de soldij van zijn adjunct. Daarop vertrok hij naar De Panne of liever naar de Zuidstraat te Veurne bij de vrouw van de fotograaf!

Louis trok dus ieder morgen alleen op weg naar de drie compagnieën. Het kostte hem één groot uur want het bataljon lag ter weerszijden van de Koolvaart bij Booitshoeke.

Louis zou nochtans ziek vallen. Sinds november werden gevallen van koortsige enteritis vastgesteld bij de Fransen te Boezinge. Tegen het einde van het jaar werd het tyfus.
Vaccinatie van het Belgisch Leger werd reeds bij de aanvang van de oorlog toegepast. Op bevel van de legerleiding werd er echter mee gestopt. De inspuiting verwekte dikwijls koorts, wat het aantal soldaten minderde. Na een paar maanden moest men op deze beslissing terugkomen. In november - december werd in twee weken tijd gans het leger gevaccineerd (2).

Louis onderging de inspuiting op 8 december. Vanaf 15 januari voelde hij zich echter koortsig en uitgeput; hij bleef te bed in het kantonnement. Zijn baas wilde hem echter niet lossen; diens brave helper zou wel ter plaats herstellen. Hij verkoos hem wat te helpen, liever dan het risico te lopen een minder gemakkelijke hulp te krijgen. Pas na veertien dagen kwam de majoor, commandant van het bataljon, persoonlijk tussen; hij eiste de overplaatsing naar de hospitalisatiesectie van de ziekenwagencolonne van het regiment. Gezien het besmettingsgevaar werd hiermee niet gedraald. Op 29 januari 1915 stuurde de geneesheer-kapitein hem aanstonds verder.

  1. Dit was een toekomstige kennis van Louis: baron de Thibault de Boesinghe. Hij zou echter niet lang aan het front blijven. Zijn tante, Juffrouw de Thibault, woonde te Veurne en had stafofficieren op logies. Na veertien dagen kreeg de baron mutatie als attaché bij de Russische militaire missie in De Panne. Louis werd opnieuw geconfronteerd met bevordering van anderen. Het moet echter gezegd dat er een nijpende nood aan officieren was.
  2. Melis L.: Contribution à l'Histoire du Service de Santé de l'Armée. Bruxelles, 1932 p 213.

4. TYFUS

Louis werd toen verwezen naar de ambulance in het station van Fontinettes waar alle tyfusgevallen verzameld werden. “Je vois le grand hall vitré de la gare tandis que de gentilles militaires anglaises de la St.Johns me hissent sur le brancard”. Van hieruit kwam hij terecht bij de ‘Ambulance Rue Eustache St.Pierre’. Daarop werd hij voor verder herstel doorgestuurd.naar het hospitaal in de ‘Rue Jeanne d’Arc’, om er op 4 maart ontslagen worden.
Dankzij zijn vaccinatie was de ziekte niet zo erg. De koorts bedroeg maximum 39 graden. Anderen hadden minder geluk. “On était nourri avec du bouillon de légumes très bon et avec du lait”. Enkele soldaten vonden dit regiem te streng en stonden ‘s nachts op om een malse omelet te bakken. De dag daarop volgde de straf: een zware darmbloeding en de dood.

Louis was in dit hospitaal echter niet gelukkig. Hier waren nog bejaarde militaire verplegers met tegenzin in dienst. Er was ook, vooral ‘s nachts, gebrek aan toezicht. Daarbij werd een rigide militaire administratie toegepast want de hoofdgeneesheer viel ook tegen; Dr. Dossogne was een reeds oudere dienstplichtige huisdokter uit Thuin: “chauve et peu intelligent”.

Louis ontmoette er echter Emile Bekaert, de knapste student van zijn jaar - hij zou later ‘prof’ worden. Dossogne wilde echter niet dat die zijn vriend verzorgde. "Hij was uiterst jaloers op Bekaert ... alles moest langs hem om”.

5. KLINIEKGENEESHEREN

Op 19 februari 1915 werd Louis verwezen naar de Gezondheidsdienst van de Basis, steeds als aspirant geneesheer. Hij begon zijn job op 4 maart in het Militair Hospitaal van de ‘Rue des Soupirants’. Deze ambulance was opgesteld in een vrije technische school, onder leiding van Dr. Pierard uit Luik en later van Dr. Barbeaux uit Nijvel. Onder hun bevel stonden twee collega’s, ook aspirant-geneesheren. Een geluk voor Louis! Allen waren vrienden uit dezelfde cursus: Emile Bekaert, Emile Lievens en Louis.Alle drie werden in de Gezondheidsdienst van de Basis benoemd dankzij een kennis van Lievens. Hij was van Mere bij Aalst net zoals de adjudant secretaris van Generaal Clooten, hoofd van de Basis Calais. In het leger zijn de beste kruiwagens op dit niveau... en de benoemingen gebeuren dan ook op de meest eerlijke manier.
Hier hielp ook nog een knappe student uit Gent: Frans De Witte. Hij was nog maar in de kandidatuur en dus slechts ambulancier. De Witte mocht er de radiografie verrichten. Een niet gemakkelijke taak! Naargelang beenderstructuren of zachtere weefsels geanalyseerd werden moesten harde of zwakke stralen toegepast worden. Dit vergde telkens een ander kathodebuis. In die tijden bestond de Coolridge lamp immers nog niet. Die zou door opwarming van de kathode de mogelijkheid bieden harder stralen te bekomen. De lamp zou echter pas na 1916 verspreid worden. In afwachting moest steeds gekozen worden tussen een dozijn lampen waarin de gasdruk de stralingsterkte bepaalde.
“De knappe student Dewitte had de techniek reeds onder de knie”. Hij zou in 1933 radiologie te Gent doceren. “Je suis toujours resté en relation avec lui”.
Louis was de enige niet die in de oorlog de knepen van zijn beroep kon leren. Dit betrof niet alleen chirurgie maar ook infectieziekten: “parmi les malades il y avait un cas de typhus exanthématique...”. Een zeldzaamheid, het bestuderen waard!
Eind april zou onze 'médecin-auxiliaire' in de ‘Rue des Soupirants’ lange rijen gegaste sukkelaars zien voorbijtrekken en er ook bij leren. Stilaan bouwde hij met dezelfde leergierigheid een immense geneeskundige cultuur.
Er was echter meer: “Il y avait aussi un malade protégé, Norbert Laude...”. Dit was een ander symptoom... Hiermee eindigen de persoonlijke herinneringen van onze officier-hulpgeneesheer. Wat heeft Norbert Laude uitgespookt?
Wij vinden Louis Ronse terug op 18 januari 1917 als onderluitenant bij meester Tamboryn. In afwachting moeten wij het een anderhalf jaar stellen met alleen het militair dossier.

6. HET 2e BATALJON VAN HET 4e GENIEREGIMENT

Op 26 september 1915 was het gedaan met het mooie kliniekleven. Opnieuw naar de linies! Ditmaal in het 2e bataljon bij het 4e genieregiment te Wulpen. Dit zou duren tot 18 januari 1917. Dan zou hij overgeplaatst worden naar het 31e bataljon van het 13e linieregiment van de 4e divisie te Avekapelle.

Sinds november 1914 was het front nagenoeg immobiel. Britten en Fransen en ook Duitsers hadden idiote aanvallen verricht, steeds zonder veel resultaat tenzij een menigte gesneuvelden (1).
Op het Belgisch hoofdkwartier ging het er wel kalmer aan toe. Koning Albert moest zijn leger sparen wilde hij nog iets tegenover de geallieerden te zeggen hebben (2).
Het leger lag ook veilig verschanst achter de IJzer. Het gros ervan lag nog steeds langs de spoorlijn Nieuwpoort - Diksmuide. In het overstroomd gebied tussen de spoorweg en de IJzer, waren er zoveel mogelijk vooruitgeschoven observatieposten. De ‘dodengang’ bijvoorbeeld was een loopgraaf, loodrecht tegenober de vroegere petroleumtanks van Diksmuide, aan de overkant van de stroom. Dit waren natuurlijk gevaarlijke posten maar grote aanvallen gebeurden er niet.
Ondertussen was aan beide kanten van het front de administratie in actie getreden. Er was vooral tijd voor het regelen van de papieren en de statistieken. Alles moest ordentelijk verlopen: het verplaatsen van de troepen, het vervangen van manschappen, de bevoorrading in munitie. Louis moest een logboek van de dienst en de materiaalreserves, alsook de individuele steekkaarten van zieken en gewonden bijhouden. Hij had zelfs tijd voor studie. Hij maakte daarbij gebruik van de organisatie van Daels. Daarom bezocht hij regelmatig de bibliotheek 'S.K.V.H., in het College te Veurne. Zo kon hij zijn toekomstige examens voorbereiden. Hij heeft toen tal van geneeskundige werken niet alleen geleend maar ook gekocht. In zijn kleine bibliotheek die hij naar Ieper mee zou brengen, kwamen niet alleen de universiteitscursussen maar ook verschillende boeken met de kleefstrip van de S.K.V.H. voor.
Er was ook de botanica maar vooral het nietsdoen, veel verveling, enorme verveling (3)... in afwachting van het groot offensief van september 1918.
Begin augustus 1917 schreef hij zich in bij de ‘Belgische School met Leergangen bij Briefwisseling’ ingericht door het Belgisch Ministerie van Wetenschappen en Kunsten te Parijs. Hij was er 'l'élève 560’. Het zou een taalcursus zijn: Russisch! Kende Rusland nog steeds een groot prestige? In de prospectus stond : "Il est superflu d’insister sur l’importance de la langue russe . / . L’étude du russe a pris une grande extension ./. . Il y a en Russie de nombreuses affaires belges qui demandent l’aide de nos compatriotes".
Er was op dit ogenblik ook een Belgisch detachement operationeel in Rusland. Wilde Louis er aan toegevoegd worden om de verveling te ontlopen? Of was het uit wetenschappelijke interesse? Louis hield het echter niet lang vol. Aan de twaalfde les in januari 1918 stopte hij er mee. Was de oktober 1917-revolutie er de oorzaak van?
Veel verveling maar soms werd je overvallen door enorme heimwee. De aanleiding voor zo een moment was de dood van een kameraad die daags te voren een zangrecital gegeven had (4). Het was Schumans ‘Frauwenliebe und Leben’. Deze herinnering is Louis bijgebleven, zijn ganse leven lang. Toen we als kinderen deze grammofoonplaat beluisterden, wisten we niet dat dit een herinnering was aan die tragische gebeurtenis.
De maanden kropen zeer langzaam voorbij. In 1914 werd de victorie er met Kerstmis verwacht, in 1915 heette het heel zeker voor volgend jaar te zijn. Op 10 oktober 1915 zou Louis een briefje naar zijn ouders schrijven dankzij het ‘Oeuvre du Mot du Soldat’. Het was het enige gedurende zijn vier jaar afwezigheid, 5 cm op 5 cm: “Alles gaat goed. Ik hoop u weer te zien in december of einde mei”. De oorlog was nog niet halverwege!

  1. Aan de Somme werden op de eerste dag, 1 juli 1915, bij de Britten reeds meer dan 22.000 doden naast 35.000 gewonden of vermisten geteld. De aanval in Verdun op 21 februari 1916 kostte de Duitsers 46.773 doden, 25.316 vermisten of gevangenen en 206.450 gewonden. Verdun eiste aan Franse zijde 179.000 verliezen, waaronder 30.000 kijgsgevangenen, en 279.000 gewonden. Dit zou niet eindigen: Mesen 7 juni 1917, Passendale 12 oktober 1917 enz, enz.
  2. M.Thielemans, T.Vandewouwe: Le Roi Albert au travers ses Lettres inédites. Office International de Librairie, Bruxelles, 1982.
  3. Jan Van der Ghote, ook aan het front, zou in mei 1917 een opleiding volgen voor onderofficier en wegens het enorme nietsdoen tekenen voor zes jaar als territoriaal agent in Congo. Ondertussen had hij zich in het 5e linieregiment van de 2e divisie toegelegd op het schrijven van theaterstukjes voor de soldaten.
  4. Pianobegeleiding was mogelijk aan het Front. Depage had in ‘L’Océan’ uiteindelijk een gans orkest met een officiële zanger en zangeres samengesteld..

7. HET 3e BATALJON VAN HET 13e LINIEREGIMENT

Louis werd op 18 januari 1917 benoemd tot officier-hulpgeneesheer bij het 3e bataljon van het 13e infanterieregiment van de 4e divisie te Avekapelle.

Paul Tamboryn: “Het is lang geleden, heel lang en ware het niet dat wij veel opgetekend hebben die tijd, wij zouden beginnen te twijfelen of het geen droom is geweest. Dr. Ronse en zijn brancardier zijn de oorlog ontsprongen en hoe wreedaardig die tijd wel was, de oorlog heeft ons lichaam niet verwoest en zeker onze ziel niet bedorven. Meermalen hebben wij gemijmerd over de menselijke nietigheid en terdege voelden wij de broosheid van het leven aan; doch spijts alles voelden wij ons gelukkig en voldaan, omdat wij veel liefde hadden voor ons land en onze makkers. Zeker onuitwisbaar blijft die tijd geprent in ons hart, al zal de tijd ook ons wegvegen: "Tout n'est que passage ici bas". Een geluk wanneer men zich kan vasthechten aan een persoon gelijk Dr. Ronse was en God zij dank, nog is.
Na meer dan vijftig jaar wil ik wel het een en ander oproepen uit onze gezamenlijke tijd aan het front. Dr. Ronse was reeds gerodeerd toen hij bij ons kwam. Als ik mij niet bedrieg was het op 20 januari 1917 dat Dr. Vermeylen ons bataljon verliet en dat wij voor de eerste keer contact kregen met zijn opvolger Dr. Ronse.
Wij lagen toen niet ver van Avekapelle bij de hulppost ‘Cinq Maisons’ en wij hadden vóór de komst van de nieuwe adjoint een hevig bombardement ondergaan... waarschijnlijk saluutschoten ter ere van onze nieuwe geneesheer.
't Was vreselijk koud, bijtend koud: het ijs droeg, men kon er met kar en paard over rijden, zodat de overstroming van geen tel meer was en het gevaar van ‘raids’ niet te onderschatten. Wij lagen wat buiten de lijn over de spoorweg Diksmuide-Nieuwpoort op de post genaamd 'Berkelhof'.
Toen ik met de eerste gekwetsten bij Dr. Ronse kwam hielden wij dadelijk van elkaar. Uw dienaar was brancardier bij de 11e kompagnie van het 13e linieregiment. De gevechtswaarde van die compagnie was bekend. In de loopgraven waren ze voorbeeldig en gaven blijk van heel wat initiatief. Ze waren van geen kleintje bang en volbrachten al de taken die hen werden opgelegd.
Nochtans, eenmaal op rust het zij te Bulskamp, te Leisele, Uxem, Killem, Burgburg, te Hames-Boucres bij Calais of elders, daar wilden onze mannen gerust gelaten worden en ze hadden maar één verlangen: zich ontdooien en kuieren langs de wegen of in de dorpen.
De legerleiding hield er een andere mening op na en zeker niet zonder reden; ze wist dat ‘rust roest’ en na een paar dagen van ‘dolce far niente’ moesten er allerhande karweien uitgevoerd worden. Er moest geoefend worden, loopgraven gegraven ter dekking voor een gebeurlijke aftocht, gemarcheerd kilometers ver, nieuwe wapens beproefd en wat weet ik al en dat vonden heel wat van onze mannen onzinnig en ze trachtten zich daaraan te onttrekken.
Er was maar één remedie: het rapport van de dokter en de uitspraak van die heren beschikte over hun lot. Ze zouden de duivel te rade gegaan zijn om de dokters te verschalken en ze waren zeer vindingrijk op dat punt. Lukte het hun ‘exempt de service’ te zijn verklaard dan waren ze hoogst gelukkig; doch werd hun huichelarij onderschept, dan was het meestal hun eigen schuld daar ze het aantal kandidaten niet doseerden en soms wel met twintig en meer naar het doktersrapport trokken.
De dokters wisten wel dat er geen epidemische ziekte heerste en dat het ging om plantrekkerij en daar de wetenschap niet graag bedrogen uitkomt, gebeurde het dat heel de bende met klikken en klakken buiten vloog met ‘un vu et soigné’. Dan sakkerden ze op Ronse en op Sibylle dat het een aard had.
Wij persoonlijk zaten in een delicate positie. Er staat geschreven: "Men mag geen twee heren dienen" doch wij waren schoon verplicht. Wij genoten het volle vertrouwen van de geneesheren en wij konden niet anders dan dubbel spel spelen. Wij wisten maar al te goed dat de maagstoornissen van kameraad X te wijten waren aan het inzwelgen van een pruim tabak; dat de zware koppijn van kameraad Y te wijten was aan het ledigen van een hele fles korte drank, een fles ergens gepiekt te Uxem of in een of ander Frans cafeeke; dat de gezwollen voet van kameraad Z zijn oorzaak vond aan een keitje dat hij gedurende een march in zijn schoenen had gebracht.
Het gebeurde dat zij vóór het rapport tot bij een van ons kwamen en ons heel naïef vroegen al welke kant hun maag wel lag, links of rechts van het lichaam, want bij het binnentreden in de plaats waar de dokter ontving moest er al bij het intreden gezorgd worden voor de nodige houding en gebaren om het pleit te winnen. Dr. Ronse echter had 'le coup d'oeil' en hoe jong hij dan ook was, wist hij wel de bokken van de geiten te scheiden, tot groot misnoegen van de bokken”.

8. EEN HELD?

In 1939 schreef Louis (1) : “Durant la guerre je me suis dévoué à l'extrême. Comme médecin de bataillon. Mes soldats étaient comme mes enfants. A l’Yser, à Schoorbakke je suis allé soigner les blessés sur la digue. J’évacuais l’adjudant Leblanc hors du feu de barrage, me faufilant sous la poutre brisée de la maison sur la digue, encadrée d’obus. Quant on est jeune on donne sa vie de bon coeur. On est solidaire des soldats de sa troupe, de leurs souffrances. On est heureux et fier de les avoir partagées pour le bien de la patrie”. Blijkbaar zeer eenvoudig en toch...
Tamboryn: “Wij laten nu maar het luimige achterwege. We trekken naar de loopgraven of beter naar het front. Daar is onze hulppost voor onze brancardiers een ‘havre de grace’. Als wij na pijnlijk zwoegen de gekwetste tot bij de dokter konden brengen werden wij er hulphartig ontvangen en meermalen mochten wij wat uitrusten op de brits van een der dokters of wij kregen een flinke teug rode wijn. Als wij er aankwamen waren wij zeer zenuwachtig en ziekelijk geprikkeld, doch na weinige tijd wisten de dokters ons aan te moedigen en opnieuw trokken wij dan opgelucht naar onze voorposten.
Zie, wij zijn in november 1917, om duidelijk te zijn zondag 11 november. 's Namiddags vertrekken wij naar de modderpoel van Merkem. Een verschrikkelijk bombardement is ons onthaal. Granaatput op granaatput, een echte slijkzee. Wij lossen gedeeltelijk de Fransen af die ons bekennen dat het erger is dan Verdun. ‘Ah, la boue des Flandres, quelle misère!’ Ja, we zitten er in tot over de knieën. De dans begint en wij krijgen veel meer dan wij verlangen van de vijand. Wij verliezen heel wat volk en daarbij adjudant Verbeke, een vriend van Dr. Ronse.
Wij zitten op een der gevaarlijkste punten van heel het front: ‘De Aschhoop’, bijna niet te benaderen en die dag en nacht beschoten wordt. Wel, toen adjudant Verbeke bij mij lag, vreselijk gemutileerd, en toen wij telefonisch kans kregen Dr. Ronse te verwittigen, kwam hij aanstonds toegesneld. Niemand durfde bij dage die post benaderen. Ik zag van door een kijkgat Dr. Ronse over de passerelle lopen recht naar ons toe. Toen gaf ik geen cent meer om zijn leven en wonder boven wonder hij geraakte tot bij de schuilplaats. Het was echter waaghalzerij! Wat een geluk voor de adjudant. Hij was een arm en een been afgerukt en Dr. Ronse kon zijn lijden verzachten”
.
Louis Ronse een held? Vriendschap en genegenheid voor ‘zijn’ soldaten maar ook wel verbittering. Hij had het kunnen doen op een meer voorzichtige wijze. Je ziet hem over de passerelle lopen. Ieder sprong gaat zeker gepaard met een vloek. Er is vooral een bom agressie.
Vanaf 1917 werd over gans het front de vraag gesteld naar het waarom. In het Franse leger zou dit door de laksheid van Joffre en de beestigheid van Nivelle uitlopen op muiterijen. Bij de Belgen was het zo erg niet maar vanaf dan begint de Vlaamse Kwestie in het leger en worden de spontaan gegroeide soldatengroepen verboden.
Bij Louis zal er ook niet alleen woede tegenover de Duitsers geweest zijn en ook tegen de stomme oorlog en heel zeker ook tegen de ‘embusqués’. Daels viel hieronder, officier veilig te Veurne. Louis onderluitenant- hulpgeneesheer was verplicht in de linies te blijven zonder enige hoop op promotie. Het is verbittering die hem tussen de kogels doet lopen.

“Adjudant Verbeke was een zeer hoogstaand mens. Hij is dan bij mij gestorven toen wij hem naar de hulppost verdroegen die gelegen was bij het ‘Hoekje’ van Merkem. 'Je suis content de mourir pour la patrie' waren zijn laatste woorden”.
Louis heeft ons later nooit over Verbeke gesproken maar zijn doodsprentje heeft hij gans het leven bewaard.
"Het gebeurde dat wij de dokters bij hun werk wat moesten bijlichten met een petroleumlamp. Op zekere keer brachten wij een gekwetste binnen die door een granaatscherf in de hals de hoofdslagader zo goed als afgesneden werd. Het was een vreselijke wonde. Wij hadden de eerste hulp geboden en spoedden ons dan zo vlug als het ging met de gekwetste naar de hulppost. Daar moest ik Dr. Ronse helpen met het bijlichten. Opeens voelde ik aan dat ik flauw ging vallen en Ronse had het dadelijk gemerkt. Hij beval mij de lamp op een tafeltje te plaatsen, riep mij dicht bij zich en gaf mij een flinke klap rond de oren. Het spreekt dat ik daardoor hevig werd opgeschrikt en dat het bloed weer vlug naar het hoofd steeg. Er was geen spraak meer van bezwijmen. "Neem de lamp terug" beval Ronse, dit zonder meer... toen begreep ik. Het was het enige probaat middel om een halve dode weer bij te brengen.
Na de storm kenden wij heel wat windstilte. Wel vloog er hier en daar wel een obus scherp huilend boven ons hoofd doch de mitrailleuzen hielden op en wij hoorden het gefluit der kogels niet meer. Het gebeurde dat toen wij in de tweede linie lagen de dokter en zijn brancardier wat kuierden in de tranchées. Hoe groot de vernieling ook was, toch was hier en daar het leven doorgebroken en het minste struikje of plantje interesseerde ons ./ . Men kon Dr. Ronse nimmer aantreffen, zelfs op de kwaadste posten niet, of hij had immer een paar dikke studieboeken bij zich. Zodra het enigszins mogelijk was studeerde hij want in het oorlogsgeweld ontbrak het hem zeker niet aan praktijk”
.

  1. Louis Ronse: Herinneringen over zijn ziekte. Manuscript.
Verbeke

Gedachtenisprentje aan de gesneuvelde adjudant Paul Verbeke uit Gent

9. 1918: HET GROOT OFFENSIEF

Ondertussen woedde de oorlog voort. De Russen hadden na de 1917- revolutie, een afzonderlijke vrede gesloten zodat de Duitsers meer troepen ter beschikking hadden. Op 21 maart vielen zij aan, sloegen een bres tussen de Britse en Franse legers - 92.000 Franse verliezen en aan Britse kant, 15.000 officieren en 290.000 soldaten. Een uiterst gevaarlijke toestand! De geallieerden waren de paniek nabij maar de aanvallers kwamen niet meer op adem. Ook zij waren bekaf. De gevechten bleven aan de gang maar vanaf juli keerde het tij.De geallieerden zouden nu het initiatief nemen. Ook USA- troepen werden van af deze periode ingezet.
Op 8 augustus begon de tegenaanval. Generaal Rawlinson was de eerste dag reeds 12 km verder, hij veroverde 400 kanonnen en talrijke munitiedepots. Op 10 september waren alle in de lente verloren posities teruggewonnen. De Duitse troepen waren ontmoedigd en ook hier ontstonden muiterijen.
Gans het Duitse front stortte daarop in elkaar. Uiteindelijk was de overwinning maar nipt. Steeds was de oorlog gekenmerkt door het onvermogen om een gewonnen veldslag te kunnen benutten. De aanvaller moest steeds op adem komen. Wegens de gelijkwaardigheid van de strijdkrachten kon de verdediger de toestand steeds weer in handen nemen. Dit gebeurde reeds na de Marne en zou nadien zo voortgaan.
"Vooral toen wij in Langemark zaten had ieder van ons de handen vol. Men vocht om de Kemmelberg. De Duitsers hadden een verwoed offensief ingezet en wij zaten benepen in een hoek bij het station van Langemark. Wij waren er gekomen op zaterdag13 april en bezetten de molen, in oorlogstaal genaamd "Springfarm".
Op 17 april 1918 had een verwoede aanval plaats op onze posten. Wij beleefden schrikkelijke momenten en mijn makker brancardier Marcel Tiersen werd nevens mij doodgeschoten, een bal door het hoofd. Wij voelden ons woest en ellendig doch bleven steeds bereid onze gekwetste makkers uit hun netelige toestand te redden. Hoeveel gekwetsten en doden wij tot bij de hulppost droegen of sleepten weten wij niet. De hulppost lag achter de Steenbeek en ik zie nog voor mijn ogen onze brave aalmoezenier, monsieur l'abbé Française, gebogen over de stervenden en ik hoor hem nog zeggen:"Non ce n'est pas permis!". De dokters werkten slag om slinger om te helpen zoveel er te helpen viel.
Dr. Ronse zal het zich wel herinneren. Na de moerlemeie van Merkem en Langemark komen er in de compagnie een dozijn eretekens voor de meest verdienstelijke elementen. Wij waren heel verwonderd te vernemen, dat zij die het minst hadden blootgestaan aan verwonding en dood, met eer gedecoreerd werden.
Ja, een onzer manschappen werd gedecoreerd nadat hij zichzelf een kogel door de voorarm had geschoten. Het was te Boezinge voor het sas. De jongen kwam naar mij toegelopen en riep:"Ik ben gekwetst!". Wij bekeken de wonde en ondervroegen de jongen. "Ik lag op de borstwering, schoot op de vijand en ineens kreeg ik een kogel in de arm. Mijn eerste reactie was: dan moest de kogel ook door uw romp zijn gegaan doch de kogel was langs de binnenkant van de arm ingedrongen en langs de buitenkant er uit gevlogen. Wij waren er aanstonds van overtuigd dat hij zichzelf had gekwetst. Wij brachten hem tot bij Dr. Ronse die de wonde onderzocht en een veelbetekenende blik op mij wierp. Ik knikte met het hoofd doch verder ging het niet. Wij brachten de gekwetste buiten en in de 'Boyau de la Boucle' botsten wij op twee hogere officieren en Koning Albert. De koning hield ons staande, groette de gekwetste jongen, deed zijn naam en eenheid opschrijven. Hij werd daar door de koning zelf voor gedecoreerd.
'A la guerre comme à la guerre,' pleegden de Fransen te zeggen "et on ne tue pas pour tuer, mais pour ne pas être tué". Men hield er langs beide kanten van de barricades dezelfde mening op na, met het gevolg dat men elkaar voortreffelijk doodschoot.
Nu, na veel wederwaardigheden komen wij terecht bij Oud- Stuivekenskerke en wij kregen daar een duchtige afrossing. Wij brachten daar in de hulppost "Le Renard" bij Dr. Ronse: sergeant Deproost met twee projectielen in de buik, Strijbos met een kogel in de zijde, Ramon die zijn linkervoet was afgerukt, sergeant l'Hermite die lichter gekwetst was, korporaal Hendrickx die een oog verloor, luitenant Crets die dodelijk gewond en Wauquier die op slag dood was.

Te Oeren werden wij door onze dokters allen ingespoten tegen de tyfuskoorts.
Wij trokken ons terug naar Stuivekenskerke, werden er eindelijk afgelost door het 15e linieregiment en zakten af naar Hoogstade waar we werden ondergebracht in barakken die zich bevonden bij de herberg "De Gapaard". Nog heden ten dage (januari 1973) staat daar één van die barakken"
.
Op 28 september is het grote bevrijdingsoffensief begonnen. "Wij werden bij de Gapaard waarlijk vertroeteld en niet zonder reden, want op 27 september vertrekken wij Lo-waarts, geladen lijk ezels met veel proviand en een hele gourde "schnaps". Wij trokken naar de eerste linie en kwamen tot bij de rand van de vijver "De Blankaart". Wij wisten nog niet goed wat ons te wachten stond, doch de dokters en officieren waren zenuwachtig. 'Qui ne sait rien, de rien ne doute' doch wij zouden spoedig zekerheid krijgen.
Op 28 september twee uur 's nachts schoten opeens twee zoeklichten hun verblindende stralen in de donkere hemel. De verraderlijke kalmte, die tot nu toe heerste werd gebroken door het losbranden van een reusachtig kanon. Bulderend rolde zijn akelige klank over het lugubere land en dan ontketende zich een hels gedoe. Duizenden vuurmonden braakten te midden van een oorverdovend geraas vuur en schroot uit hun ijzeren ingewanden. Schitterende lichtstralen zochten onraad op de grond of stegen hemelwaarts; Vuurpijlen beschreven brandende bogen en ontelbare lichten van alle kleuren en tinten dreven mysterieus aan de einder. Soms groeiden uit donkere diepten vaal-rode gloeden die een heel deel van de hemel als een brandende hel kleuren en dan weer wegsmelten als een verzwindende droom. Hele depots obussen werden aangestoken en vlogen ontploffend de lucht in.
Dit duurde vier lange uren. Om zes uur klonk het kort bevel: ‘En avant’ en de aanval begon. De vijand was ‘blamot' geschoten en het ging betrekkelijk goed, want 's avonds zaten wij reeds acht kilometer verder. Nooit hebben wij het leven zo lief gehad. Wij misten wel voedsel, sliepen buiten in de grachten en vroegen maar wat rust om dan weder los te breken tot ze er uit zouden zijn. Wij ondervonden nog veel tegenstand te Hamersveld bij Handzame, en op 15 oktober arriveerden wij bij de eerste burgers op grondgebied Koekelare. Wij bezetten nieuwe stellingen op 6 km van Torhout. Om 7 uur werden wij afgelost door het 19e linie en ons regiment in reserve geplaatst.
Onze compagnie telde nog 48 man van de 180. Gij kunt vermoeden hoeveel werk de dokters gehad hebben gedurende heel die tijd en hoe lastig het was voortdurend van hulppost te veranderen. Meestal brachten wij de gekwetsten in het een of ander half stukgeschoten huis of in een stal of wij lieten ze liggen bij een nog rechtstaande muur waar ze min of meer beschut werden. Ze werden dan weer opgepikt door andere brancardiers die ze tot bij de dokters brachten. Wij zelf die heel vooraan waren wisten zelf niet waar er zich een hulppost bevond”.

Op 15 oktober is Louis met zijn eenheid te Koekelare, op 10 november te Ruislede. Hier in het 'Rijksweldadigheids-instituut' verneemt hij de capitulatie.
"Het front is doorboord; de vijand trekt achteruit doch wij ontmoeten nog ernstige weerstand bij Bellem en Landegem, waar wij over het kanaal van Schipdonk moeten geraken. Wij lukken niet zonder kleerscheuren en keren dan terug op onze stappen naar Ruislede waar wij in de verbeteringsschool wat mogen uitblazen.
Daar ontmoet ik nog Dr. Ronse, die memorabele avond van 10 november. Wij vernemen dat de wapenstilstand 's anderendaags zal getekend worden. Het nieuws loopt rond lijk een vuurtje en wanneer wij buiten turen door de ramen, zien wij overal aan de hemel zoeklichten. Werkelijk wij kunnen het zo moeilijk geloven: "HET IS GEDAAN!" Wat een onbeschrijfelijke vreugde. Ons muziek daagt op en op de koer van de verbeteringsschool dansen en springen de soldaten lijk bezetenen. Ze vuren in de lucht, schieten honderden zoeklichten de hemel in en begaan erge onvoorzichtigheden. Ze zijn lijk zot en hysterisch en werkelijk het is zoals wij het vreesden. Wij krijgen nog verscheidene gekwetsten. Het zijn de laatste die wij bij Dr. Ronse brengen”.

10. EPILOOG

“Te voet ging het nu van Ruislede naar Gent. Wij werden daar door de bevolking in de hemel gedragen. Men sprong aan onze hals en wij konden de bevolking geen meester. Ze vochten om ons te logeren. Wij zagen er proper uit, onze knieën staken door onze broekspijpen van het lange kruipen over de grond.
Wij waren niet ververst sinds weken en wij hadden geen te appetijtelijk geurtje, maar het deed er niets toe, wij mochten ons nu eens ontkleden, ons wat wassen en met onze luizen kropen wij maar in de mooi opgemaakte bedden.

Wij vertrokken 's morgens reeds uit Gent en over Zele - Breendonk - Willebroek en Mechelen geraakten wij te Boortmeerbeek waar wij ondergebracht werden in een grote brouwerij. Wij hielden er een paar dagen halt. Dan naar Diest - Borgloon - Herstal - Battice en wij arriveerden bij de Duitsers te Eupen. De mensen waren zeer wantrouwig, vooral de mannen; wij zagen er zo te zeggen geen. Van uit Eupen naar Aken - Munchen-Gladbach - Wilisch en wij belandden te Krefeld, waar ik nog een paar keren Dr. Ronse heb ontmoet.

Onze taak was afgelopen. Ik werd gepromoveerd tot tweede kok in de mess van de dokters. Ik werd er de vertrouwensman van kolonel Coquot, een admirabele vent in het drinken. Nadien werd ik te Namen de privaat- secretaris van de kolonel. Dr. Ronse was dan reeds gedemobiliseerd en had zijn studies hervat aan de hogeschool van Gent.
"L'objet de la guerre, c'est la paix". Wij kregen een rijke vrede in het stukgeschoten Ieper, want op een schone dag vernamen wij dat Dr. Ronse benoemd werd tot directeur van het stedelijk hospitaal alhier.

Geregeld zijn wij dan samen gekomen. Wij hadden nu en dan een wijnavond, doch nu zijn die wijnavonden ook voorbij. Wij zijn sober geworden, maar het doet ons immer een groot genoegen elkander te zien en bij elkander te zijn. Moge het nog vele jaren in volstrekte soberheid duren.”
Het zou nog juist geteld tien jaar mogen. Tamboryn schreef zijn herinneringen in 1963.

Louis heeft eerst te Vorst bij boeren gelogeerd. Iedereen was behulpzaam, vriendelijk. De dochters wasten en herstelden zijn kledij - zijn lijnwaad bevatte nog steeds luizen! Bij het heengaan vond hij in zijn bagage lekkere worst. Op 28 december logeerde hij te Krefeld bij een welstellende tabakshandelaar.
Hij was erover verwonderd hoe de Duitsers die zo gelovig zijn en zo ordentelijk, zich hadden laten meeslepen in de oorlog. De talrijke standbeelden van Bismarck die hij overal zag, gaven de uitleg. Wanneer hij echter met de gedweeë Duitsers te doen had kreeg hij nog steeds een kwaaie bui (1).

  1. Correspondentie van Louis Ronse.

Hoofdstuk 11

IEPER

1. GENEESKUNDE TE IEPER?

Op 13 februari 1919 werd Louis verbonden aan het Militair Hospitaal te Gent, steeds als officier-hulpgeneesheer. Hij werd gedemobiliseerd op 30 september 1919. Dankzij de faciliteiten voor de studentensoldaten kon hij vlug de nodige diploma's behalen. Op 27 oktober 1919 haalde hij het einddiploma met onderscheiding.
Tijdens de oorlog had Louis een goede leerschool gehad. Hij zou chirurg worden. Het was een laattijdige roeping. Een academische carrière was niet meer mogelijk. Door de oorlog had hij vijf jaar verloren. Hij had ook geen contacten meer met de universitaire wereld. Daarenboven wilde hij vooral niet meer samenwerken met zijn ex-patroon Daels die tot de groep der landverraders behoorde.
Ware hij één jaar ouder geweest, dan had hij tijdens de oorlog reeds vroeger zijn examens kunnen afleggen. Hij had ook militaire promotie gemaakt en zo vooral hoogleraren ontmoet o. a. Professor Depage in De Panne.
Na zijn stage te Parijs werkte hij in het Hospitaal te Elsene in afwachting van een definitieve plaats. Waar naartoe? Collega Van den Bulcke uit Oostende had hem echter de tip gegeven. Het verwoest gewest? Een plaats te Ieper? Waarom niet? De oorlog bleef hier nog wat duren. Die plakte hem nog aan het lijf. Daarenboven was zijn ‘porte-sac’ Tamboryn er al.
Hier zou hij ook promotie maken. Geen eeuwige onderluitenant meer die het vuile werk mag opknappen maar van meet af aan geneesheer-directeur.

2. BARAKKEN

Ieper bestond niet meer. Wat zou het worden? Eerst werd er gedebatteerd nopens de heropbouw van de stad zelf. Er was zelfs een voorstel om de stad te herbouwen op Ieperhoekje aan de weg naar Boezinge. Het prachtige puin van Belfort, Hallen en Kathedraal zou kunnen behouden blijven in een groene zone. Een 'Memorial' van het doorstane leed, vooral voor de Britten. Burgemeester Burgemeester Colaert moest hiervan natuurlijk niets weten. Reeds in 1916 had hij met conferenties het voorstel aangevallen.
Er werd lange tijd getwijfeld. Ook te Brussel gebeurde er niets. De Minister van Binnenlandse Zaken, Renchin, zat ook opgescheept met problemen betreffende hygiëne. Er was geen enkele voorziening. Riolering bestond niet meer, drinkwater werd uit oorlogsputten geschept.
Zelfs het rooiplan van de vroegere stad was nog niet in orde. Definitieve beslissingen werden niet genomen.
Vanaf 1919 zijn de Ieperlingen stilaan teruggekomen. In de lente 1919 werden er 800 barakken van het Albertfonds op het Minneplein opgetrokken. Daartoe behoorde een voorlopige kerk, een stadhuis en school. In 1920 waren hier reeds 5000 arbeiders aan de slag (1).
Aan een persoonlijke constructie beginnen zonder toelating was absoluut verboden. De Townmajor Beckles Wilson was onverbiddelijk. 27 Ieperlingen werden voor de rechtbank te Poperinge gedaagd wegens bouwen zonder vergunning.

Barak

29 januari 1923: de barak van Dr. Louis Ronse, tegenover het gasthuis. Louis (midden, voor de deur) in gezelschap van apotheker Gaimant en dokter Dochy.

Barak

De oorlogsbarakken aan de Kalfvaart, met het heropgebouwde hospitaal in de achtergrond.

De omstreken waren daarbij nog zeer onveilig. Er waren vreemde buitzoekers en vooral 'tching-tchings'. Dit waren Aziaten die door het Britse leger waren aangeworven om het puin op te ruimen en vooral de wegen te herstellen. Niet altijd te betrouwen!
De gemeenteraad kwam ook niet op dreef. Nu al eisten sommigen het ontslag van wie zich in de streek nog niet had gevestigd. Ook waren er in diverse steden ‘clubjes’ ontstaan van Ieperlingen die ongeduldig werden. Op 7 maart 1920 werd er besloten een delegatie te sturen naar het Koninklijk Paleis (2). Minister Renchin was hier ook tegenwoordig. Dit alles had toch goed gevolg en traag kwam alles op gang.
Louis Ronse was zeer vroeg te Ieper, reeds in juli 1920. Hij vond er Tamboryn terug die ondertussen ook zijn onderwijzersdiploma behaald had. “De mensen kwamen zoetjes aan uit ballingschap terug en in Ieper woonden reeds een kleine drieduizend mensen die zich gegroepeerd hadden op het Minneplein. Ze bewoonden allen keten van het Albertfonds.
In mei bekwamen wij een barak van drie lokalen en openden wij de afdeling der Staatsmiddelbare School.
Wij ontvingen zevenentwintig leerlingen, jongens van zes tot veertien jaar en zelfs ouder. De noodzakelijkste klasbenodigdheden ontbraken: geen borden, versleten vuile banken, omzeggens geen boeken, enkele schriften. De speelplaats was hobbelig, er was een verplaatsbaar gemakhuisje met wankele plee en onderaan de drekput, geen waterplaats. Wie aan een natuurlijke behoefte moest voldoen trok zich terug achter een vlierstruik die in de hof stond van de Paters Karmelieten.
's Zomers was het onhoudbaar van de warmte en 's winters verging men van de kou. Het kon ons niet schelen. Wij hadden erger gekend, de oorlog was achter de rug en wij konden tegen een duwke. Heel Ieper was 's winters een echte modderpoel en bij droog weer heersten er echte zandstormen.
Maand na maand verbeterde het en in 1923 stonden veelal nieuwgebouwde scholen klaar. De akeligheid was dan achter de rug en men ging welgemoed het nieuwe leven tegemoet. De weg was weer gebaand en men kon vooruit” (3).

Ook Louis moest het stellen met een houten barak. Zij behoorde tot het voorlopig Gasthuis op de Kalfvaart.

  1. Archief O.C.M.W. Verslagboeken. 26 juni 1920.
  2. De delegatie bestond uit 10 personen: Arthur Butaye en Aimé Gruwez uit Poperinge; Jules Versailles en Edouard Toussaert, vader, uit Oostende; Robert Froidure en Armand Donck uit Brugge; Arthur Delie en Georges De Coene uit Brussel. Verder waren er nog de advocaten Robert Glorie en Joseph Van der Mersch, en de volksvertegenwoordigers, Burgemeester Colaert en M. Glorie (Het Ypersche, Weekblad voor Yper. Jg. 20, nr. 51. 16 maart 1940).
  3. Tamboryn Paul o.c. 'Het Volksonderwijs in de vorige en bij het begin der XX° eeuw'.

3. KATE

Vader Van der Ghote had zich vanaf 1917 te Poperinge gevestigd. Hij hernam er zijn dienst als provinciaal ingenieur. Hij was goed geplaatst om zijn gezin vanuit Glasgow zeer vroeg naar huis te halen. Hij liet het naar Poperinge komen in mei 1919. Met kerstmis 1920 was zijn huis aan de Bascule klaar en gans het gezin kon de herbouwde woning betrekken. Die was identiek aan de vorige. Ze was wel niet geplaasterd en nog maar half gemeubileerd.

Louis kwam er aan huis. Eind juni 1920 had hij de ingenieur reeds ontmoet bij zijn benoeming op de vergadering van het Bestuur van de Burgerlijke Godshuizen.
Stilaan geraakte hij ingeburgerd te Ieper. Met een Sarolea of een Harley - Davidson ‘paradeerde’ hij door de stad. Heel stoer toerde hij daarbij langs de IJzer en door ‘Bachten de Kupe’.

Zijn huishouden werd verricht door dienstpersoneel van het Hospitaal. Hij had, naar zeggen van Zuster Madeleine van het Gasthuis, een ‘vuile’ werkvrouw. Deze zorgde voor zijn ontbijt. Het noenmaal nam hij in het ‘Hôtel Ypriana’, buiten de Menenpoort, samen met de eeuwige jonggezel, apotheker Arthur Gaimant (1)

Bij de Van der Ghotes maakte hij kennis met de dochters. Mimi was nog een kind maar je had er Elisabeth en Cathérine.
Lily had haar diploma als verpleegster bij het leger behaald. Op 11 november 1919 nam zij ontslag uit het militair 'Hôpital Anglo-Belge' te Brussel. Zij was nu ‘vrij’. Tijdens de oorlog had ze vanaf 26 april 1915 in het 'Hôpital Elisabeth' te Poperinge gewerkt, nadien in het 'Hôpital Cabour' te Adinkerke (2). Zij was door alle geneesheren gegeerd voor haar vriendelijkheid. Allen met wie zij gewerkt had behielden steeds de beste herinnering aan deze kwieke juffrouw (3). De oorlog had haar nieuwe boeiende kontakten geschonken. Voor haar stond het leven open, alles kon nu verwacht worden.
Bij Kate was het anders verlopen. Ook zij was nu thuis, eerder terughoudend. Had zij reeds een piano? Het was haar enige hobby. Zij had van haar 14 tot 18 jaar op huurkamers gewoond in Glasgow en was te Edinburg in een aristocratenpensionaat op school geweest. Door kinderoppas was zij veel in contact geweest met de hogere burgerij. Zo had zij aangevoeld wat zij verloren had.
Terug in Ieper voelde zij zich daarenboven als een vreemde, als een ‘displaced person’. Zij trok zich steeds terug. Zij was steeds defensief ingesteld. Uit haar oorlog had zij vooral ascese meegebracht. Nochtans had zij in Glasgow reeds wat succes gekend. Toen een zekere Jimmy naar haar vroeg liet zij haar moeder zeggen niet thuis te zijn en ging zich dan parmantig aan het balkon zetten. Soberheid, strengheid... stijfheid. Totaal verschillend van Lily.
Haar ascese zou haar het hele leven achtervolgen in voeding en woonst. Kale muren hinderden haar niet. Enkele reproducties van kunstwerken waren haar voldoende. Voor wat betreft het eten was het identiek. Voeding was van secondair belang en vasten kostte geen moeite als zij voor het souper maar haar eitje kreeg.
‘s Ochtends geraakte zij maar op dreef na een appel geknauwd hebben. “An apple a day takes the doctor away”, zogezegd voor een gemakkelijke stoelgang. In feite had zij hypoglycaemie, een te kort aan suiker in het bloed. Dit veroorzaakt steeds een wat chagrijnig pessimisme. Hiervoor was de appel nodig.
Was dit laatste niet eerder genetisch bepaald? Had Moeder Van der Ghote- Laviolette meer appels moeten eten? Er wordt verteld dat ze wel een zwartkijker was, reeds vóór de oorlog.

Louis zou ook nooit oog hebben voor het schone in zijn woonst maar smakelijk eten was voor hem belangrijk. Hij kwam eerder onder de charme van Lily. Haar natuur paste met de zijne. Hij was ook eerder gemakkelijk en aangenaam in de omgang. Een goed glas, een lekker diner, een fijne sigaar! Het leven kon zo mooi zijn. Ietsje naïef, was hij in zijn contacten vrij en open zodat hij gemakkelijk voor schut gezet kon worden.
Louis kwam bij de Van der Ghotes ‘s avonds steeds voor Lily maar Kate haalde het. “Tijdens het gesprek had Lily het over futiliteiten. Dit was het echte leven niet. Op dit ogenblik hebben wij elkaar aangekeken en ik zag dat zijn keuze gevallen was” vertelde zijn vrouw nadien. Louis zou het met Kate stellen. Dit was dan wegens haar principiële ingesteldheid.
Hun karakters waren nochtans gans verschillend. Wat hen bond was hun verleden, hun jeugd, bij beiden kapot geschoten. Hij had zijn toekomst verloren, zij haar background. Er bleef alleen nog de ontgoochelende maatschappij.
Beiden hebben dan een burcht opgebouwd. Zij zouden hun gezin verdedigen tegen elk mogelijk dreigend onheil. Vooral geen nederlagen meer! Samen een mooie toekomst, wars van hun vreselijk verleden!

  1. Zijn neef, ook Arthur, zou later huwen met een dochter Van der Ghote.
  2. Militair dossier Louis Ronse.
  3. Dr. Alexander, professor aan de ULB, sprak zelfs nog in 1970 over haar, met wat ontroering.

4. EEN GROOT HUWELIJK

Een van de eerste ‘grote’ huwelijken in de stad? Met een sliert koetsen voor het bruidspaar en de genodigden? Ieper was nog een woestenij. Echter geen slijk op de wegen want het vroor duchtig op 30 januari 1923. Welke kerk? De kathedraal was nog maar in opbouw (1). Het huwelijk gebeurde in de barak op het Minneplein. Er zijn geen foto’s bewaard gebleven. Was er wel een fotograaf? Anthony die het puin fotografeerde was er maar dit was het verleden. De jonggehuwden hebben zich nadien laten fotograferen door Barbaix in Gent. Die zou de officiële gezinsfotograaf worden.
Het huis Van der Ghote aan de Bascule werd voor die grote dag koortsig in orde gebracht. Daags voordien moest nog de kroonkandelaar gehangen worden. Elektricien Lacante was bij het aanbrengen ervan, vergeten een koord te spannen tussen het ladderstel. Catastrofe! Hij kon zich nog net aan de armluchter vastklampen maar man en luchter kwamen op de grond terecht. Vlug moest men dan naar Kortrijk om een nieuw licht te halen.
Waarschijnlijk werd de bloemenruiker met orchideeën ook wel niet in Ieper gekocht.

Het waren twee families van gelijk sociaal niveau. Op deze eerste familiereünie na de zondvloed ging het er zeer gezellig aan toe. Een menu met vele gangen tot aan de avond. De elektriciteit viel uit en broer Edmond beijverde zich bij middel van kaarsen. Wasdruppels op toiletten!

Moeder Ronse-Van Bogaert had de 'vin triste'. Wegens de goede wijn zag zij alles somber. Talrijke slabbetjes zouden nu moeten gebreid worden. Zoveel werk zag ze niet zitten.
Iedereen was natuurlijk met de trein naar Ieper gekomen. Oom Clément Van Bogaert, hoofdingenieur van de Belgische Spoorwegen - hij werkte nog voor Leopold II in China - is bij de terugkeer ‘s nachts in zijn coupé ontwaakt in het rangeerstation te Schaarbeek.
Iedereen heeft van het feest de beste herinnering overgehouden.

Na het diner zijn de jonggehuwden arm aan arm in het vriesduister langs de Basculestraat naar hun woonstee getrokken. Dit was barak nr. 5 naast het gasthuis. Geen huwelijksreis! Op 1 februari was Louis reeds op de consultatie van het Gasthuis (2).
Vóór zijn huwelijksmis zou Louis 's ochtends naar het Gasthuis geweest zijn voor een ‘plaaster’ - Zuster Madeleine beaamde dit. Er werden dan zelfs twee beenfracturen behandeld. In het consultatieboek staat niets op die datum. Normaal! Enkel de consultaties waar een verdoving bij te pas kwam, werden geboekt.
Cathérine klaagde hierover later wanneer haar echtgenoot wegens zijn beroep meer tijd besteedde aan de brave nonnetjes dan aan zijn vrouw.
Ze woonden in een barak met twee ruimtes, zoals tijdens de oorlog. Het zou bijna vier jaar lang hun veilige vesting worden. Hier zou ook hun eerste telg op 21 november 1923 geboren worden: Léon, genaamd naar de grootvader.

  1. De heropbouw van het Belfort start slechts in 1931.
  2. Consultatiedossiers O.L.Vrouwhospitaal Ieper.

5. EEN HUIS TUSSEN PUIN

De ruwbouw van het nieuw gebouwde huis op de Kalfvaart zou pas op 15 december 1923 klaar zijn.
In deze woonst stak wat tweeslachtigheid. Uiterlijk was het verzorgd, groots, maar binnen was het eerder kaal, zonder veel warmte. Louis Ronse had vooral aandacht voor de praktische kant, niet voor het decorum. Bouwmateriaal, houtwerk, plaveien waren ook eerder banaal, aan de goedkope kant. Er werd nochtans betaald voor beter materiaal.
Als aannemer in de verwoeste stad verdiende de schoonbroer gemakkelijk geld. Hij was nochtans ingenieur in bruggen en wegen, zelfs met de toen nog zeldzame specialiteit in elektriciteit.
Houtbekleding moet je kunnen strelen, vooral het snijwerk, deuren moeten er solide uitzien. Er is ook niets mooier dan een marmeren vloer, wit-zwart blinkend. Die was er niet. Het had moeten zijn als bij onze ‘tante’ Simone te Gent (1). Hier bestond de inkom van het bescheiden huis aan de Visserij, uit glanzend met zwart marmeren plaveien waarvan de monotonie doorbroken werd door kleine witte marmersteentjes. “O kijk papiertjes!” en ik probeerde ze op te rapen. Schoonheid is poëzie voor kinderen.
Ook behalve het meubilair was hier weinig voorhanden, alles eerder kaal. In de wachtkamer voor patiënten hingen wat zuinige reproducties van beroemde meesterwerken, ergens in stad gekocht in een pas geopende boekhandel. Ook geen souvenirs uit vroegere tijden. Er was zelfs geen behoefte aan. Louis had van thuis niets meegebracht - zijn vader was nochtans gevoelig voor het mooie en een grote verzamelaar; Kate had have en goed verloren in het oorlogsgedoe. Bij hen was er vooral onthechting, een beetje onder de invloed van de loopgraven aan de IJzer en van het wonen op een gemeubileerd in het immense Glasgow.
In het huis trok één kadertje, 20 op 15 cm, onze aandacht: Pasteur aan zijn werktafel. Het hing in de consultatiekamer boven een bunsenbrander. Zo was er dag en nacht een gasvlammetje, steeds klaar om urinestaaltjes op te warmen. Dit was vooral voor de kinderen belangrijk. Cathérine vond dit vlammetje verkeerd en ook gevaarlijk; na een beginnende brand kreeg ze gelijk.
Mooie stukken kwamen enkel door erfenis in huis. Eerst was het van ‘nonkel pastoor’ te Zedelgem, evengoed kunstkenner als wijnproever. Daarna was het van notaris Landrieux, de intieme vriend die zich terugtrok in de abdij van Zevenkerken. Hij verzekerde er zijn ouden dag mits schenking van enkele hoeven aan de paters.
Het mecenaat was hen totaal vreemd. Tussen de twee wereldoorlogen waren enkele kunstenaars werkzaam te Ieper, zelfs een fijne delicate symbolist. Zij hebben van op de Kalfvaart niet veel aandacht gekregen.
Ook de antiquairs kwamen niet over de vloer. “Het zijn al dieven” wist moeder te vertellen... als excuus?
Schoonheid was in hun leven secondair. Bleef de oorlog hier duren?

  1. Tante Simone zal je niet in de genealogie Ronse terugvinden. Goede vriendinnen van je moeder krijgen deze eretitel, ten teken van intimiteit. Simone Beke was een late afstammeling van een liberaal burgemeester van Ieper. Haar huis was een oord vol herinneringen en souvenirs uit vroegere zalige tijden. Ze spaarde deze weigerig... tot ijverige neefjes die zich om haar lot bekommerden, voor hun tante in een rustoord een deftig onderkomen vonden. Er werd een container besteld om al die rommel naar het stort te voeren. Dit wekt het gevoel dat je vroeger kreeg wanneer je met de trein te Brussel het Zuidstation binnenreed. Hier stond een fabriek met daarop in koeien van letters: “Achat d'archives, destruction garantie”. De fabriek is er niet meer maar wie ziet het verschil tussen archief en rommel?

Hoofdstuk 12

EEN VEILIG TEHUIS

1. MY HOME IS MY CASTLE

Het huis had twee ‘woonsten’. Louis leefde vooral in de werkruimte, Cathérine in de woonplaats. Beide ruimtes waren even groot, even belangrijk.
Het werkbureel met de hoge bibliotheekkasten, kubieke meters boeken, de onderzoeksruimte, de kleedboxen, de grote en de kleine wachtkamer besloegen, juist gemeten, de helft van het gebouw. Vaders domein! Het was de plaats voor onderzoek van patiënten tijdens de dag, en voor een boek met een fles wijn en smakelijke sigaar ‘s avonds. Hier mochten de kinderen niet binnen en de echtgenote kwam er ook weinig.
Haar domein was de hall, de suite, de 'grote' wachtzaal, de keuken, de kelder - de wijnkelder uitgezonderd - de 'boven' en de zolder en wat nog? Deze ruimtes waren voor de dokter van minder belang.
Twee domeinen, eerder geïsoleerd van elkaar maar ook niet gericht naar buiten. Weinig contacten, weinig relaties. In het doktersbureel kwamen patiënten - toch een navelstreng naar buiten!
De woning werd gebouwd tegenover het Hospitaal aan de overkant van de Wieltjesgracht. Louis had enkel maar de straat over te steken. In 1924 was het nieuwe hospitaal echter klaar. De barakken verdwenen en tot 1950 bleef de ruimte onbebouwd, niet meer belangrijk voor de dokter.
Het nieuwe plein was nochtans aantrekkelijk voor de kinderen. Van hier uit had je een goede uitkijkpost op de stad, een enig panorama op het echte leven. Dit mocht echter enkel bekeken worden van onder de venstergordijnen.
Op het plein van de Kalfvaart waren er buren die in enkele profijtige tuintjes hun aardappelbedden ophoogden en boontjes zaaiden. Er was vooral ook de buurtjeugd die in het no mans' land grote veldslagen leverde. De vlakte lag gans open voor de Westenwind. Wanneer er op zee tempeest was lagen wij, kleine snaken, te luisteren naar de wind die tegen de gevel aanbotste. Het was de ‘Bietebauw, zonder lip of zonder tand!’ uit het liedje dat Marie Andries, de linnennaaister, voor ons zong.
Aan de grens van deze vlakte, op het verre eind, was er de Pennestraat. Hierin zouden tijdens de Meidagen 1940, verschillende huizen verwoest worden. Tussen hun aan stuk gescheurde muren vertoonden ze hangende plankenvloeren. Hierop bedden en meubilair in precair evenwicht, midden fladderende gordijnen en beddenspul. Alles kon dan op elk ogenblik naar beneden donderen. Dit was echter op afstand, als in den vreemde.
Tijdens de Duitse bezetting kon je er ook elke morgen de schaapherder, midden zijn kudde, voorbij zien stappen. Hij kwam vanop de vestingen, dan de straat over, naar de Wieltjesgracht. De kudde liep dan langs het plein vóór het huis. Dit plein was echter niet geschikt voor de schapen, die trokken enkel voorbij.
In de voormiddag zag je er de melkboer met zijn hondenspan, de groentenboer met zijn stootkar. Daarbij ook :"Scharesliep, Scharesliep" en "Keuneveln, Coninellen!" en 's avonds:

"Jantje komt, Jantje komt,
Jantje de lantarenman,
vroeg en laat
op de straat,
om te zien hoe alles gaat".

Steeds op afstand, als lichtbeelden. De kinderen kwamen enkel buiten wanneer ze met moeder tegen elf uur op boodschap gingen.

2. ONTSNAPPEN UIT DE BURCHT

De kinderen bleven dus binnen moeders burcht, op straat waren het ‘droevaartjes’(1). Met hen was alle contact verboden: ‘dit betaamde niet’ vond ‘Madame Ronse’. Ze wist echter niet dat er uitgebreide conversaties aan de gang waren achter in de tuin over de muur. Haar kinderen wisselden hier hun schatten uit.
Achteraan waren er nog grazende koeien en wat verderop de ‘Cité Jardin' van de Kalfvaart. Hier woonden de ‘droevaartjes’. Dit was immers een sociale wijk, in 1919 geconcipieerd door architect Acke, naar Engels voorbeeld, in de tijd dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken dergelijke constructies promoveerde.
Er was nochtans een betere mogelijkheid om aan 'de burcht' te ontsnappen. Bij de Pennestraat woonde de ‘Molinne’ alias Marie de Mol. Wie kent haar officiële naam? Zij was vóór 1914 waardin in ‘Café De Mol’ aan de Basculestraat en buur van grootvader Van der Ghote. Van daar die naam! Met haar mochten wij de straat op.
Meestal ging ze dan ‘dienen’. Dit was optrekken naar haar heilige, St.- Bartolomeus op ‘Hoge-Zieken - St.-Jan’. Dit is de man die zijn slip oplicht om zijn etterende wonden ten toon te stellen. Waarschijnlijk had Marie een ulcus door spataderen. Om die te helen is er veel, zeer veel tijd en geduld nodig, zelfs voor St.-Bartolomeus.
Als beloning voor het gezelschap kocht zij voor ons in een rustiek kruidenierswinkeltje, juist geteld voor elk één bonbon. Zij eiste een verpakking en zo de winkelierster te zuinig was scheurde zij stante pede minstens één vierkante meter papier van de rol. Indrukwekkend!

Gedurende de pelgrimage zagen we ze soms stilstaan, de benen gespreid boven een afvoerputje. Het is gemakkelijk wanneer je een dringende behoefte voelt en je geen broek aan hebt. Ik dan: “Marie zou je niet beter langs de andere kant van de straat lopen? Voorbijgangers zouden kunnen denken dat je onze moeder zijt !” En het braaf mens deed wat gevraagd werd. De wandeling ging dan verder, zij langs de ene en wij langs de andere kant van de straat.
Grootheidswaan? Wanneer je in een ‘burcht' woont is het niet toegestaan om op die manier jouw behoeftes te doen. 'De burcht' was voor de kinderen als het paleis van Dorenroosje of Sneeuwwitje en zelfs nog meer. Ik herinner mij dat ik in het paleis te Laken graag een plaatsje had gekregen. Een kinderwens! Steekt hierin echter niet ietsje van ambivalente, verscholen moederlijke ambities? Was de burcht waarin wij woonden niet voldoende?

  1. droef = boosaardig (DeBo: Westvlaams Idioticon).

3. RASPOUTIN

In principe was de tuin in de 'woning site', dus het domein van moeder. De tuinman heette Rexpoed. Hij kwam ergens van over de grens, Godewaardsvelde of zoiets, en de kinderen hadden hem herdoopt tot Raspoutin. Dit klinkt mooier.

Wath's in a name? Moeder had niet veel te zeggen. Hij plantte overal loten van grootbladerige Viburnum struiken. De scheuten kan je zeer gemakkelijk afleggen en de Viburnumtelgjes deden het uitstekend. De plant nam stilaan een exponentiële uitbreiding met gevolg dat de struikenkweker even gehaat werd als de plant. "Hij doet het met opzet" zuchtte Kate.
In feite had ze wel gelijk. Hier kwam waarschijnlijk wel onbewuste camouflagetactiek aan bod. Al haar bevelen kregen steeds een zelfde laconiek antwoord: "Zoals gij wilt, Madam, 't zijt gij die commandeert!". Daartegen kan je niet op.
Gelukkig verscheen toen Mister Watson en moeder kreeg gelijk. Mister Piper, opziener bij de ‘Imperial War Grave Commission’, introduceerde hem. Weldra zou Piper even gewaardeerd worden als Moeder Overste van het Gasthuis die steeds goede huismeiden opzocht.
Watson kon bovendien diplomatisch goed spitten. Vier jaar vechten in het ‘Ypres salient’ heeft de Britten voorzichtigheid geleerd. De tuinman kreeg zelfs medezeggenschap bij het herstellen van Raspoutin’s ‘battlefield’.
In mei 1940 is Mister Watson op het nippertje langs Duinkerke kunnen ontsnappen aan de bruinhemden en ander grauw gespuis. Vanaf dan was de glorietijd van de tuin echter ook voorbij.
Het gazon werd patattenveld en in de ‘zandhoek’ van de kinderen werd 's winters de voorraad wortels gedolven. Zo was het menu dan soms: wortelsoep, aardappelen met wortels gevolgd door worteltaart.
Na de oogst konden de kinderen ook op het aardappelveld voor het vaderland vechten, loopgraven delven en bunkers van gedroogd aardappelloof optrekken. Nadien mochten er ook tuintjes in aangelegd worden.
Hier heb ik dan het vakmanschap aangeleerd voor het zaaien van bonen en erwten. Je kon daarbij ook in een hoekje salade en zelfs een op straat gevonden irisknol planten, of viooltjes van bij een buur. Er was ook een per toeval ontdekt klavertje vier. Spijtig dat ik in mijn jeugdige ondeskundigheid, dit geluksplantje niet hebben kunnen voortplanten.
Dit was dan ‘le jardin de ma mère’. Ze kreeg hier echter ook concurrentie van haar man. Had hij van Raspoutin geleerd hoe het moest?

4. ORTHOPEDIE IN DE TUIN

Vader had de tuin laten aanleggen. H. Casier - een oud-leerling van de Koninklijke Hofbouw School te Gent - was tuinbouwer op de Brugseweg. Dit bedrijf kwam weldra helemaal in de stad te liggen, omgeven door woningen.
Op 18 juli 1924 had hij een tuinplan klaar, typisch voor die tijd. Een gazon middenin, afgeboord met struiken, waartussen dan bloemen. Dit was omgeven door een weg waar de kinderen koerswedstrijden hielden. Links achter was een parterre met een treurwilg die respectabele afmetingen zou aannemen, er naast in het midden een beuk in struikvorm en rechts een groep azalea's tussen sparren.

Voor Dokter Ronse was esthetiek minder belangrijk dan de zorg voor het gedijen van de planten. Een katalpa groeit vlug en gemakkelijk. Achteraan stond er een met dubbele stam. Prachtig! Ook voor de kinderen een zeer interessante boom. Je kon hierlangs gemakkelijk over de muur.
Een stam raakte echter de door pannen bedekte muur en er was wat kans voor schade. De katalpa moest in goede banen geleid en grote broer Léon werd door vader gevraagd een van de stammen af te zagen. Dit was echter een intrusie in moeders tuin. Drama! De stam zou bewaard worden om er een kruis van te maken, later op haar graf.

Zij had het niet begrepen. Vaders tuin werd een laboratorium, een veld voor orthopedische experimenten. Bij het opstaan was er zekere dag een keurige Japanse appelboom gegriffeld met ‘Belle Fleur’-appels. Weer een niet toegelaten intrusie in moeders tuin.
Deze chirurgische ingrepen waren echter eerder zeldzaam. Boeiend werd het wanneer enige ziekte kon gediagnostiseerd worden. De beuk, centraal achteraan, gedijde niet. Was het omdat de boom geplant werd in grond waar voorheen nooit een beuk gestaan had, zodat hij het noodzakelijke virus miste? Vader beweerde dit stellig. De beuk stond echter in opgehoogde grond, midden puin uit 1914-18. Slechts zijn derde vervanging zou slagen. Was het dank zij het goede virus?
Uiteindelijk werd het bijna een belangrijke boom voor de streek van Ieper. De 'grote oorlog' had hier alles vernield. Er waren geen bomen meer. In 1975 werd er naar geïnformeerd in het kader van een artikel over bomen (1). Men dacht dat het een buitengewoon exemplaar was. Uiteindelijk heeft men dan de beuk van het huis Tack gekozen.

Een mooie uitvinding in 1945: DTT! Als soldaat had Louis afgezien van venijnig gespuis. Dit bestond nu niet meer. Een stofwolkje spuiten vooraan en achteraan in de broek van militairen was voldoende.
Kon dit toegepast worden op planten?. Dokter Louis wilde een kwijnende spar er bovenop helpen. "Te veel mieren" en duchtig werd met DTT gespoten. Hij wist niet dat dit product in de natuur niet ontbonden wordt. Het is niet geweten of dit product de boom veel vooruit geholpen heeft. Hij is zachtjesaan gestorven.

Vader was Gentenaar, telg geboren tussen bloemenkwekers, tussen Gentse plantenkenners. Te Gent waren het laurieren en vooral azalea's. De Ieperse tuin kreeg een glorievolle kleurrijke hoek, achteraan tegen de muur. Het was zo mooi dat de Tommies in mei 1940 de planten keurig verplaatst hebben wanneer zij op die plaats een loopgraaf groeven - in de muur hadden zij schietgaten gekapt.
Dit was vaders domein. Tijdens de warme hondsdagen moest er gesproeid worden. Voor de kinderen plezierig genoeg maar na de bloei wilde vader de zaden geplukt zien. Zo zou, het jaar er op, een nog betere bloei bekomen worden. Dit plukken was minder plezant.
Gelukkig voor Dokter Ronse werden ook deze planten ziek. Het bloemperk steeg meteen met 100 % in zijn achting. De diagnose moest gesteld en vooral moest uitgekeken worden naar een efficiënte medicijn.

Het ziektedossier van de Azalea mollis-groep is bewaard gebleven. De moeite om eventjes in te bladeren! Werd er gedacht aan een wetenschappelijke publicatie? Vooraan wordt het verschil gegeven tussen de ‘gegriffelde Azalea Mollis’ en de wilde ‘Rhododendron molle’. Volgt dan een plan van het parterre met de gezondheidstoestand van ieder plant. In het perk van 40 meters in het vierkant waren er op 12 mei 1972 zeven zieke planten en daarbij reeds dertien met kentekenen van besmetting.

Het wekelijkse bezoek aan de Koninklijke Bibliotheek te Brussel werd daarop minder medisch dan wel botanisch. Vooral de boeknummers 350256 R, 34.963 R, 27.120 R, 1226 R, 26.913, 787 R zijn hier belangrijk, ook wel 53.275 B. Als je deze opvraagt word je heel zeker een super-expert.
Er werd ook ijverig gecorrespondeerd. Je had het 'Nationaal Centrum voor Wetenschappelijk en Technische Documentatie', de 'Firma Bayer Gorsac', zelfs de 'Nederlanse Radio Omroep' en ‘La Libre Belgique’. Ook werden daarbij tal van bloemenkwekers geconsulteerd.
De diagnose werd gesteld en proefnemingen werden verricht met diverse producten, alles werd netjes opgetekend. Het azaleaparterre was een kliniek geworden. Kon het beter? Over de resultaten werd niets gepubliceerd. Spijtig!
De ‘tuin van mijn vader’? Te Ieper mocht van geluk gesproken worden. Louis Ronse was geneesheer tot in merg en nieren. Zijn werk, zijn ontspanning, zijn hobby, alles werd benaderd vanuit de medische methodiek.
En de tuin van de kinderen? De grote treurwilg waarin je kon wandelen, waarin de dikke takken namen droegen van straatjes en pleintjes. De rij populieren waar je als een Tarzan van de ene boom naar de andere kon ‘vliegen’? Ik heb er goed van genoten.Was dit alles uiteindelijk geen verboden terrein, slechts te betreden als de kat van huis was?

  1. Nog een zeldzame boom. 'Iepers Kwartier'. 1975 nr 2.

5. OVER PERSONEEL

Een huis met twee woonsten verbonden door één deur, enerzijds vaders 'kwartier', ernaast moeders domein. Hoe moest het personeel dan verdeeld worden?

De huismeiden werden gekozen door Moeder Overste van het Hospitaal. Die was onvervaard en zwierig, baas over haar nonnen en vooral over haar kleurig jong werkvolk. Haar waakzaam oog kon het graan van het kaf scheiden.

Een 'bovenmeid' en een keukenmeid waren werkzaam in het domein van moeder. Vader kreeg de 'bovenmeid' 's namiddags voor het introduceren van de patiënten. De enige vereiste kwalificatie was het aanvoelen zo het een cliënt was voor de 'grote', mooi ingerichte 'wachtzaal' of voor de 'kleine wachtkamer' van Jan alleman. Dit leer je snel.
Er is een korte poging geweest om een meer adequaat personage te bezigen. Een secretaresse, ditmaal door vader geselecteerd, had uiteindelijk niet zo veel te doen. Daarenboven kreeg ze enorme kritiek van Mevrouw. Na enkele maanden is 'Mademoiselle' het afgetrapt.

Louis liet zich niet in met het domein van Cathérine. De 'bovenmeid' in wit-zwart uniform onderhield de slaapkamers en introduceerde bezoekers. Wanneer je 's morgens vroeg nog in bed lag, zorgde de keukenmeid voor het regelmatig koffiemolengeknars met daarop de heerlijke koffiegeur.

Adronie, de werkvrouw, kwam maandelijks voor de was. Lakens koken in de kelder, hier laten drogen, dan te bleken leggen op het gazon, ze nogmaals laten drogen op zolder - hier kon je ertussen verstoppertje spelen - dan naar de badkamer voor het strijken en eindelijk naar de linnenkamer.
Ook het boenen en de 'grote kuis' waren voor Adronie - als er onweer was reciteerde ze met de armen wijd open op de knieën, het Evangelie van St.-Jan: "In de beginne was het Woord en het Woord was bij God...";

Remy, met het klassieke rustoordpetje, kwam ieder avond. Hij had in de kelder een plaatsje om de schoenen te boenen. 's Winters moest hij ook de centrale verwarmingsketel bijvullen met kolen.
Wekelijks kwam de linnenvrouw, Marie Andries. Zij leerde ons "de Bytebauw, zonder lip of zonder tand..." en "Klein, klein kleutertje wat doe je in de hof..." - liedjes, steeds met de dreiging voor stoute jongens. Wanneer de ouders op reis waren werd zij de babysit. Er hing dan in de living een lijst voor goede en slechte punten. Wanneer mijn broer Edouard zijn spelsaxofoon op mijn hoofd kapotgeslagen had, werd dit voor hem een slecht punt. Ik kreeg altijd goede punten.

Om de maand kwam Désiré, de haarkapper voor het ganse gezin. De ene na de andere kreeg zijn beurt in de 'kleine wachtzaal'.
Ik en mijn broer hadden pagekopjes. Dergelijk lang haar was voor jongens in die tijd gans uitzonderlijk, het hoorde toen enkel bij meisjes. Daar we echter thuisles kregen was er geen gevaar uitgelachen te worden door leefgenoten.
Na de eerste communie moest het haar er af. Ofschoon 'Disten' het keurig verrichtte vond ik het resultaat effenaf afgrijselijk. Wenend heb ik me in de tuin verstopt. Een trauma! Was 'Disten' als de haarkapper van Dalila die Samson kaal schoor? Toch niet, de bedoeling was juist omgekeerd. Het was een zich verplicht losrukken uit moeders schoot. Spijts zijn competentie is 'Disten' daar niet in geslaagd. Het resultaat zou er pas enkele jaren later zijn.

Moeder probeerde gans dit huishouden - drama's inbegrepen - in handen te houden. Haar echtgenoot keek er niet naar om.

Een geprivilegieerd persoon was de nurse met een prachtige lange hoofdsluier, gestuurd door de Brugse Vroedvrouwen Organisatie. Die mocht mee aan tafel eten, om de twee jaar. Zij was eerst gedurende een paar maand te Ieper en daarop bij bankier Cambien te Kortrijk. Die volgde hetzelfde biologisch ritme als Ronse. De eerste vroedvrouw was Juffrouw Spriet. Wanneer die in mei 1940 met een baby in de armen neergekogeld werd, werd het Juffrouw Morlion.
Er was ook Juffrouw Opsomer. Het was een lerares die door een zuster directrice buiten gebonjourd werd. Die had een nichtje, die zogezegd meer bekwaam was.
Daarop heeft de Juffrouw zich gerecycleerd. Zij begon met privé onderricht aan huis. Mooi weer, slecht weer, trok ze met de fiets naar burgerhuizen en kastelen. Met oneindig geduld probeerde zij de telgen wat kennis bij te brengen. Voor ons bleef het bij de materie van het eerste studiejaar. Het werd dan spelen met het telraam en met grote losgesneden letters. Hier was het dan van "Piet zit in de sjees" of "Jan gaat naar zee" en "Riet speelt met de pop" - het is pas later dat andere slagzinnen ons zouden interesseren zoals: "Miet was met St.-Niklaas in bed". Alles bijeen, een toch innemende vrouw, steeds bereid tot helpen.
Zo moesten wij de brutaliteit van de College-populatie niet ondergaan. Wat die in één dag leerden kregen wij in één uur. Op het College gekomen waren de resultaten echter niet zo briljant. Niet omdat we minder onderricht gekregen hadden. Wij hadden echter nooit horen spreken van wedstrijden. Dit was een totaal onbekend terrein dat we nooit geëxploreerd hadden.

6. PERSONEEL - BIS

Zeer dikwijls was er dienstpersoneel ‘van Bachten de Kupe’. Zij kwamen en gingen. Wat betreft dit laatste was het bij de ene wat vroeger, bij de andere wat later.
Er was zelfs eens eentje als een komeet, aanstonds terug weg. Na de middag lag ze er reeds uit, al wenend en snotterend. Nochtans was er een goede selectie gebeurd door Moeder Overste. Zij was pas veertien jaar oud en kwam uit het verre Leisele.
Vanaf het eerste uur ging het al mis. Wij er rond, hoorden hoe haar ekster nu thuis verkommerde zonder te kunnen converseren. Hoe hij het meest nodige zou deren. Een drama! Als oplossing hadden wij de ekster er wel bijgehaald. Moeder was echter wel meer doortastend. Niet de vogel maar zijn bazinnetje mocht de touristen-route nemen, langs de beemden ‘bachten de Kupe’.

Twee huismeiden woonden in. Om beurt kreeg er een ‘s zondags vrijaf van 14 tot 18u. Waar moesten zij naartoe? Misschien kon je met de tram heen en terug naar Boezinge maar Leisele lag op een halve dag reizen. Een zeldzame werd door haar vrijer afgehaald maar dit paste niet. Zij bleef niet lang.
Hun kamers waren op zolder: een grote ruimte - in de winter te koud, in de zomer te warm. Het was een balzaal met profijtige withouten meubeltjes. Een logement dat nochtans meer luxe bood dan bij de dienstmeiden thuis.
Een wit gordijn deelde de ruimte in twee en werkte vooral inspirerend op de kinderen. Als in een theater! Hier werden dan drama’s opgevoerd, zelfs met publiek. Bij vaders naamfeest waren de ouders de toeschouwers, zelfs soms een genodigde. Deken Verhaeghe was dikwijls de supporter.
Er werden dan ook geschenken aangeboden. Dit waren steeds grote vellen papier met tekeningen: "Wie werkt voor vrouw en kind en wordt door hen bemind? 't Is vader!".
Voor ons, kinderen, waren niet alleen die zolderkamer maar vooral de huismeiden zelf belangrijk. In onze burcht, onder het waakzame oog van moeder, openden zij voor ons nieuwe werelden. Malvina, Irène, Nadja Petillion, Blanche Baratto, Maria Doolaeghe - waarom is bij enkelen de familienaam bijgebleven?
Zij zorgden zelfs voor inspiratie. Na het middageten hielp ik immers bij de vaat. Hier had je Malvina die wist van waar de kindjes kwamen. Zij zong daarbij zo mooie melopeeën, steeds droevige: “Bij de muur van het oude kerkhof stond een knaapje droef en klein, zuchtend tot zijn vadertje ‘Wanneer komt moeke weer?’... Moeke is gaan slapen en komt nimmer weer”... Ik ben ongelukkiglijk haar familienaam vergeten.

7. OVER ETEN EN NOG WAT

De tafel werd goed bevoorraad maar de keukenmeid volgde een vast menu, steeds identiek voor gans de week. Worst, kalfsrib, stoofvlees maar op vrijdag was het steeds een grote zalm of tarbot - nu kost dit een fortuin. s' Zaterdags 'bouilli', dit gaf bouillon voor de soep van de volgende dag.
Gewoonlijk werden 's avonds de koude resten van het middagdiner opgediend met gebakken aardappelen. Hier was een speciale pan voor gereserveerd. Die werd slechts een tweetal keer per jaar schoon gemaakt. Nooit kunnen wij echter nog genieten van die uitzonderlijk goede smaak. Wij zijn slachtoffers van de cholesterol!

In de voormiddag mocht je in de keuken niet binnen. 's Zomers, tijdens de vakantie, kreeg je vanuit het venster jouw glas bier gemengd met een rauw ei en suiker. Dit was om te ‘verkloeken’. Pas tegen de middag was de keuken toegankelijk. Dan mocht je na de school in het heiligdom kijken naar de laatst geboren baby, etend op de schoot van moeder. Dit was evenzeer uit sympathie als uit gulzigheid. Baby kreeg geplette aardappeltjes met boter en wat melk en ei erin. Wanneer er te veel was mocht je het bord uitlikken.
Dit was even lekker als de taartjes van bij Van Daele, een patisserie tegenover het Stadhuis. Zijn vrouw heette Missis Dunn om toch maar de ‘english acquaintances’ te onderstrepen. Dit was belangrijk voor moeder.
Wanneer er thuis feest was kwam Julie, de kokkin van 'tante van de burgemeester'. Ook steeds hetzelfde menu: tomatensoep waarin je de tapioca balletjes kon vissen, bouchée à la reine, daarop ossentong in tomatensaus met vooral aardappelkroketjes. 's Morgens lagen die reeds op de keukentafels netjes de één naast de andere, als onze soldaatjes in strikte lijnen.
Natuurlijk was Van Daele er dan ook. Die kwam rond vier uur aanbellen met het roomijs. Een prachtige verpakking! Grote groene cilindervormige vaten met een dubbele wand waar ijsbrokken in gestapeld werden. Een deurtje dat gesloten werd door een staafje dat veiligheidshalve met een kettinkje aan de doos vast zat. Dit was het meest boeiende van gans het stel.
Eens per jaar, op 15 augustus, kwam ook nog een taart in huis. Niets te maken met Van Daele! Een trouwe cliënte wilde het Onze-Lieve-Vrouwtjes- feest vieren. Ze kwam telkens per fiets, langs de snikhete wegen vanuit Oost-Nieuwkerke. Op de bagagedrager bracht ze ons een crème-au-beurre taart, door het vervoer duchtig plat geschud. Voldoende 'kloekte' voor gans het gezin.
De wijn behoorde echter tot vaders domein. Een geheime kelderkamer, als bij Blauwbaard steeds op slot, waarvan de grote ouderwetse sleutel aan een speciaal haakje in de keuken hing. We mochten er niet binnen, maar wie stout was kon er in opgesloten worden. Ambivalentie van een straf die dan toch de beloning van het betreden inhield?
Hier kwam Cathérine ook niet binnen. Er was wel geen verbod dit te betreden maar zij zette het sacrale van de wijn steeds op de helling. Episodisch dronk ze een Troplong-Mondot die ze duchtig suikerde. Die heiligschennis daargelaten gaf ze haar man volledige vrijheid deze kelder te vullen.

In mei 1940 heeft een Britse staf gedurende een paar dagen Ieper verdedigd. Met rede hebben ze van die wijn geproefd. Zij dronken uit de oude glazen 'Léopold Val-St.-Lambert 1850'. Niet eentje werd gebroken. De ordonnansen wasten ze regelmatig af en plaatsten ze veilig, hoog boven op een kast tijdens de beschieting. Verry British!
Uiteindelijk hadden ze meer respect voor de wijn-ritus dan Mevrouw Ronse. Wij mochten immers met dergelijke glazen mis spelen. Door de processies, de consecraties en de zegeningen is de reeks heden ten dage niet meer volledig.

'Bachten de Kupe' was het ook lekker eten. Met de fiets trokken we in de zomer naar een hoeve van vader. Zij lag midden de brede, vlakke velden in een wazige damp onder de glorierijke zon. Er boven steeds de leeuweriken!
Ik mocht bij de maaltijd aanzitten. Het was op een ereplaats, aan het uiteinde van de lange tafel. De boer zat aan de overkant, dan de jongens rechts, de meisjes links. De boerin serveerde. Iedereen moest zwijgen maar ik, snotneus van twaalf, converseerde met de baas. Toch niet zo gezellig!
Maar wat alles goed maakte waren de zalige reuzelboterhammen. De boerin sneed ze met een mes waaraan een metalen verlengstuk paste tot aan de elleboog. Zonder die steun kon je die halve meter brede broden immers niet aan. Het snijden kon echter pas nadat met het mes op het brood een kruisje getekend werd. Daarop dan smout en brede schellen hesp uit de pekel. Dit was een feestmaal! Nooit kreeg je dergelijke kost - 'Vlaanderen, o welig huis, waar we als genodigden zitten aan rijk beladen taaflen'... Zout, gesmolten reuzel, vette hesp! Dit was rijkdom!

8. CYCLISCHE BEURSSCHOMMELINGEN

Rijkdom! Als enig chirurg voor Ieper, Poperinge en zelfs Veurne verdien je natuurlijk goed geld. Dit was nooit een doel op zich en kwam er zo maar bij. Geneeskunde had nog geen administratief-financiëel keurslijf. Louis Ronse verzorgde de cliënteel van de COO gratis. De chirurg kreeg hiervoor in 1922 jaarlijks 2000 fr.
De welstellenden betaalden voor de dompelaars, zowel op de privé consultatie als bij hospitalisatie. Je kon immers opgenomen worden in het Gasthuis in een ‘bijzondere kamer’. Vanaf 1922 was er ook de kliniek van de 'Zwarte Zusters’. Hier moest alles door de patiënt zelf betaald worden.
De arme werd in het Gasthuis gratis verzorgd maar kreeg er somtijds nog iets bovenop! Eentje had er over geklaagd geen voertuig te hebben - was het een groentenboertje of een ijzerventer? - hij verliet het hospitaal met een ezel en een karretje.
Zuster Madeleine, de secretaresse van het Gasthuis, vertelde dat Dokter Ronse geraadpleegd werd voor een amygdalectomie. Hij keek meewarig naar de jongen en zegde de vader: "Geef hem eerst drie maanden te eten". De amygdalen werden later geplukt en de vader kreeg zelfs wat geld mee.

Een mensenleven wordt bepaald door cyclische veranderingen, zoals de natuur met het herleven, het bloeien, het sterven. Als botanicus was Louis Ronse gevoelig voor dit gaan en keren bij de planten. Ook zijn er bij de mens lichamelijke cyclische wijzigingen. Dit is een essentieel fysiologisch fenomeen. Naast die organische cycli zijn er ook culturele psychosociale schommelingen.
Louis geloofde in de impact van die wijzigingen op de economie: de zeven vette jaren gevolgd door zeven arme. Tot aan de catastrofe van 1929 volgde hij daarom de beurs van zeer dichtbij. Hij heeft papieren nagelaten waarop mooie curven getekend staan. Zelfs toen hij na 1929 niet meer in de beurs belegde heeft hij dit voortgezet. Tal van mooie grafieken! De conclusie? Een mysterie?
Ondertussen had hij wel wat geld verloren maar zo erg was het niet. Op school vroegen onze kameraadjes of het juist was dat wij thuis een kamer hadden belegd met goud en een tweede met zilver. Het was juist, de ‘grote eetkamer’ had een behang waar zilver met blauwe en zwarte tinten meespeelden - een beetje 'Art Nouveau' en de ‘grote wachtzaal’ had een goudgekleurd, geribd papierenbehang.
Op aanraden van zijn vrouw heeft onze chirurg dan toch vooral hoeven gekocht. Gronden brengen niet veel op, echter wel als je ze goed kan verkopen. Uiteindelijk was dit voor vader niet belangrijk en heeft dit enkel de kinderen geïnteresseerd... vele jaren nadien.

Hoofdstuk 13

EEN GOEDE OPVOEDING?

1. 'LA QUESTION FLAMANDE A REBOURS'

Werd Louis tijdens de oorlog geconfronteerd met de 'Vlaamse kwestie'? Honoré Van der Ghote, schoonbroer van Louis, kwam uit een zeer open milieu. Zijn vader, Léon Van der Ghote, was katholiek en sociaalvoelend. In deze optiek was hij zeer ontvankelijk voor het Vlaams streven.
Als ingenieur kwam zijn zoon Honoré tijdens de oorlog terecht in een louter Franssprekend officierenmilieu. Hier werd hij geconfronteerd met hun soms hautaine houding. Hij werd Franssprekend flamingant. Na 1914-18 trad hij zelfs toe tot de Frontbeweging.
Cathérine Van der Ghote onderging die evolutie natuurlijk niet. Zij heeft zich echter moeten aanpassen aan haar echtgenoot.
Vanaf de wieg was Louis extreem flamingant. In de kinderjaren dweepte hij met dit ideaal, aan de universiteit werkte hij bewust mee aan 'Vlaanderens groei'. Daarop was hij soldaat met en tussen de piotten. Bij het verzorgen van soldaten spreek je de taal van de patiënt. Uiteindelijk werd hij in het leger niet geconfronteerd met het talenprobleem. Wel heeft hij de Vlaamse frontbeweging gekend en er afstand van genomen. Het ergerde hem. Het was verraad.
Daels was er de oorzaak van. Louis had zijn vertrouwen in hem gesteld maar vanaf 1916 zat die in het ‘Secretariaat der Katholieke Vlaamse Hogeschoolstudenten’ veilig op het droge. Louis werd integendeel geconfronteerd met de gemiste promotiemogelijkheid. Op een diner bij Verschaeve is de beker overgelopen. Louis mocht zijn vuile job verder verrichten, terwijl Daels en Verschave aangenaam keuvelden over hun Vlaamse Beweging.
Het was normaal dat Ronse zeer argwanend stond tegenover de Frontbeweging. Voor hem waren het ook ordeverstoorders zoals de 'Socialisten' - en dit vooroordeel had hij dan mee van thuis. Na de oorlog moest erover gewaakt worden dat het herwonnen geluk niet verloren zou gaan. De Vlaamse beweging was daar een bedreiging voor.
Nochtans was hij nog steeds Vlaamsvoelend. Zijn kinderen werden uit idealisme in het Nederlands - zeg maar Vlaams - opgevoed, in tegenstelling met alle Franstalige neven. Alle doopaankondigingen en plechtige communieherinneringen waren in die taal. Toen hij echter voor zijn eerste dochter de naam ‘Cecilia’ koos was er thuis toch wel protest.
Anderzijds was het Frans voor hem zeer belangrijk. Gans zijn cultuur was Frans. Hij behoorde tot de generatie van de Franse schrijvers uit St.Barbara. Buiten zijn terrein werd ook overal Frans gesproken. Zijn weinige vrienden zoals notaris Landrieux en procureur Van Thorenburgh waren Franstalig. Uiteindelijk werd in de alkoof ook Frans gesproken.
Zijn broer Edmond te Gent had hetzelfde probleem. Aan tafel tegenover zijn enorme kroost was het: "Tout le monde se tait et on parle Français!"
Moeder kende ook beter Engels dan Vlaams - en dit was dan nog gewesttaal, geleerd van de huismeiden. Als jonggehuwde waren haar brieven voor de helft in het Frans, voor de helft in het Engels opgesteld. Aan tafel werd ook Frans gesproken wanneer de kinderen het niet mochten verstaan. Zeer vlug moest echter overgegaan worden tot het Engels.

De bevrijding in 1944 deed de weegschaal overhellen. Opnieuw waren Daels en konsoorten op het toneel verschenen. De kinderen gaven daarbij in die periode de doorslag. Zij waren in Franse pensionaten, en hadden vrienden van de andere boord! Thuis kwam het tot een kleine revolutie. Twee snotneuzen van een zestiental jaar beslisten tegen hun ouders enkel Frans te spreken. De oorzaak ervan was hun sociale ervaring maar misschien was het ook een willen doordringen tot in de ouderlijke alkoof. Het werd het begin van de verfransing. De twee nakomertjes werden in de andere taal opgevoed. Resultaat? Perfecte tweetaligheid van het gezin!
Is tweetaligheid nochtans geen van beide talen kennen?

2. 'L’EDUCATION DU KALFVAART'

Chirurg Ronse was vooral bedrijvig in Hospitaal en Kliniek en thuis in het 'dokterskwartier'. Zijn kinderen zagen hem niet. Aan het noenmaal was hij nooit. Pas om drie uur kwam hij thuis. Daarop consultaties, nadien het souper en voor hem hierop de mooiste tijd van de dag. Met een fles Bordeaux, sigaar of pijp in zijn bureel! Hier was het dan zowel medische lectuur als andere, zelfs de gazet, maar toch ook Shakespeare en ook - waarom niet? - An English Antology of Toynbe. Hier was zijn burcht.

In het 'ander' huis vertoefden de kinderen dan rond moeder. Die was steeds ijverig kousen aan het stoppen op een houten eivorm. Gans haar leven hebben we ze onder de lamp gezien naast een berg kousen. Slechts gedurende één jaar werd het tapisserie voor een zetel- en voetbankjesovertrek maar daarop opnieuw de kousen.
Dat repetitieve werk, in stilte, gebogen onder de lamp moest haar wel liggen. In de keuken kwam zij uit plicht. Hier waren het 'boiled vegetables' zoals te Glasgow. Haar rosbief was nochtans meesterlijk. Je moet beginnen met het stuk fel te braden zodat het bloed niet verloren gaat. Daarop mag het rustiger. Dit was dan voor de zondag. Was het klaarmaken zelfopoffering?

De opvoeding van de kinderen was echter degelijk accuraat. Een zoon die wat stamelde werd onder handen genomen. Hij mocht onder de hoede van moeder luidop lezen - soms in tranen. Zij sloeg dan de maat met een lat op de tafel.
Een energieke opvoeding maar steeds zoveel het kon binnenshuis. In vaders glorietijd was Juffrouw Opsomer voor de kinderen. Daar vanaf de prille jeugd godsdienstige principes gehuldigd werden gaf zij de voorbereiding tot de Eerste Communie. Die ging dan door in de kapel van het hospitaal, een plechtigheid voor het gezin alleen.

Een degelijke katholieke opvoeding! Moeder had iets van de waakzaamheid van de Groot Inquisiteur, begaan met de zielezaligheid van zijn schapen. Sint Augustinus draagt een vlammend hart. Ook zij vertoonde in het hart een brandende bezorgdheid voor haar kroost.

Er was de bibliotheek van vader, laden vol boeken in zijn 'kwartier'. Dit was zijn avondlectuur en werd natuurlijk niet gecontroleerd. Er was echter de gewone lectuur, meer verspreid in gans het huis. Die was voor ons interessanter maar moeder waakte over de degelijkheid ervan.
Het was wel moeilijk om hieraan te ontsnappen. Ik heb een mooie herinnering aan een boek, gevonden op zolder tussen allerhande papieren. Hoe kwam dit hier terecht? Ik was twaalf. Een verhaal in het Frans over een dame die een Monseigneur ontvangt. Zij doet een inspanning en serveert tal van gangen met klerikale namen. Ongelukkig is het steeds vlees en het is op een vrijdag. Is het 'Marcassin à la Saint Hubert' of 'Daube de la Saint André', 'Jambon à la Chanoinesse' of 'Faisan à la Sainte-Alliance'? Ik zal mijn vrouw vragen zo een etentje te serveren. Het verplicht 'vleesderven' is immers afgeschaft.
In totaal heb ik weinig van het verhaal gesnapt maar het was verboden lectuur, dus boeiend. Op veilige afstand van moeder, achteraan in de tuin, ongezien onder de sparren op een hemelse namiddag!

Het tweede mooiste boek uit mijn leven kon ik lezen op een nog grotere afstand van moeder. Tijdens het blokken, wanneer hard moet gestudeerd worden, mag je toch 'La Chartreuse de Parme' van Stendahl niet lezen. Je hebt wroeging en toch is het juist hierom hemels! Het werd wel geen onderscheiding maar toch ook geen buis.
Mijn jongste broer was intern te Zevenkerke-Brugge. Hij had 'Crime et Châtiment' gevonden. Hoe kon moeder weten dat hij die bij had. Met een taxi is ze naar Sint-Andries getogen om het boek te recupereren.

Vader had 's avonds zijn lectuur maar hij had ook andere. Elke zaterdag ochtend nam hij de trein naar Brussel. 's Namiddags had je de 'Société de Chirurgie' of 'd'Orthopedie'; vooraf een etentje in het restaurant 'L'Horloge' aan de Naamse Poort - gewoonlijk met een tinnen bekertje champagne.
In de voormiddag was hij cliënt van de Koninklijke Bibliotheek. Hier werden wetenschappelijke tijdschriften nageplozen maar tussenin ook 'verboden' boeken.

Ongelukkig is hij zekere dag onvoorzichtig geweest. Het was een boek dat hij niet op voldoende veilige afstand las. Waar had hij 'Les Aïeux Empaillés' gevonden? Met een zeker genoegen was hij dit boek aan het lezen in de living. Zijn vrouw vond dit loens. Aan mijn oudste broer, pyromaan, werd aanstonds order gegeven deze blijkbaar gevaarlijke lectuur te vernietigen. Het werd een autodafe in onze zandbak. Is het als Savanarola in 1498? Ik durf niet vragen: als Hitler in 1933?

Het is normaal dat ik dit boek wilde lezen. De titel was gekend maar niet de auteur. Ik heb een halve eeuw ernaar gezocht. Op de vergadering van de Belgische Bibliofielen en Iconofielen heb ik de Heer Liebaers, de Directeur van de Koninklijke Bibliotheek, gevraagd het op te zoeken. Hij heeft er een stagiaire opgezet. Zij heeft mij getelefoneerd om meer details maar ze bracht het niet voor mekaar. Ik bleef zitten met mijn probleem.
De auteur werd uiteindelijk gevonden dank het mirakel van Internet: André Berry, Laffont, 1944. Ik heb het boek gelezen in diagonaal. Steeds 'zwans' met voortdurend platte kluchten.

Mijn vriend Henri Flor. de D. liep steeds met een notaboekje op zak. Hierin schreef hij de mooiste moppen die hem verteld werden. Ook vriend Dokter Hector Kin. heeft aandacht voor die wetenschap. Hij vindt er ook zelf uit. Ik vergeet al wat mijn vrienden onthouden. Ben ik dan zo een droogstoppel?
Wil je het boek lezen? Ga naar de Stadsbibliotheek van Kortrijk. Ik heb voor jouw de enkele niet opengesneden bladen vrijgemaakt.

Niet alleen lectuur was gevaarlijk. Er was ook de bioscoop. Toch hebben wij ‘Sneeuwwitje’ gezien. De eerste plaatsen van het balkon in de bioscoop op de Grote Markt werden voor ons tijdig besproken. Ook was er de reportage van de kroning van George VI. Wij allen met onze anglofiele moeder ernaar toe. Na de actualiteitenrubriek moesten wij echter terug naar huis. ‘Cinema Flora’ was immers een ‘slechte’ zaal maar de anglofilie had het gevaar tijdelijk weggeruimd. De vriendelijk wuivende twee prinsesjes, Elisabeth en Margaret, zijn ons dan ook bijgebleven.

3. 'PRESEANCES'

Een verhaaltje waarin vader niet tussenkomt.
Moeder mocht zonder hoed of handschoenen de straat niet op - in de zomer waren het draadjeshandschoenen. Een conventie, niet wegens godsdienstige overtuiging zoals de sjaal bij islamieten, maar eerder een verdediging van de sociale barrière.
Voor de hierin geïnitieerde dames moest ik bij het groeten mijn muts afnemen. Voor mevrouw van aan de hoek was een knikje voldoende. De geprivilegieerden waren o.a. Mesdames de Cock, van der Mersch, Biebuyck, Berghmans, Vergracht, Bruneel de la Warande, de Thibault de Boesinghe - deze twee laatste dames waren vrijwilligsters bij het Rode Kruis.
In die tijd was de hoed wel een belangrijk sociaal ornament: klak tegen strooien hoed, zwart militair petje in het ‘oude manhuis’, op de markt voor de oudere vrouwen het rechtopstaand mutsje met strik onder de kin.
De deftige vrouwenhoed van Cahérine was echter steeds een privé kunstwerk. Ook dure stukken. Hier zorgde Madame Tryssesoone voor. Er werd rendez-vous genomen voor het passen. De molligheid van de brave dame, de berg dozen tussen allerhande tafeltjes en kastjes waarop haar werkstukken door elkaar lagen, waren het bewijs van haar goed karakter. Ze was zeker niet zo preuts als haar cliënteel.

Ze was daarbij ook nooit klaar op het gestelde rendez-vous, maar dit gaf ons opnieuw gelegenheid dit mysterieuze huis met zware donkere gordijnen te bezoeken. Er was ook de schaduw van een heer, even mysterieus als het huis, die je soms in het schemerdonker van de achterkamer zag voorbijtrekken.
Het resultaat van de koop was immer hetzelfde. Een soort pot op het hoofd, nooit schuin, rechtop boven de ogen, kloek en degelijk.

Eenmaal per week trok de ganse familie er op uit, ‘s zondagsmorgens te 8 u. 15. Twee per twee en de ouders achteraan, naar de mis. Je hoorde dan: “Hubert, hou je recht” of “Léon, loop zo slungelig niet”. De familiegroep kwam telkens juist wat te laat maar steeds was een rij stoelen onbezet. Aan ene kant van de rij de drie pestheiligen: Hubertus met zijn hert, Rochus met een hond aan zijn blote bil en... ja wie?... Julianus met een getrokken zwaard? Aan de andere kant had je Appolonia met haar uitgerukte tanden. Wie zou het gewaagd hebben deze beschermde plaatsen in te nemen?
Een andere uitstap. Wanneer het kon trokken we, in de week, moeder achterna. Het was op besteltocht, 's morgens tegen elf uur. Allen in het bruin, goed uitgedost met bruinleren handschoenen, waarvan de sluitknop aan de pols wat pijnlijk aanvoelde bij het sluiten. Ook lederen slobkousjes tot aan de knieën, met tal van kleine knoopjes zoals de soutane op de buik van pastoors. Bij het aankleden zat ik samen met kleine broer op de trap. Elk had een geknielde dienstmeid aan de voeten die keurig alle knoopjes dicht haakte.
Steeds alles in het bruin, kledij gekocht bij Uyterhaeghen in de Veldstraat te Gent. Hier trokken wij per taxi heen om te passen. Er zat hier ook een dame op de knieën voor ons, met aan de pols een armband met kussentje, stekelig van de spelden. Zij had ook steeds wat spelden in de mond.
'Tante van de burgemeester' moest voor het passen minder ver. Het was te Kortrijk bij De Coster, echter toch ‘Fournisseur de la Cour’. Zij stak haar telgen in het blauw met witte handschoenen. Niet praktisch, vond moeder, gauw vuil!
Ook voor hen was er de dagelijkse bestelronde. Wij ontmoetten ze dan aan de straatoverkant en wuifden van ver een vriendelijke groet. Teder blauw tegenover kloek bruin. De psychologische kleurentest bestond toen nog niet.
Op stap door Ieper, deftig met standing! Pakjes dragen op straat was ook te kort schieten aan uw stand. Wanneer we terug thuis kwamen waren alle bestellingen reeds netjes in de keuken uitgepakt en was Nadia of Malvina reeds in de weer.

Medaille

4. 'CES DAMES DE CHARITE'

Nog iets waar vader niets mee te maken had.
Les ‘Dames d'Oeuvre’ ijverden volgens de principes van St.Vincentius à Paulo, in 1833 opnieuw in het zadel getild door Ozanam. Het waren vergaderingen waar lijsten van behoeftigen opgesteld werden en waar brood en kolenbonnetjes tussen de vrijwilligsters verdeeld werden.

Zoals verwacht werd moeder vlug voorzitster en haar faam reikte zelfs tot Kortrijk. De voorzitster moest de duimen niet leggen voor haar man. Haar opdracht vervulde zij ook op degelijke, beter gezegd wetenschappelijke manier. Om de staat van de noodlijdende te kennen nam zij rendez-vous bij haar notaris, ook voorzitter van de Commissie van Openbare Onderstand. Steeds was zij het met hem eens... zolang de consultatie duurde.
Onder haar voorzitterschap kende de vereniging grote bloei. Is het Mariange Tack of is het haar zuster Georgine die de vereniging één van hun talrijke hoeven schonk? Er werd een VZW opgericht om het legaat te kunnen aanvaarden. Iets helemaal in moeders koorden. De minuten van de schenking zullen wel bij haar notaris Meester de Cock liggen. Een archief van de vereniging is er niet. Dit lag geborgen in moeders hoofd.
In het domein van haar sociale bewogenheid heeft Mevrouw Ronse een kapel gebouwd. Dit was niet alleen een uitbouw van haar sociaal werken maar vooral als de bevestiging van haar positie.

Huis Ronse

De woning van Dr. Louis Ronse te Ieper

In 1944 ontstond een rage voor Mariakapellenbouw. Deze moest het oorlogsgevaar keren en in de Kalfvaartwijk ontstond ook dergelijke behoefte. Moeder nam de trein die reeds aan het lopen was. Met haar niet te temmen energie heeft ze daarop door een staatsgreep het lokale kapellencomité naar haar hand gezet. Het werd haar kapel. Zij hoopte zo een deugddoende invloed te hebben op deze sociale wijk.

Uiteindelijk heeft zij echter doornige Berberisstruiken er omheen moeten planten. De jeugd is nu eenmaal wel wat ondernemend bij het spelen. De berberis-stekels hielpen niet en het werd uiteindelijk prikkeldraad.
De zware, degelijke bronzen lantaarn, speciaal ontworpen door architect Vaernewijck uit Gent, prijkt nu wel ergens aan een achterdeur van een woning in de sociale tuinwijk.
Na meer dan vijftig jaar houdt het heiligdom echter steeds stand. Aan wie hoort het toe? Wie wil gaan zien op het kadaster? Wij alleen weten dat dit een monument is, moeders doorzettingsvermogen ter ere.

Barakken
Barakken

De barakken op het Minneplein

Hoofdstuk 14

DE AANVANG VAN EEN CARRIERE

1. DE GEZONDHEIDSDIENST TE IEPER

De perikelen thuis waren voor Louis Ronse secundair. Zijn geneeskundige carrière was belangrijker. Vanaf 1 juli 1920 is hij eraan begonnen. Veel moest echter nog geregeld worden, zowel op geneeskundig als op administratief niveau.
Het Hospitaal hoorde toe aan het Bestuur van de Godshuizen van Ieper. De laatste normale vergadering had plaats te Ieper in oktober 1914. Na de verplichte evacuatie van de stad op 8 mei 1915 kwamen de leden Biebuyck, Vandermeersch en Berghman nog eens samen met secretaris Van Aerde (1). Dit was op 2 augustus 1915. De ontvanger Boedt vertoefde toen te Marthou en daarom werd Van Aerde tot interimair ontvanger aangesteld. De volgende en laatste officiële bijeenkomst tijdens de oorlog gebeurde ten huize van Berghman te Paris-Plage op 2 november 1917. Louis Biebuyck was ondertussen te Watou gestorven. Van Aerde gaf er rekenschap van zijn activiteit aan burgemeester Colaert, voorzitter Fraeys de Veubeke en de leden Vandermeersch en Berghman.
Hij had zich verder ingezet voor de gevluchte Ieperse bevolking. Dit was niet weinig. Gedurende de ganse oorlog had deze moedige, intelligente man ijverig zijn taak vervuld. Hij had niet alleen gewaakt over de bezittingen van de Godshuizen maar ook de huurbedragen van eigendommen verder opgehaald. Hij had al het gevlucht personeel gevolgd en betaald. Hij had de zusters van het Gasthuis een onderkomen bezorgd. Ook het gesteunde cliënteel van het Bureel van Weldadigheid werd opgevangen. Hij had de opname van de ouderlingen en wezen van de Burgerlijke Godshuizen geregeld. Hij had ook nog de geëvacueerde geesteszieken te Vaucluse op administratief vlak gevolgd. Hij had alles op eigen verantwoordelijkheid geregeld.

Pas op 27 maart 1920 kwamen de overlevenden van het Bestuur van Burgerlijke Godshuizen voor het eerst sinds de oorlog samen. Er werd nog gewacht met het samenroepen van het Bureel van Weldadigheid.
Op die vergadering ontbrak nu ook Frays de Veubeke, insgelijks gestorven. Vandermeersch had zijn ontslag ingediend. Burgemeester Colaert was aanwezig met twee leden, Felix Struye en Alexandre Berghman, alsook de secretaris - inmiddels eresecretaris - Van Aerde. Die werd immers op 20 maart 1920 benoemd tot rechter bij de Rechtbank van 1e Aanleg te Ieper.
Op 27 maart 1920 werd Felix Struye als voorzitter aangesteld en Théophile Van Dromme werd benoemd tot secretaris.
Er werden ook nieuwe kandidaten gekozen om ze voor te stellen aan het stadsbestuur. De twee nieuwkomers waren beiden zeer actieve personen. De eerste was Berthe Boone, een schoonzuster van Dr. Donck, geneesheer van de 'Clinique Française' in de Oude Houtmarktstraat. Zij had hem geholpen als secretaresse van het ‘Werk van de Kindervoeding’, gesticht in deze kliniek in 1910 (2).
De tweede was Léon Van der Ghote. Léon was provinciaal ingenieur. Hij had met zijn neef, deken de Brouwer, het ‘Comité Provisoire’ gesticht op 9 november 1914. Hiermee verving hij de gevluchte verantwoordelijken en kon hij de administratie van de stad in handen nemen.
De Commissie van Burgerlijke Godshuizen zou om de veertien dagen vergaderen. Wegens de veelvuldige afwezigheid van de andere leden waren het vooral Boone, Van Aerde en Van der Ghote die de zaken regelden. Met hun drietjes hebben zij tal van belangrijke besluiten genomen o.a. nopens de heropbouw van de eigendommen van de Commissie. Eind 1921 zou Berghman ontslag nemen en het jaar daarop kwam Raymond Ommeslagh erbij. Bij het ontstaan van de Commissie van Openbare Onderstand in 1925 zou Léon Van der Ghote zijn plaats afstaan daar de Commissie toen te veel leden telde.

Op de vergadering van 27 november 1920 werd de gezondheidstoestand in de stad besproken. Sinds begin 1919 waren reeds Ieperlingen teruggekeerd naar Ieper. In januari 1920 waren er reeds 2500 inwoners en de bevolking nam zeer vlug toe. De gezondheidsdienst moest dringend georganiseerd worden.
De toestand van het Onze-Lieve-Vrouwgasthuis werd onder andere op deze eerste vergadering besproken. De immer tegenwoordige Van Aerde had begin 1919 reeds contact genomen met het Britse Leger om keten te bekomen.
Dit verzoek leverde echter niets op zodat hij op 29 mei 1919 een afspraak maakte met het Albertfonds. Vanaf december 1919 was de grond van de vroegere groententuin van de Godshuizen aan de Kalfvaart reeds geëffend. De barakken van het Fonds werden vlug gebouwd. Van Aerde betaalde voor gans de constructie 58.253 fr.09.
Ofschoon de gebouwen klaar waren, werden er nog geen zieken opgenomen. Een geneesheer was reeds teruggekeerd. Dokter Van Robaeys was klein van gestalte maar een groot man. Hij was de enige geneesheer die in 1914 steeds op post gebleven was en nu was hij weer alleen. De bevolking kon echter ook nog steeds terecht bij militaire geneesheren. Er waren immers nog militaire organisaties om het puin weg te halen, o.a. de Britse ‘Tsjin-tsjins’.

Op 26 april 1920 kwam het Bestuur van de Godshuizen voor de tweede maal bijeen. Aanwezig waren slechts Struye, Boone en Van Aerde. Nochtans werden er belangrijke beslissingen genomen.
De eresecretaris had twee keten van het Albertfonds laten plaatsen in de tuin van het vroegere Psychiatrisch Ziekenhuis van de Lange Torhoutsestraat. Hier konden reeds ouderlingen geherbergd worden. Het Bestuur van de Godshuizen zou dus de kliniek voor krankzinnigen niet meer herbouwen.
Op 20 juni 1920 werden de oude vrouwen van het St.-Jan tehuis gerepatrieerd in deze barakken. De mannen van het Nazareth zouden echter nog enkele jaren te Aartrijke ondergebracht worden.

Hospitaalzusters

De hospitaalzusters vóór de noodkapel. Achteraan van links naar rechts: Zr. Juliana (Madeleine Vervisch uit Passendale), Zr. Elisa-beth (Camille Decluse uit Wakken), Zr.Jose-phine (Irma Van Poucke uit Nazaret), E.H. Degryse (broer van de overste, pastoor-deken in Mouron-V.S.A.), Zr. Antonia (Flavie Demoor uit Passendale), Zr. Ma-deleine (Bernardine Beele uit Dentergem. Vooraan v.l.n.r.: Zr. Margriet (Emérence Lemahieu uit Ieper), Zr. Anna (Angèle Demullier uit Neerwaasten), Zr. Agnes (Marie-Louise Degryse uit Roeselare), Zr. Aloysia (Euphrasie Colpaert uit Ettelgem), Zr. Maria (Lucie Dewikkere uit Poperinge).

De wezenschool voor jongens zou tot stand komen op de Vlamertingsesteenweg. De meisjes zouden in de St.-Elisabeth wezenschool bij de Rijselsestraat terechtkunnen alsook te Loker in het St.- Antoniusinstituut. Het Godtschalckinstituut zou hier niet herbouwd worden.
De inventaris van de eigendommen liet reeds enige begroting toe. Over het hospitaal werd niet gesproken, ook niet over de chirurg.

  1. Resolutieboeken. Archief OCMW, Ieper.
  2. P. Vandenbussche: Congregatie van de Voorzienigheid van Sées (Orne- Frankrijk). Negen jaar te Ieper (België): december 1905 - november 1914. Ieper Kwartier 1991, p. 27, 46.

2. HET VOORLOPIG GASTHUIS

Op het ogenblik van de vergaderingen van 27 maart en 26 april 1920 waren de barakken van het Gasthuis al lang klaar. Het Amerikaanse Rode Kruis had de chirurgie-instrumenten, verbanden en medicijnen geschonken.

Stonden nu ter beschikking: twee grote ziekenzalen, één zaal voor de zusters, één Nissen-Hospitaal-Hut als kapel, één Nissen-Hut als wasserij, één als magazijn. Er waren ook vier woningen.

De secretaris van het Bestuur der Godshuizen, Théophile Van Dromme, kon begin april 1920, de barak die voor hem gereserveerd was, betrekken. Hij was er de ganse dag aanwezig. Er was dus een secretariaat.
De volgende woning was voor de apotheker. Arthur Gaimant. De eeuwige vrijgezel was in 1914 ook gebleven; hij werd zelfs op 12 november 1914 op het werk ernstig gekwetst. In april 1920 had hij reeds zijn keet betrokken.
Ernaast stond de steeds ledige barak voor de chirurg. Het probleem werd dringend.
Vijf hospitaalzusters hadden tijdens de oorlog gewerkt in het Militair Elisabeth Ziekenhuis te Poperinge, vervolgens in het Militair Hospitaal te Couthove en na het groot offensief van 1918 in het Militair Hospitaal van de O.L.Vrouwkliniek te St.-Michiels. Zij waren daarna werkzaam geweest in het St.-Janshospitaal te Brugge. Vier zusters waren gans de oorlog te Wisques gebleven en hadden zich sinds 1 maart bij hun collega’s vervoegd. Nu waren allen ter beschikking. Eind april 1920 betrokken zij hun woonst in het voorlopige hospitaal (1).
Op 10 mei 1920 zou dan toch de eerste zieke opgenomen worden. Dokter Van Robaeys was er de behandelende arts. De patiënten met ernstige verwondingen werden echter getransfereerd naar de gasthuizen van Brugge, Wervik, Kortrijk (2). Er waren er niet weinig, vooral onvoorzichtige ijzerzoekers op het vroegere slagveld.

  1. Resolutieboeken Archief OCMW.
  2. Dagboek van Zuster Madeleine Beele 1914 - 1918. Manuscript.

3. CHIRURG LOUIS RONSE

Wat betreft de chirurg? Van Aerde had eerst gedacht aan de vroegere hospitaalgeneesheren. Dokter Antoine Poupaert was echter in 1914 - 95 jaar oud - gestorven en Dokter Emile Lagrange was overleden te Leeds op 92 jarige leeftijd (1). De vroegere hoofdgeneesheer van het Psychiatrisch Ziekenhuis voor mannen, Dokter Brutsaert, was adjunct Koninklijke Hoofdcommissaris te Poperinge geworden en zou niet meer terugkeren.
Dokter Dieryck, geneesheer van de Psychiatrische H.-Hartkliniek, was nog bij de afgevoerde patiënten te Vaucluse. Hij dacht de plaats in het Gasthuis in te nemen (2). Alles was reeds geregeld en de zusters hadden zijn woonst reeds met veel enthousiasme in orde gebracht. Daarop kregen zij echter een telegram: "wat geduld, ik ben ziek".
In feite was hij wel wat verlegen wegens de verantwoordelijkheid. Sinds de oorlog had de chirurgie enorme vorderingen gemaakt. In de vergadering van 27 maart 1920 onderlijnde het 'Bureel' ook de noodzaak van competentie: "les accidents de travail auquel donnera lieu la reconstruction des bâtiments détruits ainsi que l'explosion des munitions délaissées sur le champ de bataille rendront les interventions chirurgicales très nombreuses en cette région". Zou hij dit aankunnen?
Terzelfder tijd zond hij een brief naar het Bestuur met nog wel 13 voorwaarden die niet aannemelijk waren. Ontgoocheling! Het chirurgenvraagstuk was niet opgelost.

Pas twee maand na de vergadering van 26 april 1920 kwam het Bestuur der Godshuizen voor de derde maal samen. Op 26 juni waren Struye, Boone, Van der Ghote en Van Aerde aanwezig. Er was nog geen oplossing betreffende de geneesheer. De Heer De Schoonen, Koninklijke Hoofdcommissaris voor de Geteisterde Gewesten, was op de vergadering uitgenodigd. Hij stelde voor in de gebouwen van het vroegere gasthuis op de Markt, tijdelijk het politiebureel en het bureel voor inlichtingen in te richten en er het brandweermateriaal in onder te brengen.
De Schoonen wilde twee geneesheren voor het hospitaal en hij had reeds contact genomen met het Rode Kruis die deze kon afvaardigen. Het waren de latere Professor Verbrugghe en Dr. Corrijn. Hierover was men te Ieper niet erg enthousiast. Geneesheren uit Brussel! Was dit dan niet ULB en vrijmetselarij?
De zusters hadden daarom hun voorzorgen genomen. “Binst dat we in die moeilijkheden waren kwam de heer Dokter Van den Bulcke van Oostende, één onzer zusters bezoeken . . We zegden dat we zoo een katholieken heelmeester begeerden en dat we niet veel gediend waren met die Brusselsche dokters enz. Hij zegde ons dat hij aanstonds een telegram ging zenden naar een heelmeester die juist zijne studiën gedaan had en die zeer christelijk was. Wij steunden op de Goddelijke Voorzienigheid”. Niet alleen op de Goddelijke Voorzienigheid maar ook op voorzitter Struye. Hij ging akkoord. De zusters hadden de raad van Van den Bulcke reeds gevolgd en contact gezocht.
Op de vergadering werd dit aanvaard: ”la Commission, vu la requête présentée par Mr. Louis Ronse, docteur en médecine à Gand, aux fins d’être nommé aux fonctions de médecin et de chirurgien de l’Hôpital Notre-Dame, nomme le requérant aux dites fonctions et fixe son traitement à la somme de six mille francs l’an”. Voor het ereloon was er geen probleem. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken stelde jaarlijks 6000 fr. ter beschikking voor ieder geneesheer die zich in het geteisterd gebied wilde vestigen.
Ondertussen werd er niet gewacht. Vanaf 27 juni zouden de twee geneesheren naar Ieper komen in afwachting dat de nieuwe arts er was. Voor de Brusselse collega’s zou het nochtans enkel een uitstapje zijn. Nog geen acht dagen later mochten zij terug. Op 1 juli 1920 was Dokter Ronse toegekomen. De zusters hadden met veel ijver de barak voor Dokter Dieryck klaargemaakt. Nu zou de nieuwe chirurg van hun moederlijke zorgen genieten.

  1. Archief OCMW
  2. Zuster Madeleine o.c.

4. AAN HET WERK!

Aan de Kalfvaart waren al drie barakken bewoond. Van Aerde zorgde nu nog voor de woonst van een tweede geneesheer en een barak voor arbeiders.
Op 1 juli 1920 begon de chirurg met de consultatie in het Gasthuis en de eerste chirurgische ingreep gebeurde op 3 juli 1920 (1).
De zusters waren natuurlijk enthousiast. "We begonnen met den Heer Ronse samen eene operatiezaal in te richten maar wat geduld was er noodig! Gedurig operatiën en gebrek aan zoovele daartoe noodige werktuigen. Ook wij hadden noch gas noch electrique lampen; er moest soms geheele nachten door geopereerd worden met behulp van petroollampen en lanteernen die twee zusters moesten vasthouden. ‘t Water uit d’obusputten moest voor alles dienen: voor eten te bereiden, voor ‘t ontsmetten enz. Men moest alle moeite aanwenden om den autoclave tot voldoende ontsmettingspunt te doen komen.
Natuurlijk, langzamerhand wierd het een na het ander bijgebracht ./. Na eenige maanden was alles min of meer in regel ./. fmaar de heeren waren niet haastig. Zij kenden volstrekt de moeilijkheden niet waarin wij ons bevonden”
(2). Spijts de verzuchtingen nopens het Bestuur der Godshuizen zullen de ‘heren’, alsook Juffrouw Boone, zich inzetten.
Er werd op 7 augustus 1920 zelfs een nieuwe gasthuisgeneesheer benoemd. Dokter Arthur Dochy kreeg een woonst en 6000 fr. per jaar. De dokter was reeds gevestigd te Ieper sinds 1904. Hij was toen al luitenant-geneesheer van de brandweer. Van 1914 tot 1919 week hij uit naar Rouen. Hij zou bij alle belangrijke ingrepen de getrouwe assistent van de chirurg worden. De twee gasthuisgeneesheren kregen reeds jaarlijks 6000 fr. om de armen gratis te behandelen maar de ‘heren’ moesten deze armensteun nog uit de grond stampen. Dit gebeurde op de vergadering van het Bestuur der Godshuizen van 3 juli 1920. De algemene armenzorg werd besproken. Men zou tijdelijk de werking van het Bureel van Bijstand overnemen (3). De organisatie ervan was immers nog niet geregeld en de leden waren nog niet bijeengekomen.
Op die vergadering werd de behandeling van behoeftigen door de huisdokters ook geregeld. Na een huisbezoek moesten de artsen zich wenden tot het 'bureel' voor de terugbetaling. Bij hun vestiging dachten nieuwe artsen echter dat ze aan het 'bureel' toelating moesten vragen om armen te behandelen. Dit deed Dokter Van den Bussche op 12 december 1921. Geantwoord werd dat steeds de vrije keuze van patiënten gold “als voor de andere geneesheren”. Dit te vragen hoefde niet. Dokter Cousein zou dezelfde vraag stellen op10 januari 1933. Geen probleem, Dokter Snick deed het immers ook, zonder ooit de vraag gesteld te hebben.
In de vergadering van 17 juli 1920 werd gesproken over lidkaarten die aan behoeftigen gegeven werden om gratis medische assistentie te genieten. Dit was dan zowel in het hospitaal als aan huis. De geneesmiddelen waren inbegrepen. De week daarop waren de lijsten reeds opgesteld. Germaine Cardon, ex-wees van het St.-Antoniusinstituut, kreeg haar orthopedische apparatuur terugbetaald. Een eerste medische uitgave voor de administratie!
Op 16 oktober 1920 werd de dagprijs van de verpleging voor het volgend jaar vastgesteld: in het gasthuis 4 fr., in het moederhuis 5 fr. per dag.

Om een specialist buiten het hospitaal te consulteren was een beslissing van het Bestuur der Godshuizen noodzakelijk. Soms waren er echter spoedgevallen. Daarom werd op 2 april 1921 beslist dat bij urgentie ieder bestuurslid de toelating kon geven. De aanleiding was een oogurgentie die door administratieve rompslomp te laat bij de ophtalmoloog terecht kwam.
Op de vergadering van het 'bestuur' van 3 juli 1921 werden de hospitaalzusters niet vergeten: jaarlijks zouden zij een witte schort en een paar schoenen krijgen. Wel een minimum in deze stoffige en modderige omgeving! De zusters ontpopten zich immers tot grondwerkers. Wanneer zij hun penaten opgezocht hadden “waren de jongere zusters bezig met het schikken van ‘t klooster en zalen; zij legden zelf een trottoir om van de eene barak naar de andere te gaan want ‘t was al slijk”.

Als financiële hulp aan de patiënten uitgekeerd werd was de Commissie wel steeds waakzaam. Op 28 augustus 1934 was het blijkbaar goed weer: "Gaston Gruwier die een moto ongeval opgelopen heeft en in het Gasthuis verpleegd wordt mag er als behoeftige verblijven maar geen andere hulp kan aan de familie toegekend worden om reden er geen schijnbehoeftigheid kan zijn daar waar plezierreisjes per moto ondernomen worden". Een moraliserende vaderlijke bezorgdheid!

De 'Hospice-Heren' hebben zich echter ingezet wanneer een ongeval niet voorkomen kon worden. Op 6 november 1934 vroeg de overste van het 'St.- Antonius wezengesticht' te Loker een "dubbel ladder om de keuken te wassen". Zij kreeg die niet. "Er werd besloten dat dit werk niet moest gedaan worden door de zuster maar door een manspersoon die de overste zelf mag vragen". In feite wilde men een nieuw werkaccident voorkomen. "Zuster Marie was op 27 maart 1934 in het Belle Godshuis gevallen van een ladder bij het wassen van muren bekleed met gleistegels. De Heer Dr. Ronse inderhaast bijgeroepen bestadigde dat de gevallene een schedelbreuk opgelopen had en gaf bevel de gekwetste per autoambulance naar het Hospitaal over te brengen. Verleden nacht te 1 u. was Zr. Marie in het Hospitaal overleden". Ladders zijn gevaarlijk!
Louis had de zuster niet kunnen helpen. Er was in feite niet veel aan te doen maar hij was nochtans steeds ter plaatse. Steeds moest geboord, gezaagd, gekapt, gepuncteerd en gesneden worden. Dit was levensreddend.

  1. Archief OL.Vrouw Hospitaal: Consultatieboeken en Operatieboeken.
  2. Zuster Madeleine o.c.
  3. Sinds de Franse Revolutie waren er twee instanties voor de armenzorg. Het 'Bestuur der Godshuizen' regelde het beheer van de eigendommen en was verantwoordelijk voor het personeel. Het 'Bureel van Bijstand' regelde de thuiszorg voor ouderen en gehandicapten. Op 10 maart 1925 werden de twee groepen versmolten in de Comissie van Openbare Onderstand, het latere OCMW. (Archief OCMW: Verslagboek 20.11.1925).

5. DE PATIËNTEN ZIJN NIET GEHAAST

Patiënten hadden niet veel besef van pathologie. Qua hygiëne was alles eveneens nog prehistorie. Een bloedend slachtoffer van oorlogstuig werd per wagen naar het Gasthuis gevoerd, gezeten op een stoel.
Een vrouw consulteerde wegens hoofdpijn. Zij had amenorroe. Het was de menstruatie "die in haar hoofd geschoten was omdat die langs onder niet weg kon". De geneesheer had uiteindelijk door zijn praktijk een opvoedende taak.
Dit was een lange weg.
Op 1 juli 1920 waren er op de eerste dag van de consultatie drie patiënten: één met een hematoom door contusie van de voorarm, één met een contusie-wonde aan het onderbeen en iemand met multipele zweren. Alle waren externe aandoeningen, zeker niet moeilijk om te behandelen!

De eerste chirurgische ingreep op 3 juli 1920 was een cystostomie. In de blaas wordt dan bij een prostaathyper-trofie, een afvoerbuisje aangebracht. Toen gebeurde een prostaatwegname steeds in twee tijden. Pas enkele weken later moest de ‘steen’ weggesneden worden. Ondertussen had de patiënt de tijd gekregen om op zijn positieven te komen.
Deze eerste 'prostaatpatiënt' heeft echter wat lang gedraald vooraleer terug te komen. Pas op 2 mei 1921 zou François Velghe terug zijn. De man had zeven maand rondgelopen met een drain in de broek. In die tijd kon men nog dergelijke last verdragen.
Bij prostaatmoeilijkheden werd waarschijnlijk dikwijls te lang gewacht om te consulteren. Is het daarom dat in de eerste jaren een prostatectomie zelden aanstonds verricht werd? Waren de patiënten er te erg aan toe en moest gewacht worden op beterschap? De cystostomie in afwachting van het wegnemen, vinden we in de volgende jaren echter niet meer terug. Blijkbaar wachtte de zieke bij mictiestoornissen dan niet meer zolang.
Er werden bij de aanvang ook talrijke gevallen van osteomyelitis - dit is een ontsteking van het beenderweefsel - behandeld. Was dit ook niet omdat er te lang gewacht werd vooraleer de geneesheer te raadplegen?

Gezwel

Veel patiënten wachtten zolang mogelijk alvorens een arts op te zoeken. Deze 70-jarige man uit Reninge die een goedaardig traag groeiend gezwel van de mondholte vertoonde, werd op 14 augustus 1928 in de kliniek van de Zwarte Zusters te Ieper geopereerd door Dr. Billiau.

Laattijdige consultatie kwam ook vaak voor bij tandontstekingen. De wijsheidstanden die getrokken moesten worden, waren meestal ingeklemd. Er werd te lang getalmd vooraleer ze te laten trekken. Tussen 1920 en 1938 moesten 47 kaakabcessen op wijsheidstanden tijdens de gasthuisconsultatie verzorgd worden. Op 24 januari 1928 en 1 januari 1930 werden zelfs chronische maxillaire fistels op tandinfecties weggesneden. Regelmatig vinden we ook vermelding van 'des abcès triangulaires'. Dit zijn ontstekingen ter hoogte van de maxilla.

Ook werd voor een hernia dikwijls gewacht tot ze ingeklemd was. Dergelijke urgenties waren er ook veel in de eerste jaren. We noteerden in die categorie daarbij ook een dijbreuk ter grote van een babyhoofd. Reuze ovariumkysten waren ook niet zeldzaam.
Uiteindelijk werd ook één liter etter gepunteerd bij een chronisch Douglasabces (1). Niet weinig! De patiënte had wel erg lang gewacht. Louis plaatste toen een rubberdrain met klepkop.
Op 11 januari 1933 kwam iemand op consultatie met een abces van het mediastinum. Dit was ontstaan ten gevolge van een niet verzorgd ontstoken ganglion. Een ander wachtte acht maand vooraleer hulp te vragen bij een gezwel van de slokdarm.
Er was zelfs een eerder folkloristisch voorval. Op 2 juli 1936 deed een patiënt een acute darmocclusie op Ascaris. Dit zijn wormen van een 10 cm die de darm parasiteren.

  1. Een Douglasabces bij de vrouw is gesitueerd onderaan de buikholte tussen blaas en uterus.

Hoofdstuk 15

HET NIEUWE GASTHUIS

1. ADMINISTRATIEVE ROMPSLOMP

Een hospitaal bouwen is wel boeiend maar velen hebben hun zeg. Op 25 januari 1921 werd aan de Koninklijke Hoogcommissaris voor het Verwoeste Gewest gevraagd te helpen bij de nieuwbouw van het nieuwe gasthuis. De gebezigde barakken aan de Kalfvaart hadden met het slechte weer veel schade geleden.
Als antwoord vroeg de Commissaris op 5 februari1921 waar het Bestuur der Godshuizen het hospitaal wilde bouwen. Er werd beslist het terrein van het vroeger krankzinnigeninstituut in de Lange Torhoutsestraat te gebruiken.
Het Ministerie van Binnen-landse Zaken had beslist een kraaminrichting te bouwen. Vóór 1914 was deze specialiteit nooit voorzien in een ziekenhuis. Reeds in 1921 werden hiervoor keten gebouwd aan de zuidwestkant van dit terrein. Het bestuur zou die op 30 december 1922 overnemen. Op dit ogenblik dacht men echter deze gebouwen niet te bezigen. Men wilde een kraamkliniek bouwen, dichter bij de Recollettenpoort.

Apotheek

Zuster Madeleine (rechts) bij Zuster Anna, verantwoordelijke voor de apotheek.

In de barakken die overge- nomen werden had men oudere vrouwen geplaatst. Die zouden hier niet lang meer blijven. Men zou de barakken tegen 29 februari 1924 gedeeltelijk herstellen. Hier zou dan het washuis van het definitief gasthuis geïnstalleerd worden. Dit werd dus een afzonderlijke bouw.
Nieuwe machines moesten aangeschaft worden. De motoren leverden echter problemen op. Buur Maurice Van der Ghote die bij de Recolettenpoort woonde, klaagde op 14 februari 1933 ”over de hevige storingen op de radiophonische uitzendingen tijdens de werkuren der electro-motoren van het waschhuis in het hospitaal” en de Commissie besloot “de nodige toestellen aan voornoemde motoren aan te passen ten einde dusdanige storingen te vermijden”.

Voor de bouw van de nieuwe kliniek kreeg de hoofdopzichter voor de gebouwen, architect Georges Lernould, opdracht zich in verbinding te stellen met de geneesheren. Zij moesten helpen bij het aanleggen van het grondplan.
De chirurg heeft zich dit speciaal aangetrokken. Thuis had hij de plannen liggen. Hij stelde zich ook op de hoogte van de litteratuur en schafte zich zelfs boeken aan (1). Herhaalde keren werden gedurende het bouwen op zijn vraag kleine wijzigingen goedgekeurd.

Het zou een moderne kliniek worden: grote afzonderlijke zalen en een speciale afdeling voor besmettelijke zieken. De operatiezaal met opvangzaal voor geopereerden zou afzonderlijk zijn. Hiernaast waren de ontsmettingkamer en radiografie gepland, gemakkelijk te bereiken en met alles bij de hand voor spoedgevallen. Dit complex zou aanstonds opgetrokken worden. Het bouwen zou immers in twee fasen gebeuren.
Er werd gewacht met de constructie van de gebouwen aan de straat. Hier zouden de apotheek, het labo en de consultatie komen maar ook het klooster en de kapel.

Op 4 juni 1921 was Lernould klaar met het ontwerp van de centrale bouw en de competente overheid gaf tegen 3 december 1921 de nodige goedkeuringen: de Hoge Raad voor Hygiëne en de Directeur Generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Op 3 juni 1922 was het bestek klaar en op 23 september 1922 begon men eindelijk te bouwen.
Wanneer op 23 mei 1924 de overname van de gebouwen moest gebeuren was het echter van “spleten in vloer en muren en plafonds der ziekenzaal voor mannen. Eén deur (naar de zolder) moet anders openslaan ./ . er zijn geen rolgordijnen geplaatst in de operatiezalen en in het paviljoen van de onlangs geopereerden”. Ook de daken waren niet in orde en onaanvaardbaar.
Deze klachten waren niet buitengewoon. De bouwwerken van de hoeven van het 'Bestuur' waren wegens de vlugge heropbouw, ook niet altijd in orde (2).

Gang

De gang van de ziekenkamers in de kliniek der Zwarte Zusters.

Alles werd afgewerkt en op 18 juli 1924 aanvaardde de Hoge Gezondheidsraad de gebouwen. In september 1924 was alles klaar voor de verhuis. Dit kon aanstonds gebeuren. Het nieuwe Gasthuis was er!
Op 12 september1924 werden de dagprijzen opnieuw bepaald. Voor het gasthuis werd 7 fr. 45 gevraagd. In de kraamkliniek was het 12 fr.
Er was slechts één privé-kamer. Voor die ‘bijzondere’ kamer werd 18 fr. gevraagd. Op 31 oktober 1924 werd voor de privé-kamer een tafeltje en een kleine commode gekocht.

De verhuis is geleidelijk gebeurd. Hierover hebben we in de lokale pers niets gevonden. Het was nochtans een 'reuze-datum'. De verhuis zou slechts gevierd worden na het eindigen van de bouwwerken.

Nu konden de gebouwen langs de straat aangepakt worden. Dit vergde echter wel veel tijd. Op 1 augustus1931 nog niks. Daarenboven werden de plannen “in het voorgebouw van het hospitaal” op vraag van de apotheker en de overste nog gewijzigd. Op 3 november 1932 kwam eindelijk de aanbesteding en op 10 januari 1933 de toewijzing. Dit werk omvatte naast de apotheek en het labora-torium met de kosteloze raadpleging, ook de gro-te ingang, het klooster der zusters, het magazijn en de ringmuur alsook de kapel met sacristie.
Door het bouwen van het complex aan de straat konden hier in 1924 o.m. de apotheek, het laboratorium en de consultatieruimte inge- richt worden. Er kwamen dus kamers en zalen vrij en die werden voor de zieken benut. In plaats van twee ziekenzalen zou men er nu vier tellen. De oude apotheek en bezoekzaal kon men ook gebruiken voor de pas geopereerde patiënten. Nu waren er ook 10 privé-kamers (26.2.1935) in plaats van één.

Operatiezaal

De operatiezaal in de kliniek der Zwarte Zusters.

Na het voleindigen van de bouw werden nog verbeteringen aangebracht. Hoewel het laboratorium functioneerde wilde men in de consultatiezaal in 1933 een bunsen-brander. Het Bestuur stemde in met "het plaatsen van een gas-confoor in de kamer van de Heer Dokter in 't Gasthuis, om de ontle- dingen van allen aard te kunnen verrichten buiten de apotheek".

Zuigelingenconsultatie

De zuigelingenconsultatie in het O.L.V.-hospitaal, met twee fiere moeders. Zittend v.l.n.r. juffr. Berthe Boone (die voor 1914 hielp bij de zuigelingenconsultatie van de kliniek der Franse zusters) met kindje op de weegschaal, juffr. Marie-Antoinette Lernould, Dr. Louis Ronse en juffr. Anna Boudolf, directrice van het moederhuis.

Op 31 oktober 1933 ontstonden er problemen betreffende de ruimtes. "Aangezien de Hr. Dr. Ronse oordeelt dat de plaatsen bestemd voor de geneeskundige dienst te klein zijn in de nieuwe gebouwen van het gasthuis; aangezien er middel is om wat plaats bij te winnen met de schouwen weg te laten, besluit de Commissie uit te zien en schikkingen te nemen om die toestand te verhelpen".

In 1937 werden voor het voorgebouw nog supplementaire meubels gekocht. Op 6 april 1937 gaf “Dokter Ronse uitleg over de geleverde meubelen". De rekening bedroeg 2500 fr. voor meubilair bij Theo D’Haene en Demoor- Logghe. Ongeveer 2600 fr. werd besteed aan elektriciteit bij Beirnaert. Terzelfder tijd kreeg Louis Ronse ook een ‘régulateur électrique’ voor de operatiezaal.
Men maakte een bestek voor het dodenhuis op 28 januari 1936. De 'dodenkapel' kwam op 1 september 1936 klaar. Het was nu verboden overledenen in de kamers op te baren.

De zusters hebben spijts de verhuis nog lang gebruik gemaakt van het voorlopig klooster.Wat betrof het klooster en de kapel had men op 16 juni 1923 immers beslist nog te wachten. Hier waren onvoorziene kosten. Het was opgehoogde grond tussen de 11 m resten van de stadswal. De plannen ervan werden pas op 17 december 1926 goedgekeurd maar op 23 december 1927 moest dit opnieuw gebeuren. De grondvesten van de kapel leverden steeds problemen op. Zij moesten nog versterkt worden op 22 september 1933.
Om de zusters gewillig te zijn werd op 6 mei 1927 de voorlopige noodkapel dan toch “gewit in blanc fixe” voor het profes van Zuster Augustine.
Op 22 februari 1928 voerde men nog steeds palavers over de plannen van de nieuwe kapel. Hiervoor moest zelfs een delegatie naar Brussel trekken.
Het plan van het altaar in de kapel werd op 5 december 1933 aanvaard. Het altaar uit de voorlopige kapel werd verwijderd op 27 november 1934. Op dit ogenblik waren de zusters dus gehuisvest in het nieuwe hospitaal en de ganse constructie was nu klaar.

Officieel werden op 17 juli 1934 alle werken beëindigd en op 4 september konden de leden van de Commissie de ruimtes bezoeken.
Er werd op 9 oktober 1934 beslist een gedenkplaat aan te brengen en op 23 juni 1936 bestelde men bij de Firma Nels 12 foto-opnames.

  1. o.a. Depage, Vandervelde en Cheval: 'La Construction des Hôpitaux'. Bruxelles, Paris, 1912. Schoofs: 'Traité d'Hygiène pratique'. Paris, 1908.
  2. Op 18 april 1924 werd de afbraak geëist van de slecht herbouwde hoeve Verraes te Wijtschate.

2. DE MEUBILERING

De gebouwen waren klaar maar het meubileren heeft jaren geduurd. Kenmerkend was dat vooraleer iets aangekocht werd dit steeds in het 'bestuur'' besproken werd tot in het kleinste detail. Er was geen directeur- verantwoordelijke die beslissingen mocht nemen.
Op 13 februari 1923 besliste het 'Bestuur der Godshuizen' "30 m lijnwaad voor handdoeken te maken, dozen voor te steriliseren en een kleine pomp voor het Washuis". Op 3 mei 1928 werd 25 m 'drap d'hôpital' aangeschaft. Ook werd "2000 fr. voorschot gegeven aan de Overste voor een stuk toile-mixte voor lakens van de bedden".
Zuinigheid bleef de hoofdbekommernis. "De Overste van het O.L.V.- Gasthuis vraagt op 4 juli 1933 een watersteen in de waschplaats van de geneesheren. Gezien er misschien nog dergelijke waterstenen beschikbaar liggen zal er eerst naar uitgezien worden om toelating te geven".

Met al die besprekingen werd veel tijd verloren. Het Gasthuis moest de moderne trend volgen en zich aanpassen. Dit gebeurde echter moeilijk en vooral traag. Als voorbeeld de lange beddenhistorie.
In 1920 waren alle bedden nog in hout. In 1923 kwam geen verandering ofschoon het 'Comité voor Hulp aan de Geteisterde Gewesten' op 3 december zestig ijzeren bedden gaf. Die waren bestemd voor het gasthuis en de ouderlingentehuizen maar waarschijnlijk werden ze geplaatst in de homes.
Wanneer de verhuis naar het nieuwe hospitaal gepland was werden supplementaire meubels gekocht. Op 27 januari 1928 betaalde men drie eiken kasten en zes eiken lavabo's. Daarbij was er ook nog "een tafel en een tapijt voor de nieuwe spreekkamer" en de maand daarop zes stoelen en gordijnen voor de cellen van de Zusters.
De houten bedden zouden dus blijven. Er moesten op 16 juni 1931 nog enkele nieuwe bedden en nachttafels aangeschaft worden. Men bleef bij houten bedden. Dit was goedkoper. Vier maand later werden op 20 oktober "vijf nieuwe beddenressorts aan de oude bedden aangepast". Dit gaf voldoening en alle houten bedden van de mannenzaal werden daarop van nieuwe ressortbakken voorzien.
Op 14 februari 1933 merkten afgevaardigden van de Commissie echter dat er "verbetering te maken was aan de bedden en de ressorts". Er werden "modelbedden besteld ter inzage in het ziekenhuis". Op 22 augustus 1933 had de Maatschappij 'Simons' voorgesteld een bed 'Simona' aan te kopen. De Commissie was voorzichtig. Zij wilde het bed eerst uittesten. Dit viel mee. "Een bed Simona met bijzondere matras ten proeve gebruikt in het gasthuis geeft voldoening". Het bed werd op 19 september gekocht voor 3219 fr.

Op 17 juni 1934 was het voorgebouw klaargekomen. Hierdoor waren er twee nieuwe zalen bijgekomen en werd gedacht aan bedden. Dr. Ronse moest op 16 juni 1934 verslag uitbrengen over het modelbed. Tien dagen later werden dan vier Simonabedden gekocht, één voor ieder zaal. Op 18 september 1934 vroeg de firma of de Commissie er nog wenste. Men ging niet in op het voorstel. Er zou eerst nog wat uitgekeken worden.
Ondertussen waren ijzeren bedden besteld geworden bij het ‘Huis Depuydt’. Hand made! Ze zouden geëmailleerd worden door Maurice Cherchye en van nieuwe ressorts voorzien bij Mr. Colaert te Poperinge. Men kocht op 19 februari 1935 vijftig nieuwe bedden en er werden op 19 maart vijftig nachttafels besteld bij de 'Manufacture de Gembloux' aan 180 fr. de tafel.
De overige antieke bedden bleven nochtans in gebruik. Op 2 juni 1936 gaf de Commissie toelating om "de matrassen te verslaan", dit is de wol uit te kammen. De bedden konden blijkbaar ook met enkele details verbeterd worden. Dr. Ronse vroeg op 6 april 1937, zeven bedhaken te laten maken bij smid Depuydt. Waarschijnlijk om het een of ander te hechten?

Toch was er een noodzakelijke uitgave om ongelukken te voorkomen. Op 30 april 1935 kocht men 125 'veilleuse lampen'.

Voor metalen constructies werd meer en meer een beroep gedaan op de bekwame smid-fietsenverkoper-cafébaas Depuydt. Deze was daarbij ook de favoriet van Ronse voor het vervaardigen van chirurgische nouveautés.
Op 16 februari 1935 had hij in zijn ‘atelier’ tegenover de St.- Pieterskerk, een model nachttafeltje gemaakt voor de tien nieuwe privé- kamers die vanaf 1 maart geopend werden. Depuydt mocht daarop de negen overige maken aan 120 fr. het stuk.
Er werden ook minder chique tafeltjes voor de zalen besteld. Op 21 mei 1935 waren het er vierentwintig van bij de ‘Manufacture de Gembloux’. De Commissie gaf daarop order om de oude houten nachttafels "los te doen, er van te gebruiken hetgeen nog van waarde is en het overige te verbranden".
Er moest dus gewacht worden tot in 1937 vooraleer behoorlijke bedden gebruikt werden in gans het Hospitaal.

Het is eigenaardig dat getalmd werd tot 1934 om het eetgerij aan te passen. Op 11 november 1934 werd op de Commissie gesproken over "de verlotten drinkpotten en telloren voor de dienst der zieken. Gezien dit tafelgerief min of meer afkeer inboezent besluit de Commissie oorlof te geven aan de Eerweerde Overste om dezelve te vervangen door glas en gleiswerk".
Depuydt mocht daarop, op 1 juni 1937, “een karretje maken om de soepketel te vervoeren naar de zalen en een ander karretje om het ander eten te verwarmen”. Op 10 augustus moest dan aan de Overste toelating gegeven worden “om kommen te koopen voor het vervoeren van spijzen naar de eetzaal”.

Terloops werd er ook gezorgd voor meer gerieflijkheid. Op 25 mei 1937 mocht Dr. Ronse twee zetels kopen "mits eerst de prijs te laten kennen". Zuinigheid is een deugd! Dezelfde dag mocht de Overste “vijf zetels aankoopen voor de zieken buiten te zetten en er zouden twee banken aangekocht worden om in de gang te plaatsen”.
"Kennis nemend met het beknopt verslag van Heer Dr. Ronse over de noodzakelijkheid eener overdekte plaats in glas bij de ziekenzalen der mannen en insgelijks een bij die der vrouwen besluit de Commissie op 16 juni 1936 om Mijnheer Lernould te belasten met het opmaken van het plan". Op 11 augustus wijzigt men het project: "Betreffende een solarium te plaatsen op de koer der zieken. Mr. Lernould heeft geen verslag gemaakt maar Mr. Ommeslagh meent iets beter gezien te hebben". Dit lid wordt gevraagd inlichtingen te nemen.
De aanbesteding voor de twee constructies werd dan op 14 september en 19 oktober 1937 uitgeschreven.

Ondertussen werd op 20 juli 1937 zelfs beslist ook een 'solarium' te vervaardigen voor het TBC-lazaret zoals reeds gebeurd was voor de ziekenzalen. “Gehoord hebbende Heer Dokter Ronse, bestuurder van gezegd gesticht, na onderzoek en een plan opgemaakt door Mr. Schmidt dat bewijst dat dit bouwwerk eene uitgaaf zal vergen van ongeveer 24.000 fr. besluit de noodige pleegvorm te vervullen om de vereischte toelating te bekomen van de Hogere Bevoegde Overheid”.

3. ONVOORZIENE MOEILIJKHEDEN.

De bouw van het hospitaal was wel moeilijk verlopen. Er moest met zeer veel rekening gehouden worden, ook wanneer het gebouw reeds in gebruik was. Op 12 september 1924 zouden er nog twee - slechts twee! - badkamers ingericht worden (1).
Alles had zijn tijd nodig en er waren zoveel problemen. Zelfs konijnen! Die liepen er overal en gaven voldoende zorgen aan de 'commissie'. Op 27 november 1920 werd reeds geklaagd over de schade die konijnen aanrichtten bij de herbebossing. In 1924 was de plaag er nog. Nu was er voor 1000 fr. schade in de 'boomkwekerij' te Waasten.

In het gasthuis was het even erg. Architect Lernould moest daarom op 22 maart 1924 een plan en bestek maken voor een “ringmuur langs de wandeling, washuis, doodkapel en aanhorigheden . . in geluwsteen van de kust groot formaat van buiten en rood steen der streek langs de binnenkant”. Zo was de moestuin veilig.
Later zou hij nog kunnen uitgebreid worden. Op 30 januari 1925 gaf de COO toelating "om wat groensels te planten dienstig voor het hospitaal in de groententuin palend aan de brouwerij van Hector Vermeulen".
Over de muur was men echt tevreden maar hiermee was het probleem niet opgelost.“Vernemende dat de kiekens van het gasthuis in den hof van het moederhuis lopen zal Mijnheer Schmidt er mee belast worden een draad te spannen ten einde dit te beletten”. Op 7 oktober 1927 zou de overste toelating krijgen “voor ijzerdraad om de fruitbomen aan de muur te leiden en twee draden voor de wasch”. De commissieleden waren wel fel begaan met hun gasthuis... tot in de details!

Een ruimte voor het ontsmetten van het gebruikte materiaal was echter belangrijker dan de wasdraad. Hiervoor werd een speciale ruimte gepland tussen de twee operatiezalen. De werking ervan werd met veel aandacht door chirurg Ronse nagegaan. Herhaaldelijk zouden hier aanpassingen moeten gebeuren. In de besprekingen van de 'commissie' kwam dit regelmatig aan bod.
Reeds op 11 januari 1924 vroeg Dr. Ronse "een behoorlijke inrichting van ontsmetting in de lokalen van het Gasthuis". Er was een bestek van 'L'Auxiliaire Médical' aan 36.000 fr. met 'bijkomende benodigdheden' aan 93.000 fr. Men verkoos te wachten en het ontsmettingstelsel te verbinden met het bestek voor de watertoevoer. Op 29 februari 1924 besloot men het werk te laten uitvoeren door de aannemer van het hospitaalgebouw.
Op 23 mei 1924 - enkele weken vóór het in gebruik nemen van de nieuwe gebouwen - moest het atelier van Gustave Delahaye "ijzerwerk vervaardigen voor de kolve (kolf) van het ontsmettingstoestel" (2). Er werden nog verbeteringen aangebracht terwijl de sterilisatie in werking was. Op 11 februari 1927 liet Dr. Ronse nog een 'luchtbuis' in de kamer plaatsen en op 15 november 1933 vroeg hij een betere verlichting.

Enkele jaren later vond men 'de plaats van de ontsmettingsoven' te groot. Formol zou geen voldoende uitwerking geven. Men heeft eraan gewerkt maar op 7 januari 1936 "overwegende dat de apparaten die stoom leveren aan de sterilisatievaten geplaatst wierden zonder voorafgaandelijke toelating werd beslist onmiddellijk de noodige pleegvormen te vervullen om die kwestie in orde te brengen". Werd het werk niet goed uitgevoerd? Op 19 april 1938 ontplofte de 'sterilisator' en moest een nieuwe besteld worden. De 'brandkas' betaalde die.
Een ontploffing! Opnieuw zorgen voor de 'commissie'! Men had er zich echt niet aan verwacht.

In de kraaminrichting was er ook een ontsmettingtoestel. Wanneer het pas functioneerde werden toch nog kleine verbeteringen aangebracht. Ommeslagh, het Commissielid dat steeds de bouwwerken controleerde, werd hiervoor op 26 september 1932 naar Tessenderlo gestuurd om zich te informeren.
"Kennis nemend van een schrijven van de Heer Dr. Ronse op 31 augustus 1937, die de aandacht van de Commissie trekt op het feit dat er onhebbelijke uitwasemingen plaats grijpen in de sterilisatiekamer van het Moederhuis, wordt er besloten Mijnheer Schmidt te belasten met een onderzoek ter plaatse om na te gaan wat er kan gedaan worden"- Schmidt was de man belast met het onderhoud van de gebouwen.
Er mag verondersteld worden dat de 'heren' van de COO over microbenleer veel kennis opgedaan hebben.

Het inrichten van de centrale verwarming van het hospitaal zou echter een epos worden. Op 24 februari 1923 werden plannen en bestek door het Bestuur nagezien, 252.000 fr. Te duur! In het St.-Janshospitaal te Brugge met 15 ziekenzalen, kon het voor 185.000 fr. Het plan beantwoordde ook niet aan de wensen van het bestuur. Men wilde feitelijk kachels.
Tegen het advies van het Bestuur werd de centrale verwarming door tussenkomst van de Centrale Gezondheidsadministratie in 1924 dan toch geplaatst. De winter was op komst en het gebouw was in gebruik sinds de zomer. Op 7 november 1924 kwam een brief toe van "Mr. Verwilghen, afgevaardigde bestuurder van het Ministerie van Economische zaken te Yper, bij den welke hij 3000 kilos coke vraagt om de proef te doen van het verwarmingsstelsel”. Het werd een "njet". Geen cokes “aangezien het Bestuur van het begin af opgekomen is tegen het plaatsen . . aangezien de plannen en bestekken nooit aanveerd noch geteekend zijn geweest . . aangezien het stelsel door het Godshuizenbestuur afgekeurd is geweest, besluit het Bestuur het verwarmingsstelsel te weigeren en geen deel te nemen aan de voorlopige proef”. In het Gasthuis had men reeds kachels geplaatst.
Het was nochtans koud en niet alle kamers waren verwarmd. Aanstonds werd “één (sic) electrisch verwarmingstoestel aangeschaft om de bijzondere kamer te kunnen verwarmen, namelijk de ziekenkamer waarin tegenwoordig de Eerweerde Overste van het hospitaal verpleegd wordt”.

Ook de dokters klaagden over de slechte verwarming. Door tussenkomst van de overste vroegen zij op 31 december 1925 “een stoof om te plaatsen waar de instrumenten der chirurgie berustende zijn en door de vochtigheid roesten”.
De dienstdoende burgemeester Sobry kwam op 6 januari 1928 bij de Commissieleden “handelen over klachten betrekkelijk onvoldoende warmte” met gevolg dat ze “stoven zouden bijzetten”. Op 7 september 1928 moest nog een kachel bijgevoegd worden op de mannenzaal.
Zuster Madeleine had een eigen kijk op de zaak. “De Staat wilde er een centrale verwarming plaatsen en de heeren van de Burgerlijke Godshuizen kwamen er tegen op maar de Staat plaatste ze. In ‘t midden der zalen en gangen lagen de buizen die voorlopig bedekt waren met losse planken. Door de hardnekkigheid der heeren bleven die planken tot in mei 1928, zoo dus meer dan vier jaar in de ongerustheid en vrees dat er iemand zou verongelukken, bijzonderlijk de zieken die moeilijk er over konden gaan”.
De ‘hospice-heren’ hielden echter voet bij stek. Zuster Madeleine was nog aan het zuchten in mei 1929: “Wij zijn nu reeds 5 jaar in ons nieuw gebouw, reeds verschillende malen werd de aanvraag gedaan voor ‘t schilderen en ‘t wordt altijd uitgesteld. Iedereen spreekt schande over de vuile muren en deuren doch alles is nutteloos. De dagbladen schreven over de koude binst den winter want men mocht de centrale verwarming niet gebruiken en we moesten overal stoven plaatsen. De zuster die de nachtdienst deed moest 6 tot 7 stoven onderhouden".

In 1928 zou Burgemeester Colaert en op 7 maart 1929 de verdienstelijke Voorzitter Van Aerde overlijden. Een nieuwe burgemeester, Sobry, werd aangesteld alsook een nieuwe voorzitter, Desaegher. Uiteindelijk kwamen er ook nieuwe COO-leden bij, door de verkiezingen van 1929 en 1932. Verandering van bestuur zou de kachelhistorie oplossen.

Op 15 juni 1928 groot nieuws! Er was een voorstel tot “toeleggen der canalisatie ./. Gezien voor de canalisatie van de verwarming ./. slechts 12 openingen voorzien zijn, hetgeen groot ongemak zou teweegbrengen wanneer er aan de buizen zou moeten gewerkt worden ./. besluit de Commissie het aantal openingen te brengen van 12 op 25”.
Uiteindelijk kwam op 8 november 1929 toch alles klaar. "De overste van het gasthuis krijgt toelating om de centrale verwarming aan te steken”. De zusters en natuurlijk Zuster Madeleine waren tevreden: “In november 1929 mochten wij ze eens probeeren. D’eerste dagen waren de buizen langs waar het water wegliep versleten. We vreesden dat ze geheel versleten waren en het ware niet te verwonderen geweest ... maar God zij geloofd, na eenige moeilijkheden konden we de centrale verwarming gebruiken”.
Voor de Commissie bracht dit echter onvoorziene onkosten mee. Op 13 december 1929 vroeg de overste “10 fr. vergoeding voor de knecht die ‘s zondags belast is met de verwarming”.

Regelmatig waren daaraan herstellingswerken nodig. Op 2 februari 1932 moest de verwarming in de kraaminrichting hersteld worden en moest er met stoven verwarmd worden.

Op 22 februari 1933 was het verwarmingsprobleem er nog altijd: “Gehoord hebbende een gegronde opmerking door de Heer Dokter Ronse over de verwarming der zalen voor X-stralen en operatie, overwegende dat in de tusschenseizoenen de warmtegraad daar veel te wenschen laat en er behoort uitgezien naar een middel tot verwarming, besluit uit te zien in de handelsfoor van Brussel naar de beste toestellen tot verwarming en een aan te koopen om te plaatsen ten proeve, in de operatiezaal”.

Gods molen draait langzaam want latente weerstanden moesten steeds overwonnen worden. In de zitting van 20 maart 1934 krijgen we, één jaar later, weer dezelfde opmerking: “Gevolg gevende aan de gegronde opmerking ingebracht door de Heer Dokter Ronse over de verwarming der operatiezaal en kamer voor X-stralen en in verband met eene beraadslaging hiervoor genomen in zitting van 22 februari 1933 besluit tijdens de handelsfoor te Brussel uit te zien naar de laatste nieuwigheden van verwarmingtoestellen”.
Wij kregen daarna hierover niets meer te lezen.

Toch een troost voor de 'Hospice-Heren' : op15 november 1933 konden de stoven verkocht worden aan 50 fr. het stuk o.a. aan de pastoor van Zonnebeke.

  1. In het Nazareth, het rustoord voor mannen, werd slechts één badkamer gepland. Op 26 juli 1929 zou het Schepencollege aan de COO vragen een badinrichting te ontwerpen voor de bevolking. Het antwoord zou zijn: "Te moeilijk en het kan ook niet ten laste vallen van de COO". Bij aandringen zou dit op 6 september opnieuw geweigerd worden.
  2. Delahaye was de energieke man die in 1914 de Kliniek van het H.Hart gerund had en schepen zou worden. Hij had zijn vroeger werk hernomen.

4. CHIRURGIE IS DE GROTE SPECIALITEIT

De oorlog had een grote impuls gegeven aan de geneeskunde. Qua infectieziekten kwam er niet zoveel nieuws. Preventieve vaccinaties gebeurden geregeld maar voor een efficiënte behandeling zou moeten gewacht worden op de tweede wereldoorlog.

Tijdens de eerste oorlog kwam vaccinatie voor tyfus op dreef. Syfilis was ook een vaak voorkomende aandoening. Hiervoor was er reeds een medicijn, jodium met kwik- en arseeninspuitingen.
Miltvuur, tetanus en gasgangreen waren echter het gevaarlijkst. Die verwikkelingen kwamen op bij de meeste oorlogsverwondingen. Aarde en losgescheurde kledingstukjes brachten steeds besmetting mee. Miltvuur is een microbenuitzaaiing in het bloed op een lokaal abces. Het is dodelijk. Voor tetanus was er geen behandeling, enkel een tijdige vaccinatie. Bij gasgangreen (1) moest geamputeerd worden, maar wat bij aantasting van het abdomen en de thorax?

Men had gezocht naar preventieve middelen. In het hospitaal te Vincennes werden in 1915 door Carrel en Dakin - een Fransman en een Amerikaans vrijwilliger - een systematische drainage met spoeling van de wonden voorgesteld. De chirurg kreeg dus een belangrijke preventieve rol tegen de besmetting. In alle klinieken rook je sindsdien de doordringende geur van deze vloeistof. Deze was er ook nog toen Dr. Ronse te Ieper werkte.

Over de shocktoestanden was echter weinig gekend. Men begon pas notie te hebben van bloedgroepen. Bloedtransfusie was er niet. Wanneer Louis het toepaste werd het speciaal genoteerd. Dit gebeurde tot aan de tweede oorlog altijd rechtstreeks van de ene persoon naar de andere, bij middel van een spuit.

De chirurgie heeft tijdens de eerste oorlog nochtans enorm veel vorderingen gemaakt. Voor de beenderchirurgie - met hulp van de RX - en voor het herstel van de vreselijke verwondingen konden nieuwe technieken geëxperimenteerd worden. Schedelboring, pulmonaire en abdominale ingrepen werden dagelijkse kost. Esthetische chirurgie was ook totaal nieuw.
Door de oorlog werd de chirurgie als het ware de kern van de geneeskunde. In 1920 waren er omzeggens nog geen specialisten. De chirurg was de enige, de grote specialist. Hij kreeg een ongehoord prestige.
Een chirurg was beroemd navenant de grootte van de stad waar hij heer en meester was. Men had Sebrechts te Brugge, Lauwers te Roeselare en Kortrijk, waar ook Baekeland werkte. Ronse was in het kleine Ieper een groot orakel maar buiten zijn werkgebied was hij minder goed gekend.
Omdat andere specialisten zich niet zo vlug in deze uithoek vestigden was hij des te meer heer en meester. In 1973 schreef men: "Hij was te Ieper en vér in de omtrek de meest gekende geneesheer . De edele mens, die Dr. Ronse was, kon 'meer dan de anderen', durfde meer en slaagde ook. Zijn naam was een begrip; over hem sprak men met eerbied, schroom en bewondering” (2).
Louis mocht zich permitteren de huisdokters uit te kafferen wanneer een zieke opgenomen werd met verkeerde diagnose.

Tegenover de geneesheer waren de patiënten in die tijden ook nog gedwee, aanhankelijk. Kritiek was er nooit. De grootte van het vertrouwen in de arts was uiteindelijk omgekeerd evenredig met de geringe kennis van de geneeskunde.
Steeds was men de arts dankbaar voor zijn hulp. Veertig jaar geleden stierf een jongen aan septicemie (3) toen mijn vader op reis was. De moeder verzekerde mij onlangs echter dat “deze had kunnen gered worden was Ronse er geweest!”.

Daarenboven kon men tegen een duwtje. De patiënt was psychisch sterker, kon het lijden aan. Daarom werd er ook zolang gewacht vooraleer de geneesheer te consulteren.
Geen wonder dat de patiënten fier waren wanneer zij kinderen Ronse ontmoetten: “Joen vodre et mi nog gopereerd” (jouw vader heeft mij nog geopereerd) zo luidde het steeds opnieuw. Het was alsof gans de bevolking onder zijn mes gekomen was.
We mogen nochtans met Molière zeggen: “Dans la peau de son prochain il se taillait des rentes!”. Bij zijn medisch onderzoek richtte Dr. Ronse immers steeds de aandacht op een mogelijke chirurgische ingreep. Niets zat veilig weggeborgen in het lichaam of hij wist het zitten: nieren, prostaat, baarmoeder en de rest.

Hij verrichtte gemakkelijk een laparoscopie. Onder narcose wordt het abdomen dan geopend en kan men de letsels zien. Dit moet verricht worden bij diffuse darmverwondingen om die te kunnen hechten. Tijdens de oorlog had Louis hiertoe gelegenheid genoeg gehad. Nu deed hij dit bij moeilijk te definiëren klachten. Voor hem was de laparoscopie als een open boek waar hij de diagnose kon 'lezen'. Zeer dikwijls heeft hij hiermee diffuse tbc- letsels van het peritonium gediagnosticeerd.
Dr. Ronse was omni-present in het lichaam. Gans het lichaam hoorde hem toe. Het rechtzetten van de grote teen tot aan de schedelboring voor het verwijderen van een hersenabces of bloedklonter, met tussenin natuurlijk de kinderbedden, waren zijn 'sportterrein'.
Bij kinderen met difterie zijn er soms vergroeiingen in de keel die de ademhaling onmogelijk maken. Levensreddende tracheotomie moest in dergelijke gevallen frequent toegepast worden.

De chirurgie moest het in die tijden stellen zonder antibiotica, het enige middel om infectie te bestrijden. Voor het spoelen van zware wonden volgens Carrel-Dakin was 'snijden' dan ook noodzakelijk.
Er was nog meer. Bij infectie had je dikwijls ophoping van etter, abcessen. Dit was bij uitstek het domein van de chirurg. Opensnijden en verwijderen was dan levensreddend. Een sinusitis kan ontaarden in een abces. Een oorbesmetting kan een hersenabces geven. Op 11 oktober 1932 puncteerde Dr. Ronse zomaar een longabces. Bij een geïnfecteerde haemothorax - dit is een bloeduitstorting in de pleura - verwijderde hij op 3 november 1936 vier liter vocht.

Gewrichten waren dikwijls ontstoken. Dit moest dan ook gepuncteerd worden. Somtijds was die ontsteking chronisch. Dit was dan een 'wit gezwel' door tbc. Dit werd naargelang de toestand of gecuretteerd, of door een plaasterverband geïmmobiliseerd of het gewricht werd eenvoudig uitgesneden.
Een appendicitis is ook een lokale ontsteking. Bij doorbraak van het abces in de buikholte geeft het een dodelijke peritonitis. Er mocht niet getalmd worden wanneer men een ontsteking vermoedde. Voor alle veiligheid moest de appendix er uit.
Er waren ook talrijke hernia's. De darm wordt dan niet weerhouden in de buikholte en er ontstaat een uitstulping tussen de spiermassa's. Een liesbreuk is een oppervlakkige zakking van de darm onder de huid in de lies tot in het scrotum. Bij de dijbreuk ligt de zakking dieper, achteraan. Een umbilikale breuk ontstaat bij kinderen aan de navel.

Soms geraakte de patiënt bij al deze bewerkingen totaal uitgeput. Om de lichamelijke weerstand te verbeteren kon je terpentijn intramusculair inspuiten. Dit gaf een mooi abces die de fysische weerstand moest opkikkeren.
Dit alles was natuurlijk grove heelkunde. Zo werd niet omgekeken naar zware littekens. Bij een beenfractuur stak het ook zo nauw niet. Het mocht wat schuin of krom staan, zo de hechting maar hield. Die 'grove' chirurgie was wel veraf van de microchirurgie. Hiervan had men toen natuurlijk geen benul. Deze ‘mirakels’ waren voor de 'post-Ronse' periode.

  1. Bij gasgangreen ontstaat een besmetting door microben in de diepe weefsels, met ontwikkeling van gasbelletjes.
  2. Nieuwsblad van de Orde der Geneesheren 1973.
  3. Bij septicemie heeft men uitzaaiing van microben in de bloedcirculatie. Zonder antibiotica haalt men het niet.

5. HET BEDRIJF TE IEPER

In 1920 moest Dr. Ronse zijn territorium bepalen. Hij was de enige chirurg te Ieper. Hoe ver strekte zijn werkterrein? In Oostende, Brugge, Roeselare, Kortrijk, Rijsel was de chirurgie reeds georganiseerd.
In gans de Westhoek was er geen heelkundige. Te Poperinge was er geen chirurg in het hospitaal. Pas tegen de tweede oorlog zou Dokter Van Tomme er actief zijn. Hij was echter geen chirurg, wel een zeer gespecialiseerd huisarts. Slechts toen deze bij de bevrijding in 1944 vervangen werd door Dokter Langbeen kwam de kliniek er op gelijk niveau als de Ieperse.
Ondertussen stond Louis Ronse sinds 1920 van 8 tot 15u. in de operatiekamer van het Gasthuis en vanaf 1922 ook in de Kliniek der Zwarte Zusters. Hier moesten ook dagelijkse ‘zaalrondes’ gebeuren. Er was daarbij ook de consultatie voor behoeftigen in het Hospitaal. Wie kon betalen werd door Dr. Ronse 's namiddags thuis op consultatie ontvangen.
Daarbij richtte hij ook de zuigelingenconsultatie in voor het ‘Werk van het Kinderwelzijn’ - in goede kringen ‘la Goute de Lait’ genaamd. Hierin werd hij geholpen door Juffrouw Roedolf, de directrice van het Moederhuis. Ook Juffrouw Boone was behulpzaam. Die had vóór 1914 geholpen bij de zuigelingconsultatie met melkdistributie in de Franse Zusterskliniek. Zij was nu echter ook lid van het zgn. ‘Weldadigheids Bureel’.

Voor het middagmaal kwam papa zeer laat thuis, soms zelfs om 15 u. Daarna deed hij thuis zijn consultatie tot 20 u. maar dikwijls liep die wat uit. Patiënten uit Komen en Waasten huurden zelfs samen een bus om in groep naar de auguren te Ieper te reizen!
Ronse was een onvermoeibaar werker. Hierin geleek hij op zijn vader. Die wist ook van doorzetten. Op 26 september 1899 zegde J. Orban de Xivry nopens hem: "C'est une ronce bienfaisante qui s'accroche à la besogne, qui l'emporte - zoals de braam omstrengelt hij zijn taak en komt ze te boven". Wij hebben dit gezegde als familiespreuk gekozen: "Adhaerens (laborem rubus) emergit". Louis realiseerde ze reeds.
Nooit moe! Wanneer Zuster Bernarda, zijn assistente in de operatiezaal van het Gasthuis, het bijna begaf was het van “Wij doen voort!” of “Wij zullen beginnen!” Een nieuw geval wachtte dan reeds op de operatietafel. Vijf interventies op één voormiddag waren de regelmaat. In januari-maart 1937 vinden wij vier records van negen ingrepen en één van acht. Toch wel te veel voor één morgen! Dit was echter zeer uitzonderlijk.
Dit “Wij zullen beginnen!” hield hij de ganse week vol. Er was enkel ‘s zondags enige verpozing: in de voormiddag mis en daarop ‘tour de salle’ - weldra in twee klinieken.
Van ‘s morgens tot 's avonds werd er gewerkt. Daarenboven moest hij zich nog door studie op de hoogte houden van de medische evolutie. Dit was echter zijn ontspanning; die was immers steeds wetenschappelijk gekleurd.
Omgeven door zijn bibliotheek was hij 's avonds op zijn bureau met de gechambreerde fles bordeaux, de lekkere sigaar en natuurlijk vooral met een boek. Zijn vrouw bleef met de kinderen in de living.

Alleen de zondagnamiddag - na de ‘tour de salle’ in de ochtend - had hij tijd voor een wandeling. Hier gaf hij zijn kinderen dan les in botanica.
Zeer dikwijls ging het langs de vaart naar de IJzer. Wanneer hij naar Zillebeke toog had hij steeds een forse tang bij. Wij moesten langs een weg met erfdienstbaarheid. De boer sloot deze steeds af met pinnendraad. Louis vond dit onterecht en knipte deze telkens door. Latente agressie of herinneringen aan de oorlog?

6. DE GASTHUISWERKING

In de gezondheidsorganisatie van de streek bekleedde het Gasthuis de centrale plaats. Vóór de mutualiteiten de ziekenzorg bekostigden was het goedkoper voor de COO deze zelf te organiseren. Vooreerst was hier een consultatie en daarbij ook een opname. Beide waren gratis. Hiervoor had men natuurlijk toelating van de COO nodig.
Waarschijnlijk had Dr. Ronse geen consultatie in de Kliniek der Zwarte Zusters. Hoe zou hij hiervoor de nodige tijd gevonden hebben? Het waren ook privé patiënten. Thuis had hij hiervoor zijn privé consultatie.

In het Hospitaal was er een gratis consultatie. Er steken 'Consultatieboeken' en 'Operatieboeken' in het archief van het Gasthuis. Zuster Madeleine, directrice van de operatiezaal, heeft hierin de patiënten opgetekend waarvoor een chirurgische interventie nodig was (1). Zij noteerde steeds het ziekteproces, de narcose en het soort interventie.
In feite zijn dit medische dossiers. Toen schreef men de verrichtingen niet in. Met de talrijke nieuwe methodes voor klinisch onderzoek, met de fijnere meer gedifferentieerde ingrepen zullen deze notities natuurlijk steeds belangrijker worden. Thans wordt dit zelfs wetmatig gereglementeerd. Louis Ronse volgde de moderne trend. Het is een ongehoord boeiende materie waarin de evolutie van de chirurgie kan gevolgd worden. Teveel om het hier in detail na te gaan.
In de eerste maand van zijn praktijk noteerde mijn vader alles zelf. Waarschijnlijk was dit noteren dus een eigen idee. In augustus 1920 nam de zuster het over. Zij deed dit steeds zeer secuur. Het tellen van de gevallen was echter haar sterkte niet. Geen erg, in die tijd waren statistieken niet zo belangrijk.
Wel schreef ze de medische terminologie steeds op juiste wijze. Dit is nochtans niet altijd gemakkelijk. Zij kende de operaties met hun bizarre namen. Bij een liesbreuk gebruik je de techniek van Bassini. Voor een dijhernia is het die van Berger of De la Guenière. Een retroversie van de uterus wordt een Doleris of een Alexander-Adams en bij de vochtophoping in het scrotum of hydrocele wordt het een 'retournement de la vaginale'.

Er zijn echter moeilijker termen. In de pneumologie heb je de pneumolyse met interventie van Jacobeus en bij een longabces wordt ook een 'marsupialisation' of 'buidelvorming' verricht. En dan heb je nog de beenfractuur van Volckman of bij een femurfractuur de atelle van Carr. Wanneer een femurfractuur door extensie behandeld wordt, is het de techniek van Kirschner. Ook voor vingers was een speciale extensie apparatuur, het apparaat van Bohler. Wie kent nu nog de operatie van Moyot, van Thetowny, van Mirault en de osteosynthese van Danoie? Te veel om op te sommen! Veel van deze termen worden trouwens niet meer gebruikt. Zij behoren tot de geschiedenis van de geneeskunde.
Zuster Madeleine kende gans die nomenclatuur. Zij had mogen les geven aan de Universiteit.
De hospitalisaties vormden natuurlijk de grote massa van de cliënteel. Het aantal chirurgiepatiënten geeft een goed zicht op de evolutie van de opnames. We nemen de periode van juli 1920 tot december 1937. Dit is de tijdspanne waarop Dr. Ronse de enige chirurg was die verbonden was aan het Hospitaal. Hier ziet men per jaar een voortdurende toename: van 103 tot 788 ingrepen (2). In totaal maakt dit voor die periode 7932 ingrepen in het Gasthuis.

We zien dus een constante stijging die plots door de ziekte van de chirurg op het einde van 1937 zal onderbroken worden. Daarbij moet ook rekening gehouden worden met het werk in de kliniek der Zwarte Zusters. Louis kwam hier dagelijks. Wij mogen veronderstellen dat het aantal interventies ongeveer de helft was van die in het gasthuis (3). Wij komen dus van 1920 tot 1937 tot meer dan 10.000 ingrepen voor beide klinieken. Louis werkt dus wel hard.
Deze rekensom geeft echter niet het totaal van de verzorgden. Niet alle opgenomen patiënten werden immers ingeschreven. 'Operatieboeken' bevatten slechts de patiënten die een operatie ondergaan hebben met anesthesie.

Hetzelfde geldt voor de 'Consultatieboeken'. Ook hier werden niet alle patiënten opgetekend. Relatief waren er hier zelfs meer gevallen zonder verdoving dan in de 'Operatieboeken'. Zo heeft het tellen van het klein of groot aantal gevallen in de 'Consultatieboeken' geen betekenis. De overgrote meerderheid van de gevallen onderging geen anesthesie.
De naam 'Consultatieboek' was in feite slecht gekozen. Voor hen was het enig kenmerk: niet gehospitaliseerd te zijn. Heden zouden zij 'dagpatiënten' genoemd worden. Hospitalisatie had voor die gevallen ook gratis kunnen gebeuren. Blijkbaar wilden ze vlug naar huis. Zij konden dus 'tegen een duwtje'.
Al de interventies op deze 'consultatie' gebeurden ook in de operatiezaal van het ziekenhuis zoals voor de gehospitaliseerden. In de 'Consultatie'- en 'Operatieboeken' vinden wij dezelfde pathologie. Op de 'consultatie' waren het immers niet altijd lichtere gevallen. Hieronder vinden wij zelfs gewonden door granaatontploffingen.

Op 18 oktober 1921 behandelde Ronse op de 'consultatie' een slachtoffer met schedelbasisfractuur door granaatschroot. Op 19 augustus 1921 werd hier een voetamputatie verricht. Hiervoor werd zelfs Rachi-anesthesie toegepast. Er werd tijdens de 'consultatie' ook ether gebruikt voor curettage op metrorhagie of endometritis. Dit gebeurde zelfs voor het wegnemen van een hydrocoele van het scrotum.

Cystoscopie was op de consultatie ook frequent. Dit is kijken in de blaas, meestal bij prostaatlijders. Hiervoor moest niet gehospitaliseerd worden. Indien moest ingegrepen worden kon de patiënt na afspraak terugkomen. Dit kwam progressief meer en meer voor.

In de 'consultatie boeken' vindt men een belangrijke specifieke populatie. Hier werden veel beenderbreuken en handletsels verzorgd waarbij verdoving - eventueel lokale - toegediend werd. In die tijd kwamen immers enorm veel dergelijke werkongevallen voor. Vooral handletsels waren daarbij juist na de oorlog een echte catastrofe.
Van juli 1920 tot december 1937 werden er 2734 cliënten in de 'dagkliniek' van het Gasthuis geholpen. Hieronder waren er 242 handletsels met verwonding of fractuur en 188 handletsels met besmetting. Dit maakt in totaal 430, ongeveer het zesde van de totale gevallen (4).
Soms vormt die categorie bijna de helft van het totale aantal. Ongehoord! De heropbouw in het puin was hiervan wel een oorzaak. Gelukkig ziet men in de evolutie toch wat verbetering. De volgende jaren bleef het nochtans bij één derde, wat ook niet weinig is.
Op te merken valt dat tussen die 'handconsultanten' wel een tiental ijverige naaisters zijn bij wie een stuk naald uit de vinger moest verwijderd worden.

In die tijd dacht men dat moeilijk inademen te wijten was aan een 'scheef neus-tussenschot'. Men zette ze recht aan de lopende band. Hiervoor was echter een hospitalisatie noodzakelijk.
Er was ook het 'amandeltrekken'. Een industrie op zich! Bij chronische keelontsteking moesten de keelamandelen in de maanden augustus-september eruit. Een lopende band van resems kinderen! De wezen van de 'gestichten' waren ‘goede’ patiënten. De COO gaf op 7 september 1937 de toelating aan Moeder Overste van Loker "om van de twee kinders die lijden aan neusverstopping de polypen te doen wegnemen door Dr. Ronse".
Dit geschiedde natuurlijk ook in de operatiezaal. De patiëntjes werden niet gehospitaliseerd. Na de narcose met ether werden zij in afwachting van het ontwaken, netjes in de gang op een rij gelegd. Het gebeurde soms dat er eentje moest braken. Dit was dan echter dikwijls op zijn buur.

Stilaan zou in de 'Consultatieboeken' vooral die operatie ingeschreven worden Wij zien eerst dat vanaf 1941 alleen nog amygdalectomieën en cystoscopieën als consultanten voorkomen. Voor de andere ingrepen werden de patiënten dus niet meer aanstonds naar huis gestuurd. Na 1943 zouden de cystoscopieën ook niet meer genoteerd worden. Er bleven nog dan enkel lijsten van tonsil-patiënten. De antibiotica zouden echter weldra ook hieraan een einde maken.
In totaal werden er in de 'Consultatieboeken' van 1920 tot 1943, 3850 gevallen van amygdalectomie ingeschreven. Dit was 10 à 15 gevallen per maand. Zelfs in de oorlogsmaanden vinden wij geen verandering. De getallen blijven dezelfde. In 1939 waren er 229 cliënten, in 1940, 185 en in 1941, 145.
Tussen 13 mei en 24 juli 1940 heeft men niets opgetekend. Het Hospitaal werd toen overspoeld door vluchtelingen en gewonden. Opmerkelijk is wel dat Dr. Dubrulle, de nieuwe associé, de eerste amygdalectomiegevallen na de Duitse inval behandelde. Andere geneesheren worden in die periode niet vermeld.
Dr. Lantsoght de geneesheer van de Kliniek van de Zwarte Zusters, had dan twee gevallen van de 137 die zich in augustus 1940 aanboden. De Kliniek der Zwarte Zusters was in die periode immers door de Duitsers bezet.

  1. Consultatie- en Operatieboeken. Archief OLV-Hospitaal Ieper.
  2. De eerste zes maanden in 1920 waren er 65 gevallen. In 1925 waren er 363; in 1930, 486; in 1935, 611 en in 1937, 788.
  3. Een klein rekensommetje! In zijn artikel 'les Bases Hydroliques de la Rachianethésie', gepubliceerd in 1932 verklaart Louis 3000 rachi- gevallen gehad te hebben. In het Hospitaal zijn er bij het tellen slechts 2000. Dit maakt 1000 voor de Kliniek, dus de helft.
  4. In de zes maand van 1920 waren er 58 handletsels op 134 consultaties. 1921 geeft 63 op 184 consultaties. 1923 geeft 35 op 166. 1924 geeft 25 op 125. 1926 geeft 32 op 84.

7. DE HEREN BASSINI EN MAC BURNEY

Zuster Madeleine beweerde dat er veel routineoperaties waren. Tussen de twee wereldoorlogen vormden de appendisectomiën en de herniaoperaties, met de liesbreuken, de hoofdschotel voor de chirurg. Dij- en navelbreuken waren integendeel zeldzaam: nooit meer dan een tiental per jaar.
Het aantal van die twee operaties nam geleidelijk toe. In 1925 vertegenwoordigden ze een vijfde van het totaal aantal interventies; in 1935 de helft (1).
Op te merken valt dat de appendicitisgevallen tussen 1921 en 1937 flink stegen. Het aantal liesbreuken veranderde weinig.
Appendisectomie was zeer belangrijk want appendicitis was in die tijd zonder antibiotica zeer gevaarlijk. Bij de interventie bemerkte Dr. Ronse dikwijls dat de appendix necrotisch was. Ook was er dikwijls een doorbraak van etter in de buikholte met peritonitis. Hiertegen kon niet veel gedaan worden tenzij de buikholte spoelen. Louis verloor zelfs een schoonzuster door deze ziekte.

Het was normaal dat zelfs een gezonde appendix weggenomen werd wanneer men er 'in de buurt' van kwam tijdens een andere interventie. Louis verrichtte dit meestal bij gynaecologische ziektes: hysterectomie, ovariumkyste, salpingitis, extra-uterine zwangerschap, zelfs bij de dolerisoperatie, dit is het verbeteren van een zakking van de baarmoeder.
Bij ergere ingrepen gebeurde dit ook, o.m. bij de hechting van een maagperforatie of bij een ulcus van het duodenum. Ook werd de appendix soms weggenomen bij een cholecystectomie of bij een interventie volgens Bassini.

Statistisch verhoogt dit het aantal appendicitisgevallen. Ronse overdreef hierin echter niet. Van juli tot december 1933 waren er 48 appendicitisingrepen waarvan 11 ter gelegenheid van een ander interventie. In 1934 waren er 174 appendicitisgevallen waarvan 23 secundair waren aan een andere interventie.
Voor een liesbreuk gebruikte men de techniek van Dokter Bassini. Het was Dokter Mac Burney die de behandeling van appendicitis op punt stelde. Dit waren dus twee belangrijke voorlopers. Hoe komt het dat de chirurgen nooit een standbeeld opgericht hebben ter nagedachtenis van deze voorzaten die hun 'portemonnaie' zo goed vulden? Ze mochten vooral Mac Burney dankbaar zijn.

  1. In 1921 verrichtte de chirurg 193 operaties, waarvan 52 bij liesbreuken, 2 appendisectomiën. In 1925: 363 operaties waarvan 51 bij liesbreuken, 21 appendisectomiën; d.i. bijna één vijfde van het totaal aantal interventies. In 1931: 478 operaties waarvan 48 bij liesbreuken, 114 appendisectomiën; dit is in totaal bijna de helft van de operaties. In 1935: 611 operaties, waarvan 58 bij liesbreuken, 160 appendisectomiën; d.i. samen 218, weeral bijna de helft. In 1937: 788 ingrepen waarvan 78 liesbreuken. 233 appendisectomiën; dit is steeds bijna de helft van de operaties.

8. OVER IJZERRAPERS EN OBUSSENKLOPPERS

Louis Ronse werd vanaf zijn benoeming opnieuw geconfronteerd met oorlogschirurgie. Op de slagvelden rond Ieper lag een onuitputtelijke voorraad schroot, zowel ijzer als koper. Bijna zoals goudzoekers was men in de aarde aan het woelen. In de streek waren tal van opkopers voor metaal bedrijvig. In de stad zag men op de achterpleinen steeds hopen schroot.
"De ijzermarchands kochten het koper op. 't Waren al cartouchen (kogelhulzen) dat ze opzochten. Er waren kenners bij die al de plaatsjes kenden waar er mitrailleuses gestaan hadden. Wij achtervolgden hen een beetje en we leerden dat ook kennen. Je vond er veel evenals loden bolletjes (van brisantgranaten). Tien of vijftien jaar later kon je er nog je dagloon mee verdienen. Wij gingen in de velden zoeken: bolletjes of ijzer." (1)
In 1940 werd er nog steeds schroot gevonden. Op 9 januari besliste de COO dat "de inkomsten van behoeftigen die ijzer zoeken (en steun ontvangen) op forfaitaire wijze wordt geschat op de som van 11 fr. per dag, zijnde het bedrag van den steun ontvangen in het werklozenfonds door een alleenstaande."(2)
Het waren niet alleen brokstukken en hulzen die men zocht maar, mits wat geluk, waren er ook niet ontplofte granaten. Het was voldoende de kop er af te vijzen nadat de roest er afgeklopt was.
Dit had gevolgen voor het werk van de chirurg. In april 1920 waren "veel Yperlingen teruggekeerd en ten anderen lagen er hier en in d’omliggende gemeenten veel obussen waarvan het ijzer en de koperen banden verkocht wierden aan hoogen prijs. Daardoor kwam veel volk van alle kanten: Harelbeke, Roeselare, Meulebeke enz. om dat oorlogstuig los te draaien. Een zeer onvoorzichtig werk. Somtijds waren er wel 15 dooden en gekwetsten door één obusontploffing”. In het Hospitaal was slechts één “in steenen gebouwde kapel voor de dooden waar er maar twee lijken konden geplaatst worden alhoewel er somtijds tien lijken waren.” (3)
Voor details volstaat het de lokale pers na te gaan. Een voorbeeld: "Mardi dernier 20 mai un ouvrier de Messines, Arthur Decrocq, était en train de préparer pour la mise en culture, le terrain derrière l'ancienne fabrique de tuiles et tuyaux de drainage de Mr. Menu, sur le territoire de Wytschaete, lorsque vers 10 h. une violente explosion se produisit. Les voisins accourus aussitôt, trouvèrent Decrocq étendu sur le sol tout ensanglanté, le corps et la face couverts d'affreuses blessures. Le Doteur Reypens de Messines, prévenu aussitôt, lui donna les premiers soins et le fit transporter à l'hôpital d'Ypres. Si le blessé peut échapper à la mort, il sera peut être privé de vue. Decrocq est marié et père de six enfants. Deux frères de sa femme ont déjà été tués, il y a deux ans, par une explosion d'obus dans des circonstances semblables". Dit was geen 'obussenzoeker'. Bij het bewerken van akkers was er steeds gevaar dat de ploeg een niet ontplofte granaat raakte.
Het slachtoffer werd niet geopereerd. Werd hij verzorgd zonder verdoving? Misschien stierf hij bij zijn aankomst in het hospitaal (4).

Van bij de aanvang was het soms erg druk. Al cliënten voor Louis! Op de consultatie werden er in de zes eerste maanden reeds negen slachtoffers van granaten verzorgd. Elf werden in dit jaar opgenomen. De aangevoerde doden kennen we natuurlijk niet.
De volgende jaren waren even erg. In 1921 telde men 12 consultaties en 46 opnamen, het jaar daarna 10 consultaties en 20 opnames. De volgende jaren zouden minder tragisch zijn. Op de raadpleging waren er in 1923 drie en het jaar daarop vier; vanaf 1925 echter geen enkele meer. Wel werden nog steeds slachtoffers opgenomen. Van 1923 tot 1927 waren er ongeveer evenveel:15, 18, 13, 16, 18. In 1928 zes gehospitaliseerden en in 1929 vier. Vervolgens waren er omzeggens geen accidenten meer. Niets in 1930 en telkens één de drie volgende jaren. Er was niet zoveel schroot meer te vinden. In 1934 waren er dan plots vier ongevallen maar slechts twee in 1935 en één in 1936 en 1937. Het was nog niet afgelopen. In januari 1938 was er nog een die door Dr. Dubrulle tweemaal geopereerd werd. Daarna werden geen slachtoffers meer opgenomen.

  1. Elf Novembergroep: Van den Grooten Oorlog 1987 p. 339.
  2. Verslagboeken OCMW Ieper.
  3. Zuster Madeleine Beele o.c.
  4. 't Ypersche - La Région d'Ypres. 24 mei 1924.

9. IETSJE OVER ANESTHESIE

De vooruitgang van de chirurgie was vooral afhankelijk van een goede anesthesiemogelijkheid. Zij mag niet giftig zijn en moet lang genoeg werken. Dit zijn twee tegengestelde vereisten. Pas tijdens de tweede wereldoorlog zou de intraveneuze anesthesie aan de vereisten voldoen, t.t.z. niet meer gevaarlijk zijn en langdurende interventies toelaten.
Verdoving met chloroform en ether, die wel milder was, werd reeds ontdekt rond 1840. Deze methodes werden echter slechts geleidelijk toegepast. Het lijden werd als een biologisch gegeven geacht, ook door God gewild. Omdat Koningin Victoria het durfde gebruiken voor haar bevallingen werd chloroformanesthesie doorslaggevend.
Lokale verdoving kwam er pas rond 1880 en een tiental jaar later werd de rachi-anesthesie voorgesteld. Alle verdovingsmiddelen hadden hun nadelen. Chloroform is giftig voor de lever, de ether eveneens maar in mindere mate. De 'Rachi'-anesthesie kan soms ook gevaarlijk zijn.

Mijn vader was mee met zijn tijd. Dit kwam vooral tot uiting bij het toepassen van de anesthesie. Wat toen mogelijk was heeft hij steeds toegepast en volledig uitgebaat.
Het is boeiend na te gaan hoe hij als chirurg de soort anesthesie aanpaste (1). Louis Ronse begon zijn interventies te Ieper op 1 juli 1920. Op dit ogenblik kon hij kiezen tussen drie mogelijkheden: chloroform, ether en lokale verdoving.
Lokale anesthesie werd zoveel mogelijk toegepast. Zelfs lies- en dijbreuken werden onder lokale verdoving verricht, wat toch voor de patiënt niet zo aangenaam was. Soms moest dan supplementair een algemene verdoving verricht worden. Alleen beklemde breuken kregen aanstonds een algemene verdoving.

Louis gebruikte voor interventies aan de arm, de 'brachiale anesthesie'. Door verdoving van de zenuwplexus in de hals werd die totaal uitgeschakeld. De patiënt zou dit op heden niet verdragen en geen enkele chirurg zou dit nog durven verrichten. Was het echter wel door verdoving van de perifere zenuwplexus? Misschien duidt de 'brachiale anesthesie' een hoge 'rachi-verdoving' aan. Dit was, ofschoon gevaarlijk, toch gemakkelijker te verwezenlijken.
Hij paste soms ook epidurale anesthesie toe. Het verdovingsmiddel werd dan ingespoten ter hoogte van het staartbeen zodat de lumbale gevoelszenuwen verdoofd werden. Heden wordt dit nog toegepast voor bevallingen. Eigenaardig genoeg verrichtte hij dit bij bedwateren. Hij wilde waarschijnlijk hiermee het onbewuste zenuwstelsel van de bloedvoorziening beïnvloeden.

Voor de algemene narcose gebruikte mijn vader aanvankelijk steeds chloroform. Ether werd minder gebruikt. Een eerste maal gaf hij ether op 23 augustus 1920 bij een borstzweer. Op 6 september was het voor insnijding van een panaris - een diffuse vingerontsteking - en twee dagen later voor het verwijderen van een kogel uit de schouder. Op 28 september 1920 werd onder etherverdoving een zweer van de anus uitgesneden. De rest van de patiënten moest het in 1920 stellen met chloroform. Zo werd voor diepere anale ingrepen zoals hemorroïden en fistels, alsook voor gynaecologische operaties, steeds chloroform gebruikt.
Dit zou duren tot november 1920. Dan werd plots geen chloroform meer gebruikt tenzij voor gynaecologische ingrepen zoals curettages. Dit laatste zou echter slechts twee jaar duren.
Vanaf 9 oktober 1922 was het definitief gedaan met de chloroform. Zij werd nadien nog maar uiterst zelden toegediend. Er werd enkel nog ether gebruikt. Louis had ervaren dat de patiënt ether beter verdroeg. Bij gynaecologische ingrepen zou hij gedurende lange tijd de ether de voorrang geven op de 'Rachi-anesthesie'.
Op 19 augustus 1921 paste hij voor het eerst 'Rachi-anesthesie' toe. Deze techniek zou dan progressief alle andere narcose vervangen. Slechts gynaecologische interventies onder ether vormden nog een uitzondering.
De 'Rachi-anesthesie' is echter een verhaal op zich.

  1. Consultatie- en Operatieboeken.

10. DE 'RACHI'.

Bij de 'Rachi' wordt een curareproduct rond het ruggenmerg ingespoten. Dit schakelt alle zenuwgeleiding uit over een dertigtal cm. Zo ontstaat er gevoelloosheid maar ook verlamming onder de plaats van de inspuiting. Dit is wel gevaarlijk.Wanneer het gif stijgt tot de hoogte van de levensknoop in het verlengde merg krijg je verlamming van de levensverrichtingen. Dan volgt een ogenblikkelijke dood.

Wanneer Louis opereerde moest dit snel gebeuren. Locale anesthesie duurde niet lang, met ether kon je beschikken over een half uur maar met een 'Rachi' kreeg je meer tijd. Er was ook het voordeel dat je bij deze interventie alles zelf kon doen zonder anesthesist.
Wanneer de operatie echter te lang aanhield moest de Rachi-anesthesie nog vervolledigd worden met ether. Tegen 1938 kon de 'Rachi' echter wat verlengd worden volgens de methode van Jones. Men voegde bij het curare wat adrenaline die de bloedvaten doet samentrekken. Zo wordt curare minder vlug geëlimineerd.

De eerste patiënt die op 19 augustus 1921 Rachi-anesthesie kreeg was Aloïs P. Zijn voet was afgerukt bij het losschroeven van een granaatkop. Dezelfde anesthesie verrichtte Louis Ronse op 31 augustus, voor het reinigen van een diepe wonde tot in de beenderen van hiel en voet. Dit gebeurde bij Edmond T., opnieuw voor een oorlogsverwonding.
Op 30 augustus 1921 opereerde hij twee liesbreuken met die verdoving. De chirurg zou vanaf die datum meer en meer de 'Rachi' gebruiken voor dergelijke gevallen. Hetzelfde voor appendisectomie. Zijn eerste ingrepen - er was in die periode merkelijk weinig appendicitis - werden op 7 en 14 februari 1922 verricht. Dit zou dan ook de regel worden bij deze interventie.
Louis was echter zo tevreden met die techniek dat hij ze op 29 augustus 1921 toepaste voor een curettage bij een banale ontsteking van de baarmoeder. Na een tweede poging bij een patiënte met dezelfde ziekte vond hij de 'Rachi' toch te zwaar. Hij zou dan verder zoals gezegd, steeds ether gebruiken voor gynaecologische ingrepen.
Gezien breuken en appendicitis de hoofdschotel voor de chirurg waren, gebeurden er meer en meer 'Rachis' en geleidelijk aan werd Louis expert in die materie.
Hij was zoals Sebrechts te Brugge. Men beweert dat deze gedurende zijn loopbaan er een twintigduizendtal zou verricht hebben (1). In 1932 kon Louis zijn bevindingen geven over tien jaar praktijk. Hij schatte het aantal op een drieduizendtal gevallen (2). Bij telling vinden wij er maar tweeduizend in het Hospitaal. De duizend overige heeft hij dus in de kliniek der Zwarte Zusters verricht. Na het verschijnen van zijn studie heeft hij er gedurende vijf jaren - dit is dan tot aan zijn ziekte, eind 1937 - juist geteld nog eens twee duizend in het Hospitaal verricht. Het was dus een exponentiële toename.
Hij heeft na zijn ziekte nog dertig jaar gewerkt. Het zouden er dan wel geen 2000 per vijf jaar meer zijn gezien Dr. Dubrulle toen meehielp. Nochtans bleef hij ook nog in de privé kliniek der Zwarte Zusters werken ofschoon in mindere mate. Wij kennen het totaal verrichte 'Rachis' niet maar mijn vader moest heel zeker niet onderdoen voor Sebrechts.

Zowel Sebrechts als Ronse waren experts geworden in die techniek. Louis was het nochtans niet helemaal eens met zijn collega. Om het product over een groter gebied te laten werken zou men in Brugge, het ruggenmergvocht enkele maal in de spuit.opzuigen en terug inspuiten. Het is de 'barbotage'. Louis bekwam een gemakkelijker resultaat met de 'brassage', d.i. wat vocht te laten afvloeien en wat lucht inspuiten om het 'hypobare' - dit is lichtere - product hogerop te brengen.
Nadien meende Louis dat hij meer succes zou gehad hebben indien hij in plaats van het woord 'brassage' 'tourbillement' zou gebruikt hebben, in het Duits 'Durchwurzelung'. Hij vergat echter dat Sebrechts tal van assistenten had opgeleid die allen de 'barbotage' gebruikten. Wat was de beste methode? Wij laten de discussie over aan deskundigen... maar die zijn er nu niet meer.
Louis was het met Sebrechts eens om bij de anesthesie steeds een naald in een armader aan te brengen. Zo kon tijdig een bloedvatvernauwend product ingespoten worden wanneer een acute bloeddrukval ontstond. De 'Rachi' is immers niet zonder gevaar. Het was eenvoudig een naald, baxters bestonden toen nog niet.

De plaats waar het gevaarlijke product ingespoten werd was bepaald door de plaats van de ingreep. Hier gebeurde er dan echte acrobatie die niemand meer nog zou aandurven.
Voor alle ingrepen onder de navel spoot je in ter hoogte van een lumbale wervel. Voor al wat boven de navel ligt, maag en galblaas, was een lage dorsale wervel goed.
Voor thorax interventies, zoals voor borstkanker, moest je echter prikken ter hoogte van de zevende dorsale wervel. Hetzelfde gold voor een 'plexusanesthesie', de verdoving van gans de arm. Ook dit was gevaarlijk. Op dit ogenblik werken de spieren van de borstkas niet meer. Gelukkig is er een zenuw, de frenicus, die vanuit de hersenen het middenrif doet werken en de ademhaling overneemt. Was die er niet dan had je verstikking.
Men durfde hoger prikken. Bij cervicale ingrepen maar ook bij alle ingrepen tot de hoogte van de neus, prikte men ter hoogte van de vierde halswervel. Vreselijk!
Men durfde echter de dodende stof nog hoger inspuiten. Dit gebeurde langs het 'foramen ovale', de laagst gelegen opening in de schedel. De patiënt was dan nog steeds bewust en voelde er zich dan steeds niet goed bij. Door overdruk in het hersenvocht moest hij dikwijls braken, wat voor de chirurg zeer storend was. Geen erg! Het braken stopte wanneer de neus toegeknepen werd.
Acrobatie! Bij dergelijke ingrepen was de chirurg als een koorddanser!

Louis was zo zelfzeker dat hij deze verdoving verrichtte op de consultatie - dus bij patiënten die slechts één dag opgenomen werden. Na een 'Rachi' moet men absoluut horizontaal blijven liggen. Ook heeft men meer dan één dag nodig om te bekomen. Blijkbaar kon dit. Van 1920 tot 1938 behandelde hij er 13 in de 'dagkliniek'.
Soms gebeurde de 'Rachi' nochtans waar een minder ingrijpende anesthesie had kunnen toegepast worden. Zo werd dit gebruikt voor het aanbrengen van een gips korset bij erge coxalgiepijnen, ook voor een fractuur van de 12e dorsale wervel. Er werden ook enkele patiënten op dergelijke wijze verdoofd voor een cystoscopie, dus bij het kijken in de blaas. Dit was echter in het begin dat hij deze anesthesie toepaste. Was het zijn enthousiasme? Later zou hij hiervoor geen zo ingrijpende verdoving meer gebruiken.

  1. Dr.W. De Groote: De Figuur van Prof. Dr. Sebrechts, 50 jaar na zijn overlijden Werkgroep Montanus. 13 mei 1998. Collegium Medico-Historicum Brugense.
  2. L.Ronse: 'Les bases hydrauliques de la rachianesthésie. Rapport présenté à la Séance de la Société Belge de Chirurgie du 28 mai 1932'. Journal Chir. et Annales Soc. Belge Chir. 1932, 29, p. 208-230. Ook in: Le Scalpel, 1932, 85, p. 323.

Hoofdstuk 16

CONCURRENTIE

1. NIEUWE SPECIALISTEN OP KOMST

Bij het inrichten van een kliniek moest in 1920 reeds gedacht worden aan diverse specialiteiten. Wij vinden dit reeds in de kliniek van Professor Depage in ‘l’Océan’ van De Panne (1). Dit was een moderne kliniek van universitair niveau die voor Louis als voorbeeld kon dienen. Hier stond de chirurgie nog centraal maar nochtans waren er reeds verschillende afdelingen. De oogkliniek, de stomatologie, de neurologie, de infectieziekten waren afzonderlijk. Daarnaast was er ook een dienst voor sterilisatie en voor radiografie, verder ook een laboratorium en een apotheek.
Hoe was de situatie te Ieper? Welke specialiteiten waren er reeds?
De eerste specialist die Dr. Ronse en Dr. Dochy zou helpen werd op 3 augustus 1928 aanvaard. Als neus-keel-oorarts mocht Dokter Billiau aan de slag aan 4000 fr. per jaar. Deze taak vervulde hij naast zijn werk als adjunct in de Psychiatrische kliniek.
Dr. Billiau had het wegens ziekte soms wat moeilijk. Reeds op 29 augustus 1930 mocht hij “verbonden aan het hospitaal onvergolden met de X- stralen onderzocht worden”. Nadien is hij nooit zeer actief geweest. Hij had ook een huisdokterpraktijk.
Ondanks de aanwezigheid van Dr. Billiau heeft Dokter Ronse tot het einde van zijn loopbaan ook neus- keel- en oorziekten behandeld. Men kan zich afvragen of de operaties van dokter Billiau in de ‘operatie- en consultatieboeken’ ingeschreven werden. Waarschijnlijk niet.
Kleine chirurgie waarbij toch verdoving toegepast werd vinden we er niet in terug. Doorboren van trommelvlies, ledigen van een mastoïditis is er niet, ook niet het puncteren van een maxillaire sinus. Vooral het rechtzetten van het neustussenschot ontbreekt. Nochtans was dit een van de meest toegepaste interventies van de neus-keel-oor-specialist. Wanneer de ademhaling een ietsje last gaf - ook snurken- moest het tussenschot het ontgelden. Was dit werk voor Dr. Billiau?
De ‘consultatie en operatieboeken’ waren blijkbaar de persoonlijke dossiers van chirurg Ronse. Zo was het ook voor Louis nog steeds op dit niveau een flink kappen en snijden. Microchirurgie bestond nog niet.
Thuis en natuurlijk ook in de kliniek, had Louis een draaistoel voor het evenwichtsonderzoek. Bij het draaien kan je de oorzaak vinden: bevindt het letsel zich in het oor of in de hersenen? Voor de kinderen thuis, was de draaistoel natuurlijk de carrousel.

Ophtalmologie was reeds vóór de oorlog duidelijk gescheiden van de andere geneeskunde. Te Ieper functioneerde de gespecialiseerde oogkliniek van de Franse Zusters sinds 1909. Zij werd echter na de oorlog niet herbouwd. Er zou dus dergelijke dienst in het Gasthuis moeten komen. Ronse zou in het begin enkele kleine oogoperaties verrichten. Hij zou zich echter vlug in verbinding stellen met oogartsen om deze dienst uit te bouwen.

Bij Depage was er ook een dienst voor infectieziekten voorhanden. Deze behoorden in feite tot de inwendige ziekten. Hier werden vooral tyfusgevallen opgenomen. T.b.c.-patiënten waren er natuurlijk niet. Die werden gereformeerd.

Na de oorlog kwam er te Ieper geen tyfus meer voor, wel veel tuberculose. Die patiënten werden behandeld in 'gestichten'. In de sanatoria werd vooral rust voorgeschreven. Voor het Ieperse was dit de ‘Lovie’ te Proven. Dr. Sierens was er de pneumoloog.
Dr. Ronse zou nauw met hem samenwerken. Bij de behandeling werden immers dikwijls chirurgische ingrepen toegepast. Tijdens het interbellum was behandeling immers mogelijk geworden. Vanaf 1930 werd deze georganiseerd in het Hospitaal. Er werd zelfs een 'lazaret' gebouwd.
De behandeling bestond toen vooral in het samendrukken van de t.b.c.- holten. Eerst probeerde men lager gelegen letsels samen te drukken door frenectomie of ten minste door de alcoholisatie van de Frenicus. Die zenuw regelt de beweging van het diafragma. Wanneer ze doorgeknipt wordt kan de basis van de long onderaan niet meer werken.
In 1934 ging men over tot de 'pneumothorax'. Door lucht in te spuiten in de thorax-holte wordt gans de long samengedrukt. Die kan dan 'rusten'. In 1937 werd dit echter vervangen door thoracoplastie. Met wegnemen van ribstukken konden kleinere delen van de long samengedrukt worden.
De chirurgie won hier een nieuw werkterrein. Louis was hierover zo enthousiast dat hij in de zomer van 1936, zes thoracoplasties verrichtte.
Dit gaf echter vreselijke misvormingen. In 1952 zou dit terrein van de chirurg ook inkrimpen. T.b.c. genas door streptomycine. Longkwab-resectie moest enkel nog gebeuren bij de 'oude' niet genezen gevallen.

Psychiatrie was er niet bij Depage. Tijdens de oorlog waren de Angelsaksers hierin nochtans geïnteresseerd. Zij pasten bij acute 'nervous breakdown' de ‘moraalpsychiatrie’ toe. Je moest de zieke overtuigen nopens het verkeerde van zijn opvattingen. Dit gebeurde bij middel van opsluiten in isolatie maar ook door elektrische schokken op de ledematen. Zo kon de cliënt inzien dat genezing mogelijkheid gaf om hieraan te ontsnappen.

Er waren te Ieper twee psychiatrische 'gestichten'. De mannen konden terecht in de psychiatrische inrichting in de Lange Torhoutsestraat. Het 'gesticht' voor vrouwen lag aan de Vlamertingse weg. Beide instituten waren in oktober 1914 getransfereerd naar Vaucluse. De mannen zouden niet terugkomen. Zij werden naar St.-Niklaas overgebracht. De vrouwen kwamen echter in de gerestaureerde gebouwen terecht.
De psychiatrische specialiteit was dus te Ieper aanwezig. Dit was echter geen 'echte' geneeskunde. De inrichting hing af van justitie en het enige wat toen kon gedaan worden was de zieke bewaken. De psychiater functioneerde hier in feite als de 'huisarts' van het 'gesticht'.

Zoals bij tuberculose ontstonden in de jaren dertig echter ook nieuwe behandelingsmethodes. Een coma verwekt door een 'overdose' van insuline kon soms verbetering geven. Een epileptische crisis verwekt door een intraveneuze inspuiting van cardiazol gaf hetzelfde resultaat. Het was de Cardiazol-choc (2).
Psychiatrie met toepassing van deze technieken werd slechts zeer geleidelijk toegepast en dan nog enkel in de grote instituten. Pas na de tweede wereldoorlog zouden er in algemene klinieken psychiatrische diensten komen. Zoals bij tuberculose, kon men dan door efficiënte medicatie beter genezing bekomen.
Er was nu nog geen spraak van psychiatrische behandeling in een algemeen ziekenhuis. Nochtans aanvaardde men geleidelijk dat iets kon ondernomen worden 'buiten de muren'. De extramurale psychiatrie kwam op gang. Sinds 1922 bestonden te Brussel reeds Dispensaria voor Geesteszieken. Er waren ook reeds 'open' klinieken waar niet gecolloceerde patiënten konden opgenomen worden. Die waren toen echter uiterst zeldzaam. Je had te Brussel 'l'Institut Titeca' en misschien ook de kliniek te St.-Denijs- Westrem.

Wat dan te Ieper? Dokter Dieryck was vroeger hoofdgeneesheer in het Heilig-Hartziekenhuis. Zijn opvolger, Dr. Deroo, lijkt een goede 'gestichtpsychiater' geweest te zijn. Hij ondernam een poging om buiten het ‘gesticht’ psychiatrie te beoefenen. Daarom vroeg hij op 31 januari 1933 aan de Commissie “om zijn specialiteit der zenuwziekten te mogen doen als dokter bij de Openbare Onderstand”. Antwoord van de 'Commissie': ”Gezien deze gevallen zich zelden voordoen in de gestichten van den Openbaren Onderstand, neemt het bestuur goed nota der aanvraag van Dokter Deroo”. Een gemiste kans! De psychiater was mossel noch vis! Alles bleef zoals het was.
In dezelfde vergadering werd nog door de 'Commissie' voor collega Ronse een “schedelboor voor trepanaties” aangekocht. Collega Deroo had moeten aandringen en het verschil tussen neurologie en psychiatrie uitleggen. In beide ziektetoestanden kan een trepanatie nodig zijn.
Ondertussen werden in het Gasthuis toch geesteszieken opgenomen. Louis Ronse speelde dan zelf psychiater en paste de meest moderne behandeling toe. Bij depressies verrichtte hij vanaf 1937 cardiazolchoc.
Louis was opnieuw mee met zijn tijd. Het is echter wel eens gebeurd dat een verwarde patiënt na de behandeling roepend door het hospitaal gaan lopen is.

Bij de aanvang verrichtte chirurg Ronse dus bijna alle specialiteiten die geleidelijk door gespecialiseerde artsen zouden overgenomen worden. De meeste kon hij echter nog voortzetten tot het einde van zijn loopbaan.
De neurologie met onderzoek van de hersenholten en trepanaties beoefende hij tot het einde. De Commissie had ten ander een speciale stoel voor trepanatie aangekocht. Het was de eerste in België.
De pediatrie kon hij ook voortzetten. Pas na de tweede oorlog zou te Ieper een kinderarts opduiken. Nochtans was er te Kortrijk tijdens het interbellum reeds een kinderspecialist die in Duitsland op stage geweest was. Thevelin was toen de enige pediater van de Westhoek.
De dienst voor sterilisatie, de dienst voor radiografie en de stomatologie bleven ook zijn domein gedurende gans zijn loopbaan. Hij was ook verantwoordelijk voor het laboratorium. Lang was hij hier de grote baas. In die tijd waren de laboratoriumonderzoekingen immers wel overzichtelijk. Een internist-labospecialist, Dr. Deconinck, kwam er slechts in september 1940.
Nog andere specialisten zouden opdagen maar alles zou zeer traag op gang komen. Een internist, Dr. Deloof, kwam er ook bij. Daarop kregen wij een orthopedist, Dr. Waterblee, in 1959.
Er was slechts één plaats van het gasthuis waar hij nooit enige bevoegdheid zou hebben: in de apotheek kwam hij niet.
Esthetische chirurgie? Pas vanaf 1960 zou men ook meer aandacht schenken aan het esthetisch resultaat van de operaties: geen grove littekens meer en bij reponeren van fracturen ook een totaal esthetisch herstel. Specialisatie heeft echter in een verre provinciestad wat meer tijd nodig.

Opdat een kliniek goed zou functioneren is er een medische wachtdienst nodig. Die ontstond spontaan door de praktijk.
Oogoperaties zijn steeds dringend. Toen nog geen oogarts aan het gasthuis verbonden was moest voor een interventie door een niet erkende arts, de toelating aan het bestuur aangevraagd worden. Een certificaat van Dr. Dochy op 2 april 1921 werd niet vlug genoeg nagezien. Zo werd een patiënt te laat geopereerd. Daarom werd beslist dat elk bestuurslid afzonderlijk bij urgentie toelating mocht geven voor dergelijke verwijzing.
Een ongeval in het St.-Jan Godshuis op 21 april 1925 leverde ook problemen op. "Aangezien een kostganger zich de schedel gebroken heeft bij een val in de kelder, aangezien de geneesheer van het Godshuis in belet was bij het eerste en tweede verzoek om zijne zorgen te kunnen toedienen, aangezien zij bezweken is zonder geneeskundige zorgen" beslist de Commissie drie dagen later, dat "de eerste dokter die aan de hand is zal mogen geroepen worden om zijn geneeskundige zorgen toe te dienen".

Ook vervoer van patiënten kwam ter sprake. Tijdens het bouwen van de nieuwe kraaminrichting werd een onderkomen voor de cliënten gevonden in het huis van Dr. Dieryck in de d'Hondtstraat. Vervoer moest geregeld worden. "Gezien de aanvraag gedaan op 20 maart 1925 door de Hr. Dr. Ronse aangaande het vervoer van zieke vrouwen tussen het Moederhuis en het Gasthuis; gezien er zelden gevallen voorkomen dat eene vrouw van het Moederhuis naar het Gasthuis moet overgebracht worden voor heelkundige bewerkingen; aangezien dergelijke vrouwen best overgebracht worden op een matras of berrie, besluit het gebruik van een automobiel voor te houden voor dergelijke gevallen".
Meer en meer zou het vervoer in belang toenemen. Het Rode Kruis zou hiervoor inspringen. De Heer D'Huvettere, voorzitter van het Rode Kruis, vroeg op 10 januari 1930 een toelage van 5000 fr. en daarbij ook "de automobiel te mogen verbergen in het gasthuis". Het eerste werd niet toegestaan - de begroting was reeds opgemaakt - het tweede kon wel.
Op 13 juni 1930 werd gevraagd het 'alaam' van de vereniging erbij te plaatsen. Het kon in de bergplaats van "de hennekoten" - het kippenhok.
Fagel, een kostganger uit het 'Nazareth', kreeg op 23 mei 1933 toelating om bij ontslag met deze wagen naar het rustoord terug te keren. De prijs van de ritten werd natuurlijk gecontroleerd. Men bemerkte op 7 juli 1936 dat 12 fr. gevraagd werd "om zieken over te brengen terwijl huurhouders slechts 6 fr. vragen". Dit moest natuurlijk geregeld worden.

Uiteindelijk had Louis Ronse alle diensten als bij Depage maar hij deed dikwijls alles zelf. Hij was de enige, de grote chirurg. Deze alleenheerschappij zou echter niet blijven duren. Dr. Ronse zou het kunnen uithouden tot in 1937. Dan zou het tij keren.
Onze chirurg verdedigde ondertussen zijn positie. De Commissie kreeg op 4 juli 1936 een schrijven van 'schoolbestuurder' Denaghel betreffend zijn oudleerling Gerard Hoornaert. Deze vroeg "betaalde en bestaande radiografieplaten bij Heer Dr. Ronse in bruikleen te geven aan zekeren specialist in Brugge waar Hoornaert nu in behandeling was, hetgeen Heer Dr. Ronse weigerde mede te delen." De commissieleden waren hiermee eerder in verlegenheid: "Overwegend dat dit een zeer kiesche zaak is om daar tussen te komen oordeelt dat het misschien beter zou zijn moesten de Heren Dokters daarvoor te samen in betrekking komen". Louis wilde zijn patiënten behouden.

  1. Depage A. : L'Ambulance de l'Océan. Artikel in het tijdschrift: 'Ambulance de 'L'Océan'. 1917, fascicule 1 p. 5-64.
  2. In 1940 zou men de cardiazolinspuiting vervangen door electrochoc. Men jaagt dan een elektrische stroom doorheen het voorhoofd wat ook een epilepsiecrisis verwekt.

2. DE PLAATS VAN DE HUISDOKTER

Het werk van geneesheren en specialisten was niet duidelijk afgelijnd. De arts en de chirurg verrichtten soms wat een tandarts aankon. Daarom werd op 28 maart 1930 terugbetaling voorzien bij de drie Ieperse tandartsen. Dit waren de heren Grimmelprez en Peene en Mevr. Van den Driessche. “Overwegend dat de behoeftige nu hun tanden laten trekken bij de dokters die de geneeskundige zorgen in hun familie verlenen en dat er in de stad drie specialisten tandmeesters hun ambt uitoefenen”.

Er was ook onduidelijkheid betreffende de huisdokters. Dr. Ronse was toeziende arts voor het preventief leerlingenonderzoek in scholen. In de laatste zitting van de gemeenteraad vóór de oorlog werd dit op 27 februari 1940 besproken. Dokters Billiau, Daelmans en Dochy moesten na drie jaar vervangen worden. Louis Ronse kreeg de verantwoordelijkheid van de St.- Aloysiusschool in de D'Hondtstraat, van de Stadsmeisjesschool in de St.- Janstraat, van de St.-Michielsschool in de Elverdingestraat en van het Bisschoppelijk College. De huisdokters, Dr. Snick en Dr. Cousin, bekwamen het toezicht in de overige negen instituten. Om de maand moest het onderzoek gebeuren aan 6 fr. per leerling. Heden wordt dit verricht door huisdokters.
Anderzijds zou een huisarts een duchtige concurrent voor de chirurg worden. Collega Cousin was huisdokter maar hij boekte bij het publiek fantastisch succes met amygdalectomie.
Eventjes tellen? Van 1920 tot 1937 - het jaar van zijn ziekte - werden door Dr. Ronse 1005 'amandels' getrokken. Wel renderend!
In 1923 had Louis reeds 89 gevallen, het jaar daarop 82. Het aantal bleef daarna schommelen rond de 50 maar vanaf 1934 ging het de hoogte in: 81, 83, 106. In 1940 - het jaar van de oorlog - daalde het cijfer tot 16.

Vanaf 1940 zou een huisdokter de patiëntjes kapen. In december 1940 verrichtte Dr. Cousin één amygdalectomie. In 1941 waren het vier. Een vreemde eend in de bijt! De koek zou weldra gedeeld moeten worden.
Vanaf 1940 moest het duo Ronse-Dubrulle - er waren nu twee chirurgen in het Gasthuis - immers in de verdediging gaan. In 1941 had Cousin 10 ingrepen, Ronse-Dubrulle 2; in 1942 had Cousin er 9, tegen 2 voor het duo. In 1942 haalde Cousin het pleit: 47 tegen 39. Het duo verdedigde zich echter. In 1943 haalden de hospitaaldokters de overwinning met 29 tegen 13 en in 1943 met 58 tegen 52. Toch niet zo slecht voor de huisdokter! Hij had bijna de helft van het chirurgenhonorarium afgesnoept. Het werkterrein was gehalveerd.

3. DE PLAATS VAN DE VERPLEEGKUNDIGE

Bij de geneesheren ontstonden meer en meer specialisten maar de zusters moesten ook meer en meer inspringen. Bij hoogdringendheid mochten de apothekers 's nachts medicijnen leveren. Om 17 u. werd de apotheek van het Gasthuis echter gesloten. Wat vroeg! Apotheker Snouck werd vanaf 22 oktober 1935 voor de nachtdienst betaald.
De Commissie vond dat het wel goedkoper zou kunnen. Er werd daarom gevraagd dat twee religieuzen het werk in de apotheek zouden aanleren. Een paar maand later veranderde de Commissie van tactiek. Op 19 februari 1936 zou beter één zuster full-time aan de apotheek verbonden worden "opdat ze door de apotheker ten volle zou kunnen op de hoogte gebracht worden".

Er werd ook aan de Commissie gevraagd het werk tussen de geneesheer en de verpleegkundige af te bakenen. Het voorgebouw waar zich nu een labo met bunsenbrander bevond, was in juli 1934 klaargekomen. De overste vroeg daarom op 11 augustus 1936 "wie de ontledingen te doen heeft, ofwel de Heer Dr.Ronse ofwel Zr. Lutgarde - deze zuster hielp in de operatiezaal - waarop de Commissie antwoordde van oordeel te zijn dat de ontledingen behoren gedaan te worden door de Heer Dr. Ronse maar dat een zuster kan hulp bieden waar het nodig is. Een brief zal gegeven worden aan Dr. Ronse". Een Salomonsoordeel!

De geneeskundige zorg kon slechts zeer geleidelijk door verpleegkundigen verricht worden. Bij de aanvang werd er niet nauw gelet op diploma’s. Voor versjouwen van zieken - of van steenkolen - heb je vooral spierkracht nodig. “Aangezien de uitgestrekte hovingen van het O.L.V. Gasthuis eenen hovenier vereisen, aangezien de werkman met bezorgen van den hof belast, insgelijks zou kunnen hulp bieden binnen het gasthuis voor het verhandelen der zware zieken en het bijbrengen der kolen” werd hovenier- arbeider-klusjesman-verpleger David Garrein op 4 september 1925 aangeworven.
Op 7 februari 1930 vroeg de overste nog "een knecht dienstig in de mannenzaal". Dienstmeiden en werkvrouwen hielpen ook mee bij de verpleging. De vlijtige waren bovendien steeds kandidaat voor een eventuele roeping.

Gediplomeerd personeel werd meer en meer een noodzaak. Dit vroeg echter tijd. Op 5 september 1930 besliste de 'Commissie' "gezien drie zusters uit het Hospitaal zullen moeten de leergang van ziekenverpleegster volgen te Brugge, wordt er aan de overste toegestaan deze tijdelijk te vervangen door meiden en werkvrouwen”. Op 22 september 1930 was het zover: “Het Bestuur neemt de pensioenen op van twee zusters die voor verpleegster studeren in Brugge” en aanvaardt twee dienstmeiden. Het bleef bij twee. Op 1 augustus van volgend jaar werden de zusters opnieuw "gezonden naar Brugge voor de cursus van ziekenverpleegster". Uiteindelijk werden alle zusters naar de Brugse verpleegsterschool gestuurd.

In de kraamkliniek werden ook zeer dikwijls dienstmeiden ingeschakeld. Op 4 juni 1935 werd de verantwoordelijke, juffrouw Roedolf, op het matje geroepen daar zij dikwijls al te gemakkelijk afwezig was: “De bestuurster van het moederhuis wordt opmerkzaam gemaakt dat op zekeren dag de zorgen van zes moeders toevertrouwd werden aan ene en dezelfde meid terwijl zijzelf afwezig was”.
Jufrouw Roedolf had op 19 juli 1932 laten weten dat ze zinnens was kloosterzuster te worden - op 25 april 1933 was ze op bedevaart te Rome. De Commissie nam haar voorzorgen. "Een zuster gaat op 26 juli 1932 naar Brugge voor de studies van vroedvrouw". Op 7 september 1937 was het dan de beurt aan Zuster Emmanuele om deze studies aan te vangen.

Vier jaar later zouden er geen dienstmeiden meer ingeschakeld worden. Het begon bij de zwavelbaden voor schurftige patiënten. Op 22 april 1922 vroeg het gemeentebestuur, op aanraden van de ijverige Dokter Van Robaeys, om deze behandeling te organiseren. De patiënten werden hiervoor tot dan toe gestuurd naar het hospitaal te Kortrijk. De oprichting ervan te Ieper werd eindelijk besproken op 22 februari 1933: “gezien er in de zaal voor ontsmetting in het gasthuis twee badkuipen nodig zijn die kunnen weerstaan aan het geven van zwavelzure (sic) baden, gezien deze van verschillende grootten dienen te zijn ./ . gezien deze onmisbaar zijn . . besluit bedoelde badkuipen te bestellen bij Mr. Arthur Dejaegher te Ieper”. Het werd een dure aankoop: “de kleinste, groot 1,68 m, voor 1030 fr. en de grootste van 1,83 m voor 1150 fr. , wel te verstaan zonder bijhoorigheden”.

Op 4 juni 1935 vroeg de overste “een ander manspersoon te hebben om de sulferbaden toe te dienen aan de mannen”. Op 16 juni 1934 werd hierover gedebatteerd. “Het Bestuur gezien er kwestie is schikkingen te nemen voor het toedienen van sulferbaden aan huidzieken, besluit dat de knecht van het Gasthuis zal belast worden die baden toe te dienen aan de mannen en eene zuster voor de vrouwen”. De knecht kreeg hiervoor 2 fr. per bad. Voor niet- behoeftigen werd hiervoor 25 fr. en 10 fr. voor het ontsmetten van de klederen gevraagd.
Op 1 mei 1935 kreeg het Bestuur echter “een schrijven van Dokter Ronse dat de geschurftbaden (sic) moeten toegepast worden door geschoolde krachten. Gezien die opmerkingen van de Heer Ronse behoren in acht genomen te worden” werd beslist naar de overste te schrijven en te “vragen of zij geen ongemak er in ziet dat de schurftbaden aan de mannen zouden gegeven worden door de zusters”. Geen slechte oplossing, voor het spaarzame Bestuur is het ieder maal 2 fr. gewonnen. Daarbij werd verpleging toevertrouwd aan geschoolde krachten.

Hoofdstuk 17

MODERNE GENEESKUNDE

1. SYFILIS

Louis verrichtte alle specialiteiten. Er was echter één die hem nauw aan het hart lag. Gedurende zijn ganse carrière heeft de chirurg ijverig de syfilis opgespoord. Het was een reflex, aangeleerd tijdens de oorlog. Aan het front werd hij voortdurend met deze ziekte geconfronteerd.

Deze behandeling behoorde eerder tot de inwendige geneeskunde maar die specialiteit bestond toen nog niet. Vooral de huisarts werd hiermee geconfronteerd. Het werd nu ook het terrein van Louis. Hij roeide met enthousiasme in dit vaarwater.

Wanneer de symptomen van die chronische ziekte niet zo duidelijk waren dacht hij aanstonds aan erfelijkheid, aan de mogelijkheid van heredosyfilis. Een dame van goede komaf uit Mesen, met allerhande klachten - nu heet dit een ‘zenuwpatiënte’ - werd ten einde raad door de huisdokter naar Ronse gezonden. Deze vond niets en stelde zijn cliënte gerust: “Niet erg, het zal wel een gevolg zijn van een kleine infectie opgelopen door een voorzaat”. Shocking!
Hij zal toen ook wel de ‘siroop van Gibert’ voorgeschreven hebben. Dit is een lekkere suikerbereiding met jodium. Het drankje is onschuldig, tevens gunstig voor de bloedcirculatie en opkikkerend. Louis had zich in dit geval echter versproken. De dame was niet tevreden. De Mesense apotheker heeft de ‘Gibert’ waarschijnlijk niet moeten bereiden. De patiënte zou er nochtans wel bij gevaren hebben.

Reeds op 15 december 1923 kreeg het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen een brief van Richard D'Hont, apotheker van het Gasthuis: "Voor ogen hebbende de misbruiken van dokters van het Hospitaal in het toedienen van medicamenten, gezegd 'eigenaardige bereidingen' en 'bijzondere toestellen en banden'. Afleveren van deze geneesmiddelen en toebereidselen veroorzaken grote kosten aan de Godshuizen. Mocht de aflevering afgeschaft worden mits aanvraag bij het Bestuur?".

In de volgende vergadering van het Bestuur der Godshuizen werd er over gedebatteerd: "Vu la lettre du pharmacien de l'Hôpital signalant les abus que les médecins des administrations charitables commettent en prescrivant des spécialités pharmaceutiques et des accessoires de pharmacie provoquant des dépenses élevées. A partir du 1 janvier celles-ci ne seront délivrées qu'avec l'autorisation expresse".

Daarop protesteerde Louis. "Gehoord het verslag van Dr. Ronse, heelkundige in het O.L.V.-Gasthuis, nopens de geneeskundige behandeling der venerische ziekten, aangezien Dr. Ronse zich ter beschikking stelt om deze ziekte te behandelen en dat het gouvernement de kosten der geneesmiddelen zal betalen, besluit de behandeling toe te laten in het Hospitaal op voorwaarde dat zulks niet weegt op de begroting der Godshuizen".

2. HYPERSPECIALISATIE

Louis was een specialist in syfilis. Andere takken van de geneeskunde waren voor hem echter even belangrijk. Zo had je de rugklachten. Vanaf zijn aankomst te Ieper werd hij er mee geconfronteerd. Hij verzorgde die dikwijls met een gipskorset om de wervelzuil te immobiliseren. In de periode 1920-1921 legde hij reeds drie 'plaasters' aan tijdens de consultatie.

Toen in 1932 de 'ziekte van Pott' beschreven werd was hij er als de kippen bij. Zo heeft hij gedurende een latere periode bij allerhande patiënten deze ziekte gediagnosticeerd. Die ziekte ontstaat door een tuberculeus abces van een ruggenwervel. Dit kan het collaberen van de wervel verwekken. Men kan dit enkel diagnosticeren mits een zorgvuldige radiografie. De gewraakte wervel wordt dan gestut met een beenent uit de tibia.

Louis volgde steeds zeer vlug de nieuwste trend in de geneeskunde. Albee stelde in 1932 de operatie op punt en reeds in 1934 verrichtte vader ook deze ingreep. Op 8 mei 1934 kreeg vrouw Ceuleman immers hiervoor een getuigschrift.
Iedereen met rugklachten was daarop goed voor een detectiveonderzoek. Zo het een mooie positieve foto werd onderging je een, voor Louis, boeiende ingreep. Hij zou deze ingreep regelmatig verrichten tot na de oorlog. Zij is niet gevaarlijk en zelfs nuttig, ook wanneer er geen tbc in het spel is, bij voorbeeld bij scheefgroei van de wervelzuil.
In 1937 moest hij zich hiervoor verantwoorden. De Provinciegouverneur had op 19 januari een brief gekregen van zekere heer Mestdagh. Deze klaagde erover dat onze chirurg bij een wees van 14 jaar een gipskorset aangebracht had. Louis mocht het daarop bij de Commissie uitleggen.

Dr. Ronse durfde alles aan. Hij was op de hoogte van de nieuwste technieken. Steeds was hij bereid om ze toe te passen. Alles wat het centraal zenuwstelsel aanbelangde boeide hem ook. Vanaf 1936 spoot hij lucht in de hersenholten om bij middel van RX, abcessen en hersentumoren op te sporen. Die werden daarop chirurgisch verwijderd of er werd bij deze laatste een schedelboring verricht. Dit minderde de hersendruk wat de hoofdpijn uitschakelde. Hij zocht zelfs op de plaats van een trepanatie, letsels die epilepsie veroorzaakten. Dit doet men door de hersenschors elektrisch te prikkelen. Schedelboringen deed hij dus zeer dikwijls.

Bij hersenschudding voerde hij vanaf april 1924 steeds een lumbaalpunctie uit. Zo kon hij met een manometertje de druk van het hersenvocht bepalen. Een hersenhematoom verhoogt die zodat dan een bloedklonter kon gediagnosticeerd worden.
Dit deed hij dikwijls op de consultatie. Dit betekent dat de patiënt slechts één dag gehospitaliseerd werd. Van 1920 tot 1940 heeft Dr. Ronse dit toegepast bij 36 patiënten.
Soms verrichtte hij twee lumbaalpuncties terzelfder tijd, boven elkaar. Zo kon hij een dichtgroeien van het ruggenmergkanaal situeren.

Gezin

Dr. Louis Ronse oefende niet alleen een drukke praktijk uit, hij had ook een talrijke kroost. Bovenstaande familiefoto, genomen in de eigen tuin, dagtekent van 1934. Echtgenote Kate heeft haar jongste spruit Mary Ann (°7 maart 1933) op schoot; rondom haar bevinden zich (v.l.n.r.) Antoine (°26 april 1925), Edouard (°28 mei 1930), Hubert (°12 november 1929), Leon (°21 november 1923) en Cécile (°7 maart 1927). Later zouden nog twee kinderen geboren worden: Francis (°1 januari 1939) en Kitty (°2 februari 1941).

Acute ischias behandelde hij ook door inspuiten van lucht langs het sacrum, epiduraal rond de zenuwen van de 'paardestaart'. Dit gaf aanstonds een goede verdoving van de pijn. Dit is uiterst efficiënt maar heden nog steeds niet voldoende toegepast.
Wanneer bij een nieuwgeborene de wervelzuil niet dichtgegroeid was, hechtte hij die. Op 7 juli 1932 hechtte hij de nervus cubitalis van de arm, op 18 januari 1933 en 18 juli 1933 was het de nervus medianus. Heel uitzonderlijk voor die tijd!
Bij gelaatspijnen verdoofde hij het gevoelsganglion onder de schedelbasis. Door een inspuiting met alcohol wordt hiermee een blijvende gevoelloosheid verwekt. Hij deed dit op de tast met een rechtstreekse inspuiting. Heden durft niemand dit aan zonder radiografische controle.
Wij hebben zelfs een behandeling gevonden van een aneurisma - dit is een ziekelijke bloedvatverwijding - van de aorta. Op 25 juni 1931 verrichtte hij hiervoor een 'endocerclage'. Dit was hart- en vaatchirurgie 'avant la lettre'.
Onze chirurg waagde zich aan esthetische ingrepen. Hij herstelde een door litteken misvormde neus op 10 maart 1932.

Bij een chondroom van het oor - dit is een goedaardig gezwel van het kraakbeen - probeerde hij het uitzicht te verbeteren. Hij was de enige arts die kon ingrijpen bij een hazenlip of wolfsmuil. Op 2 februari 1933 herstelde hij een frontale schedelmisvorming verwekt door de forcepstang bij de geboorte. Soms werd de huid geënt. Hij verrichtte dit onder meer bij een grote verwonding van de arm of bij een wonde ontstaan op spataders.
Bij een torticolis sneed hij halsspieren door en bracht het hoofd in de goede houding met een gipsverband. Klompvoeten zette hij recht mits doorsnijden van de achillespees. Nadien werd ook een atelle voorgeschreven in afwachting van de genezing. Hetzelfde werd verricht bij de congenitale stijfheid van de voetspieren door ruggenmerglaesie - de zogenaamde ziekte van Little.

Hij was een trouwe navolger van Leriche. Die hechtte enorm belang aan het sympatisch zenuwstelsel. Dit werkt buiten het bewustzijn en regelt de automatische werking van de organen. Leriche stelde voor dit zenuwstelsel bij lokale aandoeningen weg te snijden.
Zo werden in het Gasthuis bij een voetwonde die niet genas, de zenuwknopen liggend langs het femur verwijderd.
Vooral de zenuwknopen gelegen langs de wervelzuil moesten het ontgelden. Bij een megacolon - een te lange dikke darm - sneed Louis de vergroeiingen weg maar ook het sympatisch zenuwstelsel naast de wervels. Een syfilitische ontsteking van het beenvlies van een humerus kreeg dezelfde behandeling. Hetzelfde gebeurde voor een chronische etterfistel van het onderste lidmaat.

De zenuwknopen rond de carotisarterie moesten ook weg bij facialisparalyse. Bij sclerosis multiplex werd het ganglion stellatum weggesneden. Dit is de bovenste zenuwknoop langs de wervelzuil. Jonesco, een discipel van Leriche, stelde voor om een nog meer ingrijpende sectie hiervoor te verrichten.

Volgens Leriche moest bij myasthenie - een ziekelijke oververmoeidheid van de spieren - ook de thymus weggesneden worden. Louis heeft dit nauwgezet toegepast. Dit was in feite een interventie gelijkend op die bij hyperthyroïdie. Hierbij werd de helft van de thyroïdklier weggenomen. Hij publiceerde hierover in 1939 (1).
Dit alles wijst op een geneeskunde die nog zeer experimenteel was. Leriche vertrok van een vooropgestelde hypothese die feitelijk foutief was. Deze interventies hebben niet veel resultaten geboekt.

Onze chirurg was steeds klaar om nieuwe technieken toe te passen, al waren ze soms iets extravagant. Rond de jaren 1950 bezigde hij voor zijn maagoperaties een apparaat met hechtkrammen. Die moesten de maagwonde hechten. Het was zoals bij het inbinden van boeken. Soms viel een kram echter in de buikholte. Er moest dan naar gezocht worden.

Voor deze nieuwe technieken kocht hij persoonlijk apparatuur aan. Na de bevrijding kwam er zo een uit Amerika: een soort cardiograaf die veranderingen in de hartsituatie aangaf. Hij heeft er niet veel gebruik van gemaakt. De werking was zeer ingewikkeld en zeer vlug werd met een electocardiogram een degelijker onderzoek mogelijk. Nu heeft het apparaat zijn plaats in een medisch museum.

Louis was enorm progressief, durfde alles aan, maar was, volgens zijn zeggen, hierbij steeds voorzichtig. Hij kende zijn limieten. Moeilijke vrouwenziektes stuurde hij naar Daels.
Op 22 oktober 1926 werd door de COO ook toelating gegeven "tot het laten behandelen met radium, in het gesticht gehecht bij de Hogeschool van Leuven, der Wed. Victor P. ". Op 28 augustus 1934 werd de zoon van 'vrouw Hardy' gestuurd naar het Instituut Bunge te Antwerpen voor 'gezwellen in het hoofd'. Hij stuurde ook, op 13 april 1937, Madeleine S. voor behandeling van 'lupus' naar het Gasthuis Nottebohm te Antwerpen. Hier was men gespecialiseerd in het behandelen van die huidziekte van het gelaat.

  1. Dr. Ronse: Thymectomie pour Myopathie juvenile. Journal de Chirurgie et Annales de la Société Belge de Chirurgie. 1939, 39 p. 138-139. Ook in: Le Scalpel. 1939, 92 p. 1485-1486.

3. EEN WETENSCHAPSMAN

Louis Ronse was zeer belezen. Hij had een 'all round' kennis. Jaarlijks nam hij deel aan het Congres van de Franse ‘Société de Chirurgie'. De eerste maal vroeg hij hiervoor op 6 mei 1927, vier dagen verlof aan het Bestuur der Godshuizen: “Gezien de dienst zal verzekerd worden in het Hospitaal besluit het Bestuur aan belanghebbende toelating te geven". Nadien heeft hij die toelating nooit meer gevraagd.
Vanaf 1922 was hij lid van 'l'Association Française de Chirurgie'. In 1930 werd hij lid van 'la Société Belge de Chirurgie' en in 1935 van 'la Société Belge d'Orthopédie' en van 'la Société Belge d'Urologie'. In 1939 werd het 'la Société Internationale de Chirurgie'. Uiteindelijk waren er in 1955 'de Gastro-enterologische Colloquia'.
Ronse las wekelijks ‘La Presse Médicale’ van A tot Z, alsook de meer gespecialiseerde litteratuur. Hij besteedde een fortuin aan boeken en tijdschriften. Zijn bibliotheek omvatte 575 medische boeken met dan nog stapels tijdschriften.

Louis leefde voor 'zijn' geneeskunde. Hij had de gave van de verbeelding. Dit ligt aan de basis van het vruchtbaar denken. Hij was geboeid wanneer hij het onzekere kon ontcijferen en hij stelde zijn diagnoses met gedrevenheid, met een zekere euforie.
Onze chirurg had een opmerkelijk observatievermogen. Hij beweerde dat er connecties waren tussen de medullaire subdurale ruimte en het retromediastinum, wat niet gekend is.
Door dit observatievermogen ontdekte hij in 1933 een epidemie van mond en klauwzeer te Ieper (1). Hij had ten anderen hierover een zeer originele visie. Afteuse stomatitis geeft soms 'atlete food'. Hij gaf hiervoor emetine zoals ook Dr. Sebrechts deed. Dit werd gebruikt tegen parasieten zoals amoeben in de darmen en ascariswormen in de longen. Hij was dan ook steeds enthousiast wanneer hij de huidschilfertjes met schimmels van tussen de tenen kon zaaien in een recipiënt met de 'bodem van Sabourod'. Zo kon hij de schimmels beter analyseren.

In 1949 deed zich een epidemie voor van een vrij zeldzame ziekte. Mijn vader was de eerste in het land die een endemie van de ‘ziekte van Bornholm’ diagnosticeerde. Hij publiceerde over deze virusontsteking van de spieren. Hij verwierf hierdoor ook enige bekendheid in het buitenland, zelfs in de V.S. (2) Zo hij in zijn praktijk er nadien wat supplementaire dubieuze gevallen bijvoegde was dit het gevolg van zijn enthousiasme.
Uiteindelijk interesseerde hij zich vooral aan eerder zeldzame aandoeningen. Zo heb je de ‘ziekte van Crohn’. Ook hierover publiceerde hij in 1956. Het is een op appendicitis lijkende, chronische ontsteking van de endeldarm (3). De oorzaak is nog steeds onbekend.
Wie kent het ‘syndroom van Meigs’? Ook zo een zeldzame niet gekende ziekte. Hij had een vrouw met die ziekte op zaal en ieder arts in het gasthuis moest er eventjes naartoe, moest de buik palperen en kreeg een uitgebreide en wel boeiende uitleg nopens deze gynaecologische ziekte (4).
Hij publiceerde zoveel mogelijk. In 1930 behandelde hij de groei van korrelige gezwelletjes die gevaarlijk konden zijn.Hij legde een verband tussen de belangrijkheid van de groei en de bloedtoevoer. Ook beschreef hij verschillende soorten gezwellen o.a. van het beenderstelsel (5). Het artikel vond wel enige weerklank. Professor Brusselmans te Leuven citeert het in zijn werk over leverziekten.

Dr. Ronse bleef geïnteresseerd in beendertumoren. Hierover verscheen een artikel, na zijn ziekte in 1939.
Er kwam in 1933 ook een kleine studie tot stand over het ontstaan van dijhernia's (6).
Er verscheen nog een belangrijk werk in 1937. Dit was een basiswerk betreffend de behandeling van gewrichtsverstijving van de knie in flexie (7). De oorzaken en vooral de verschillende behandelingsmethodes werden besproken.
Uiteindelijk zag in 1963 een gevalstudie het licht over neuralgieën van de arm door gekneld geraken van een zenuw in de nekstreek (8).
Bij zijn dood heeft men nog artikels gevonden. Er was een radiologische studie uit 1958 die niet aanvaard werd door de 'Journal Belge de Radiologie' omdat de radiografieën niet expliciet genoeg waren: 'Le Diaphragme dans la Maladie de Bornholm'.
Er was ook een onafgewerkte publicatie: 'Algies vertébrales par discopathies et goutte. Leur traitement par manipulation vertébrale'.

Wanneer men een zeer actieve praktijk heeft, blijft er weinig tijd over voor publicatie. Sebrechts uit Brugge - hij was bovendien professor - had slechts zestien publicaties op zijn naam (9). Ronse had er precies evenveel, indien men rekening houdt met het artikel over de behandeling van de knie dat hij in 1939 zou herwerken. Beiden hadden een zelfde aantal, beiden waren immers vooral veldwerkers.

Bij een moeilijke diagnose gevolgd door overlijden moet naar de juiste etiologie gezocht worden. Gedurende gans zijn loopbaan verrichtte hij dissecties, bijgestaan door een zuster. Op 20 juli 1928 vroeg hij aan de C.O.O. “het plaatsen van toile métalique in het dodenhuis ./. alsook de luchtverversers in de zaal der lijkschouwing”.
Hier 'oefende' hij zich ook op de lijken wanneer een nieuwe operatietechniek moest toegepast worden. Je doet dit liefst in de late avonduren, de familie hoeft dit niet te weten. Daarom vroeg hij op 11 februari 1927 “een traplantaarn te steken in de lijkschouwingzaal”.

  1. Ronse L.: ‘Une Épidémie de Stomatite Aphteuse’. Revue Sciences Médicales. 1934, 6, p. 212-214.
  2. Ronse L.: ‘La Myalgie épidémique' in Bruxelles Médical. 1949 p. 3411- 3433 en 'Virus de Coxalgie, Myalgie épidémique ou Maladie de Bornholm et Névralgie intercostale' in La Presse Médicale, 1951, 59, p. 996.
  3. Ronse L.: ‘Een Geval van Ziekte van Crohn' in België’. Tijdschrift voor Geneeskunde. 1956, 12, p. 758-759.
  4. Mededeling Dr. Deberdt.
  5. Ronse L.: ‘Les Anomalies de Croissance du Tissu de Granulation' in Journal de Chirurgie et Annales de la Société Belge Chirurgie 1930, 27 p. 194-212. Ook in: Le Scalpel. 1930, 83 p. 1057-1082.
  6. Ronse L.: 'Hernies Crurales par traction' in Jour. Chirur. et Annal. Soc. Belge Chirur. 1933 30 p. 306-310. Ook in: Le Scalpel. 1933, 87, p. 1921-1924.
  7. M. Soeur, L.Ronse: ‘Pathogénie et Traitement du Genou en flexion’. Bulletin Société Belge d'Orthopédie. 1937, 9, p. 299-364.
  8. Ronse L.: ‘Causalgie majeure par Arteria Lusoria' in Acta Chir. Belg. 1963, 62, p. 307-405.
  9. Dr. W. De Groote: o.c.

4. INSTRUMENTARIUM

Chirurg Ronse hield zich op de hoogte van de vooruitgang van de geneeskunde. Hiervoor was echter steeds nieuw instrumentarium noodzakelijk. In 1920 had het Amerikaans Rode Kruis het strikt noodzakelijke verschaft maar zeer vlug moest dit aangevuld worden. Reeds op 11 februari 1922 besteedde men 500 fr. voor “aankoop van heelkundige gereedschappen” en op 23 september 1922 kreeg Dr. Ronse hiervoor 600 fr. krediet.

Noodzakelijke aanpassing aan de moderne heelkunde was duur. Op 11 februari 1927 was het “een bijzondere tafel om operatiën te doen en die ./. 10.000 tot 11.000 fr. zou kosten, en een lamp die misschien 300 fr. zou kosten”. Zeer dikwijls schafte de dokter de instrumentaria zelf aan. De 'Commissie' beslist op 29 april 1927: “op zijn aanvraag wordt aan Dokter Ronse toegestaan heelkundige instrumenten te koopen tot een waarde van 1000 fr.”.

Ondertussen was Ronse in mei naar het congres van de Franse Vereniging voor Chirurgie te Parijs geweest. Een paar maand later kon hij zich het geziene instrument aanschaffen. Op 14 oktober 1927 “wordt er toegestaan aan Dokter Ronse den aankoop te doen van een bed voor kraamgevallen bestemd voor het moederhuis dat wel 590 fr. zal kosten en een tafel van Howlez voor de gevallen waar zieken in plaaster gelegd worden en die 2335 fr. zal kosten” De tafel van Howlez zal nu wel een museumstuk zijn.

In de begroting van 1930 werd een som van 15.000 fr. bestemd voor de aankoop van “heelkundige gereedschappen”. Dit leek onvoldoende en op 2 mei 1930 “waren er meer te voorzien". Op 24 januari 1930 werd op vraag van Dokter Ronse toelating gegeven tot het aanschaffen van “een instrument ./. om te kunnen inwendige kleine operatieën te doen zonder bloedverlies”. Was dit de zeldzame stoel om trepanaties uit te voeren die hij in Parijs kocht? Geen enkele kliniek had zich die toen reeds aangeschaft.
Op 22 augustus 1933 werd “aan Dokter Ronse voldoening gegeven op zijn vraag om een toestel van Professor Dalis voor beenderbreuk aan te koopen, hetgeen ongeveer 1200 fr. zou kosten”. Terloops mocht de overste op 3 oktober 1933 ook een nieuwe 'naaimachien' kopen.
De 'Heer Dokter Ronse' mocht zich op 31 oktober 1933 volgende toestellen aanschaffen: “een toestel pistolet automatique om besmette wonden te zuiveren, hetgeen ongeveer 600 fr. zal kosten, een toestel galg van Dr. Bouwer voor gevallen van voorarmbreuken ongeveer 800 fr., een sonde van Trindelenberg 80 fr.”

Wanneer in 1934 de gebouwen langs de straatkant tot stand kwamen, met hierbij een laboratorium, mocht de chirurgische dienst nog materiaal aankopen. Op 1 mei 1934 bestelde men bij de ‘Manufacture de Gembloux’ “voor 1 lamp à colonne 985 fr.; voor 1 poulie mobile pour extension de Kermisson, 1 table avec cuve émaillée, 1 étuve à germination de Schribaux 5742,50 fr.”. Te veel was echter te veel: “Aan Hr. Dr. Ronse zal er bericht gegeven worden dat het krediet voor aankoop van instrumenten uitgeput is en dat de Commissie geen nieuwe aankopen noch overnemingen zal doen”.
In de nieuwe begrotingen werden toch uitgaven ingeschreven voor de chirurg. “Een bijzondere zaag ./. voor het doen van heelkundige bewerkingen” kon op 23 februari 1937 gekocht worden en op vraag van Ronse zou “verandering aangebracht worden aan de slechte lampen waar instrumenten gekookt worden". Dit was dan voor de sterilisatiekamer.

Op 29 juni 1937 kreeg de dokter nog een “plaastertafel voor de heup". Het zijn allemaal instrumenten die men had moeten sparen voor een geneeskunde-museum! Deze chirurg was steeds klaar om nieuwe technieken toe te passen, al waren ze soms iets extravagant. Rond de jaren 1950 bezigde hij voor zijn maagoperaties een apparaat met hechtkrammen. Die moesten de maagwonde hechten. Het werkte zoals bij het inbinden van boeken. Soms viel echter een kram in de buikholte. Er moest er dan maar naar gezocht worden.

Door zijn favoriet, smid Depuydt, liet Louis Ronse in 1950 een RX serigrafie-apparaat maken, een 'hobby'. Het is een apparaat om vlug na elkaar radiografieopnames te maken van een zelfde streek. Dit kan mits de foto's te plaatsen in een draaiende trommel. Je spuit dan een contraststof in de slagader en je maakt vlug op elkaar volgende foto’s om het verloop van de bloedvaten na te gaan. Zo kan je in de hersenen een gezwel of abces die de bloedvaten verdringt, lokaliseren. Louis was weer mee. Toen gebeurden dergelijke onderzoekingen enkel aan de universiteiten.
De Commissie schijnt lange tijd geen eigen radiografieapparaat gehad te hebben. Tercy Malvina mocht op 5 januari 1924 naar Brugge 'voor X-stralen'.
Gebruikte de dokter zijn persoonlijke apparatuur? Of nam hij de radiografieën met zijn apparaat in de ‘Kliniek der Zwarte Zusters? In 1925 had hij hier al een toestel.

Op 2 augustus 1929 vonden de Commissieheren dat “de radiografie zo menigvuldig gebruikt wordt en dit jaarlijks grote uitgaven met zich meebrengt” en op 27 september 1929 besloot zij zich zelf een apparaat aan te schaffen.
Alles ging echter wel zeer traag. Op 14 februari 1930 werd gesproken over het opzenden van het toestel. 'Mijnheer Th.Van der Heyden van Brussel' vroeg op die datum immers dat de Commissie “de heropzending zou vragen eener kist met toebehoorten voor een toestel voor X-stralen voor het gasthuis en de kosten van verzending, ’t zij 112 fr. zou betalen".
Op 24 maart 1930 vroeg Van der Heyden "één derde betaling dat de instelling van de RX zou kosten". De Commissie antwoordde hierop dat dit vooreerst moest goedgekeurd worden in de begroting. Vijf dagen later was dit dan gebeurd en het derde van de totale som werd gestort: 29.167,65 fr.
Op 4 september 1930 was alles eindelijk klaar en Dokter Ronse werd toelating gegeven “om het ontbrekende gerief van de instelling van X- stralen aan te kopen”. Daarop kwam het logisch gevolg: “18 september 1930. Tarief voorgesteld door Dokter Ronse voor degenen die zullen genieten van het toestel van X-stralen in het Hospitaal:

  • Examen radiographique simple 80 fr.
  • du tractus digestif avec repas 100 fr.
  • mains, pieds, dents 100 fr.
  • bras, avant-bras, jambes, mallides (sic: mollets?), genou, cuisse 100 fr.
  • hanche, bassin, épaule, thorax, côtes, colonne vertébrale, tête, rein, vessie 150 fr.
  • deux reins, estomac, duodenum 200 fr."

Van dit bedrag komt de helft toe aan de Hr. Dr. Ronse als operateur en de andere helft aan het bestuur”.
Eens dat men met iets begint komt er geen einde aan. De 31 maart 1931 volgde er een aanvraag “om een tafel voor radiografische onderzoekingen aan 22.000 fr.”. De kredieten waren onvoldoende en de Commissie besliste om het “uit te stellen tot betere omstandigheden”.

Ook Dr. Dubrulle die in 1938 in het Hospitaal werd aangeworven, wenste modernisatie. Op 10 mei 1938 kreeg hij toelating tot “aankoop van een licht X-Stralen toestel ten einde een beter verzorgen van zwaar gekwetsten toe te laten”. Hiervoor werd vooreerst advies gevraagd aan Dr. Ronse en de andere heelmeesters van het Hospitaal.
Het Gasthuis was dus up to date. Enkele maanden later echter, een catastrofe! “Het aangekocht draagbaar X-Stralen toestel is ten gevolge van een breuk buiten gebruik gesteld”. De Commissie wijst er daarna op dat zij wil tijdig gewaarschuwd worden “indien er zich ernstige breuken voordoen op toestellen”.

Voor wat betreft de radiografie zou Louis tot aan zijn overlijden zijn antiek radiografieapparaat thuis verder bezigen. Een tuig uit twee delen, elk twee meter hoog, met daarop metalen bollen, door draden verbonden. In het donker zag je de flikkering van de elektriciteit er doorstromen; je hoorde ook het gezoem. Als patiënt voelde je dan de stralen echt door je borstkas stromen.
Zekere dag werd Louis met de pink door de machine gegrepen; hij zat vast door een niet te verbreken elektriciteitsboog. Gelukkig was er enkel verbranding van de vingertop.
Op het einde van zijn loopbaan heeft hij er echter radiodermatitis aan overgehouden. Dit is een chronische niet te helen ontsteking van de huid. Dit had hij dan samen met ‘Madame Curie’!
Met de radiografieperikelen hadden de Commissieleden wat bijgeleerd. Het gebruik van alle materiaal moest geregeld worden. De tarifering tussen de Commissie en de artsen werd bijgeregeld. Op 5 mei 1931 had de voorzitter “een persoonlijk gesprek” met de dokter van het Hospitaal “over het verzorgen van behoeftige mutualisten die vroeger onbegeld behandeld werden”. De mutualiteiten zouden “tussenkomen in de operatiekosten volgens hun statuten en tarieven”
Er werd ook besloten “dat Dr. Ronse de verschillige heelkundige bewerkingen zou verdelen in 4 klassen”. De rekening zou gestuurd worden naar de Commissie die ze aan de geneesheer zou betalen mits afhouding van 1/3 - het is reeds een systeem van derde betalende!
Daarbij kwam ook nog een nieuw initiatief. “Hr. Dr. Ronse wordt nog toegestaan 1/10 op 1/3 dat het Bestuur opraapt, dit voor het gebruik van heelkundige toestellen die hem persoonlijk toebehoren”. De administratie wilde dus duidelijkheid.
Een overeenkomst betreffende het gebruik van materiaal is altijd een delicate kwestie. Ook Dr. Dubrulle, als nieuwe chirurg, had hiermee te maken. Op 25 april 1939 stuurde hij een 'bezwaarschrift' naar de Commissie tegen het invoeren van een 'taxe' op de 'operatiekamer'. Hij kreeg gelijk. “Gezien het contract van Dr. Dubrulle wordt de taxe op de operatiekamer afgeschaft voor de betalende patiënten geopereerd door de dokters verbonden aan het Gasthuis. De taxe blijft voor operaties verricht door vreemde dokters”.

De toestand van verbonden geneesheren tegenover 'vreemde' was wel delicaat. Het 'Iepers Geneeskundig Syndikaat' vroeg op 9 april 1935 vrije toegang voor zijn cliënteel in het Gasthuis en in de Materniteit, alsook vrij gebruik van de operatiezaal en de radiografie. In haar antwoord beperkte de commissie de vrije toegang tot betalende zieken in privé kamer. Dit werd echter niet toegestaan voor geopereerden in de zalen en bij opname in het Lazaret. Persoonlijk gebruik van operatiezaal en radiografie was uitgesloten.

5. DE ‘MATERNITEIT’

Elke vrouw van de lijst van gesteunde behoeftigen kon gratis in het Moederhuis van de COO bevallen. Bevalling werd echter niet beschouwd als geneeskunde. Vóór de oorlog was geboorte vooral een vroedvrouwenmaterie en in West-Vlaanderen waren slechts twee kraaminrichtingen: Brugge en Diksmuide. Dit was overigens vooral bestemd voor vrouwen van bootslui.
Na de oorlog had de Regering een kraaminrichting te Ieper bekostigd. Ministeriele instanties namen zelf het initiatief en plaatsten barakken op de plaats van het vroegere krankzinnigeninstituut.
De inrichting was volledig zelfstandig. De directrice, Juffrouw Roedolf, werd betaald door het Centrale Bestuur. Er was geen geneesheer- directeur. Zij regelde haar zaken zoals ze wilde en verrichtte zelf de bevallingen. Ook was er geen betrekking met het Gasthuis aan de Kalfvaart.

Het Bestuur der Godshuizen wilde deze voorziening integreren in zijn diensten. Het nam op 30 december 1922 de barakken en al het gerief van het Centrale Bestuur over voor 15.000 fr. De wedde van de directrice werd op 27 januari 1923 eveneens door het Bestuur overgenomen.
Op 21 september 1922 vond men dat het gebouw wel op een goede plaats stond - het was gelegen op het terrein van het toekomstig gasthuis - maar in het gasthuiscomplex moest een betere situering gevonden worden. Men verkoos te bouwen op de plaats van het “voormalig magazijn van bouwstoffen” bij de Recolettenpoort.

Op dit ogenblik klaagde men in de kraamkliniek ook over de 'schaarste' aan geneesheren en vroedvrouwen. De toestand in de barakken was bovendien niet ideaal. “Het Bureel van Weldadigheid inziende dat het verheven doel van het Moederhuis niet naar waarde geschat werd, besloot in het jaar 1922 een zekere aanmoediging te geven aan de moeders die ter gelegenheid hunner baring zich daar lieten verzorgen. Benevens de zorgen welke zij daar ontvingen gaf voornoemd bestuur hen 3 fr. daags voor al de dagen die zij er moesten vertoeven”. Ofschoon de barakken niet meer zouden gebruikt worden bleef deze subsidie in 1927 nog gelden. Op 18 februari 1927 besliste men zelfs de steun op 5 fr. te brengen “voor de behoeftigen die reeds kinderen hadden”.

Het was nodig dat hier wat meer comfort verschaft werd. Met de bouw van een nieuwe inrichting mocht niet langer gewacht worden. Het bouwen van de kraaminrichting verliep parallel met dit van het Lazaret maar ging hierdoor veel vlugger vooruit.
In afwachting van de nieuwe kliniek werd op 24 november 1924 het huis van Dr. Dieryck in de D'Hondtstraat gehuurd en alle cliënten werden vanuit de tenten op 2 maart 1925 hier ondergebracht.
Wegens de vele vragen omtrent het voorontwerp werd op 23 april 1926 voorgesteld om een 'afvaardiging' van het bestuur aan te stellen. Die zou samen met de architect de plannen van het ouderlingeninstituut 'Nazareth', van het Lazaret en van de Kraamkliniek bespreken. Zij zou ook “eenige der bijzonderste moederhuizen in België gaan bezien en zoodoende een praktisch moederhuis dat voldoet aan alle eischen van gezondheid en gemak, te gaan bestuderen”.

Men dacht de plannen van de Kraaminrichting en het Lazaret te associëren zonder die van het ‘Nazareth’. Die gebouwen moesten samen ontworpen worden. Op 11 maart 1927 begon Architect Lernould aan de plannen van beide gebouwen. In 1928 en 1929 werd er echter niet meer gesproken. Andere bouwwerken kregen de voorrang nl. het Gasthuis aan de straatkant, het Ouderlingentehuis ‘Nazareth’ en de beluiken voor oudere vrouwen.

Het Bestuur besprak eindelijk de nieuwe plannen en op 28 juni 1929 maakte men een raming van de constructie van het ganse Gasthuis. Op 12 september 1930 was het eindelijk zo ver: de aanbesteding voor de Kraamkliniek en het Lazaret werd uitgeschreven. Op 21 november 1930 begon men aan de bouw van de eerste. Voor het Lazaret echter bleef alles zeer lang aanslepen. Hiervoor was er geen zo grote haast. Dit had minder invloed op het financiële inkomen van de Commissie.

Op 5 juli 1932 was er opendeurdag ter gelegenheid van de opening van de kraaminstelling. Met het lazaret moest nog gewacht worden.
De kraamkliniek was goed geoutilleerd. Zo waren er op 2 maart 1937 “twee kinders in de broeikas van het Moederhuis”. De couveuse was reeds aangekocht op 3 november 1932.

Spijts de overname door het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen bleef de dienst echter zelfstandig functioneren. Zo decreteerde men op 29 februari 1924 dat de bestuurster de ‘bevelen’ van het Bestuur der Godshuizen moest volgen. Er werd op 2 mei 1925 ook 5000 fr. gegeven aan het ‘bestuur van het Moederhuis’ als voorschot voor onderhoudskosten.
De Commissie besliste op 10 januari 1930 dat enkel de door haar aangestelde artsen er de behoeftigen konden verzorgen. Dit werd op 26 januari 1932 gecorrigeerd. Voor betalende vrouwen “mocht bij ingewikkeldheid de geneesheer van keuze komen”.

De directrice Roedolf stond steeds niet onder toezicht van de chirurg van het Gasthuis. Wel oefende hij hier een zekere controle uit. Op 9 september 1931 werd “toegestaan allernodigste heelkundige instrumenten en verbandingen aan te kopen, zulks op aanvraag van Dr. Ronse". Hij controleerde ook de bouwwerken. "Kennis nemend op 29 december 1931 van een verslag door Heer Dr. Ronse over de vensters van het nieuw moederhuis die met dubbel ruiten bezet zijn (1), ten einde gedurige luchtverversing te bezorgen; gezien al de vertrekken in het moederhuis met dergelijke vensters voorzien zijn; gezien dit stelsel een gestadigen trek zal veroorzaken; besluit dit stelsel te vervangen door gewone vensters”.
Op 31 augustus 1937 waarschuwde Dr. Ronse de Commissie nopens de uitwasemingen in de sterilisatiekamer van het Moederhuis. ‘Mijnheer Schmidt’ werd toen gezonden om de zaak op te lossen. De Heer Schmidt kwam er ten andere regelmatig. Wij hebben de verantwoordelijke van de gebouwen al in de materniteit ontmoet op 1 juni 1937. De ‘Bestuurster van het Moederhuis’ kreeg toen een nieuwe wasdraad!
Er werd ook raad gevraagd aan Dr. Ronse. De mutualiteit vroeg op 16 september 1935 aan de Commissie om de zuigelingen in het ‘Moederhuis’ BCG - een anti-t.b.c. vaccin - in te spuiten. De beslissing werd overgelaten aan de geneesheer.

Juffrouw Roedolf was zeer vrij. Ofschoon ze naar het klooster zou gaan was de Commissie niet erg tevreden wegens haar nalatigheid. Op 4 september 1934 “kreeg de Bestuurster een vermaning wegens hare menigvuldige afwezigheden”. Het was niet beter op 6 november: “Aan de bestuurster van het Moederhuis wordt er een opmerking gemaakt dat zij teveel haar gesticht alleen laat gezien de Voorzitter haar tot driemaal toe afwezig vond bij zijn bezoek. De bestuurster doet alleenlijk gelden voor haar verrechtvaardiging dat zij haar boodschappen deed”.
Op 20 november 1934 wilde de commissie hierin verandering brengen. "Daar de diensten van het Moederhuis in het algemeen te wensen laten en dat de uitbating ervan zeer kostelijk valt voor het Bestuur gezien het klein getal moeders die er zorgen ontvangen, wordt er met algemeenheid van stemmen beslist het voorstel van aanhechting van het Moederhuis aan het O. L.Vrouw Gasthuis op de dagorder van de eerstkomende vergadering te brengen". Op 18 december was het zo ver. De administratie van Kraamkliniek en Hospitaal werden verbonden. Dr. Ronse kon zich dus gemakkelijker met het functioneren bemoeien.
De toestand met Jufr. Boudolf beterde echter niet. "Op maandag 14 januari 1935 bood een juffrouw zich aan in het bureel der Commissie. Zij verklaarde:' Mijne zuster, de Bestuurster van het Moederhuis, is gisteren vertrokken naar Kortrijk en zal maar woensdagnamiddag terug zijn. Intussen verzeker ik den dienst in het Moederhuis'. Gezien er de woensdagavond 16 januari vruchteloos getelefoneerd wierd naar het Moederhuis; gezien vrijdag 18 januari 's middags om 3 u. alsook te 5 u. niemand antwoordde wanneer er getelefoneerd werd van het bureel; gezien de zaterdag morgen 19 januari om 8 u. de bestuurster nog niet thuis was; overwegend artikel 17 van inwendige orde, bemerkt men dat zij haar dienst verlaten heeft zonder voorafgaande toelating".

Juffrouw Bestuurster werd dan op 22 januari geroepen "om haar onregelmatige en nalatige handelwijze voor ogen te leggen. Zij vroeg hiervoor verschoning en wilde doen gelden dat zij naar Kortrijk gegaan was en er eenige dagen verbleven had uit oorzaak van onpasselijkheid". Zij kreeg daarop een 'strenge berisping'.
Dit zou niet veel helpen. Op 4 juni 1935: "De bestuurster van het Moederhuis wordt opmerkzaam gemaakt dat op zekeren dag de zorgen van zes moeders toevertrouwd werden aan eene en dezelfde meid, terwijl zij zelf afwezig was". De volgende week kwam men er op terug. "De dienst in het Moederhuis laat steeds te wensen. Op 26 mei 's avonds wierden de zorgen van het gesticht overgelaten aan een jonge meid niettegenstaande er zes moeders in het Moederhuis lagen. Zij bracht enkel ter verschoning in dat eene meid des zondags vrij was en dat zij enkel voor eenigen tijd uitgegaan was". De Commissie onderlijnde dat "gezien de meiden soms over eenige vrije uren mogen beschikken, de dienst toch moet verzekerd zijn en dat de Bestuurster zich dan moet ten dienste houden om haar vrij personeel te vervangen".
De 'Hospice Heren' vonden het nu echter welletjes. "Er was de waarschuwing van 4 september 1934, de berisping van 22 januari 1935. Nu werd het een tweede berisping". Daarop verliep echter alles normaal. Wel kon Juffrouw Roedolf niet aanwezig zijn op de maandelijkse dinsdagvergadering van directeurs en directrices van de 'gestichten' op 3 december 1935. Haar oom was ziek. Over haar afwezigheid op de dienst werd nadien niet meer geklaagd.

Wanneer de Bestuurster op 3 maart 1936 vijf dagen verlof vroeg legde men de nadruk op de noodzakelijke vervanging. Er was nochtans een nieuwe opmerking op 1 september 1936. Zij had een moeder terug naar huis gezonden die dezelfde avond bevallen werd.
Alles verliep van dan af zonder moeilijkheden. We hebben daarna geen klachten meer gevonden. De bestuurster vroeg een derde dienstmeid op 9 november 1937 want haar gezondheid liet te wensen over. Haar verlangen naar het kloosterleven was inmiddels ook over.
Op 25 januari 1938 wilde ze op pensioen. "Gezien Juffrouw M. Roedolf het verlangen heeft te kennen gegeven wegens gezondheidstoestand haar ambt neer te leggen; gezien het blijkt uit het certificaat van de dokter dat de redenen die zij aanhaalt ernstig en gegrond zijn; gezien het blijkt het onder alle oogpunten wenselijk is dat het Moederhuis met het Gasthuis zou verbonden worden en onder een zelfde bestuur zou gesteld worden; gezien het pensioen waarop de bestuurster Jufr. M. Roedolf thans zou gerechtigd zijn slechts ongeveer 3500 fr. per jaar bedraagt; gezien de aanvraag om toeslag te bekomen; is de Commissie bereid haar 7000 fr. te verlenen.”
Eerwaarde Overste van het Gasthuis wordt hierop ter zitting uitgenodigd en het besluit van de Commissie wordt haar vertrouwelijk medegedeeld. Op de vraag van het Bestuur of zij ten allen tijde de dienst in het Moederhuis kan verzekeren, geeft zij een bevestigend antwoord". Adieu, Juffrouw Roedolf! Zij kreeg daarbij nog betaald verlof van 15 maart tot 30 april.

  1. In ieder raam worden twee ruiten aangebracht op 1 cm afstand, die elkaar gedeeltelijk bedekken. Zo ontstaat tussen beide een ruimte die zowel in verbinding is met buiten als binnen.

6. HET LAZARET

Er zou ook een longspecialist aangenomen worden in het Gasthuis. Die medische specialiteit bestond sinds lang, maar dan enkel in sanatoria. Er kon nu echter op therapeutisch gebied meer verricht worden. Hiervoor konden nu patiënten in het Gasthuis opgenomen worden.
Op 16 april 1926 had Schepen Sobry voorgesteld een lazaret voor opname van besmettelijke zieken in te richten. De Commissie wilde liever hiermee wat wachten. Op 21 januari 1927 kon een vrouwtje met t.b.c. niet opgenomen worden. Dergelijke ‘smetzieken’ werden verder gestuurd.
Op die dag werd in de Commissie een voorstel gedaan om voor het Lazaret de barakken van de oude kraaminrichting te bezigen. Zij waren op dit ogenblik immers leeg en op 29 februari 1924 was er beslist op die plaats het washuis te bouwen. Dit voorstel werd echter verworpen en de houten keten werden op 26 augustus 1927 voor 9000 fr. verkocht.
Op 25 februari 1927 vroeg men aan architect Lernould de plannen van het Lazaret te maken.
Op 4 maart 1927 ontstonden echter in de Commissie wel wat discussies betreffende deze opdracht. Sinds 3 december 1926 was de constructie begonnen van de gebouwen aan de straat en nu zou men nog twee andere bouwwerken hebben, de 'Materniteit' en het Lazaret. Alles moest gezien worden in functie van het totale ontwerp van het Gasthuis.

Uiteindelijk gebeurde op 12 september 1930 de aanbesteding van beide inrichtingen. Op 21 november 1930 begon men met de bouw van de kraaminstelling. Heel zeker is men toen ook begonnen met de constructie van het Lazaret. De 'Materniteit' kreeg nochtans voorrang. Bij de opendeurdag van 5 juli 1932 was het lazaret niet klaar.
In de winter van 1931 werd nochtans in het Lazaret reeds gestookt en op 30 augustus 1932 werd het gebouw "in orde gebracht". Heel zeker werden hier toen al patiënten opgenomen. Meubilair werd nochtans nog aangekocht op 7 en 28 maart 1933.

Deze bouw was niet enkel bestemd voor chronische tbc-patiënten. Ook acute besmettelijke zieken zouden hier gedurende verscheidene dagen opgenomen worden. "Op 3 maart 1936 wijst de overste op de manier van het gebruik van het Lazaret en klaagt dat het meestendeels gebruikt wordt voor teringlijders. De toestand zal moeten onderzocht worden."

In het begin was het gebouw blijkbaar nog niet geheel bezet. Pas op 26 juni 1934 moesten "alle smetzieken en teringlijders uit het hospitaal" naar het Lazaret getransfereerd worden. Het personeel bleef moeite hebben met deze order. Op 1 mei 1935 kreeg het Bestuur dan ook een “schrijven van Dokter Ronse dat de smethevige long-tering lijders niet mogen verblijven in de zalen der zieken maar zouden behoren verzorgd te worden in het Lazaret”. De specialiteit longziekten vergde wel bijzondere maatregelen. Ook dit moest worden aangeleerd maar toch! Op 2 juni 1936 moest er opnieuw aan herinnerd worden: "Het is verboden teringlijders te laten rondlopen in de zalen van het gasthuis maar ze moeten afgezonderd worden in het Lazaret".

Met de tijd zou de voorziene ruimte voor het Lazaret groter worden. Wanneer de Overste op 9 januari 1940 vroeg "ontlast te worden van den hof gelegen in de omgeving van het Lazaret" zou men hier bomen planten zodat een bosje werd gereserveerd voor deze patiënten.
Het is slechts wanneer een gebouw in gebruik genomen wordt dat de tekorten aan het licht komen. Op 7 juni 1932 vond men dat het moeilijk te bereiken viel met een 'draagbaar'. Daarbij moesten een karretje voor het vervoer van de maaltijden en vooral enkele regenmantels voor de zusters aangekocht worden op 8 januari 1935. Daarop moest op 3 juli 1935 een 'slaghorloge' aangeschaft worden samen "met eenige tappen of haken om klederen weg te hangen". Nochtans had Dr. Ronse reeds op 15 november 1933 laten opmerken dat men hier geen kapstokken had aangebracht.

Dokter Sierens vroeg reeds op 11 april 1933 “Charles Monteyne die ongeneesbaar is, te mogen overvoeren naar het Gasthuis te Brugge”. Het was met enige wat late fierheid dat de Commissieheren nu konden antwoorden: “gezien hier te Ieper er een Lazaret toegevoegd is bij het Gasthuis besluit de Commissie genoemde Monteyne te laten overbrengen naar het Gasthuis te Ieper”. Eindelijk kon tuberculose hier behandeld worden.
De ‘hospice-heren’ koesterden zelfs vaderlijke gevoelens jegens hun eerste ‘smetzieke’: “Overwegende dat die zieke de open lucht geniet en van een anderen kant met geen gunstig gevolg in zijn familie kan verblijven gezien de aard van zijn ziekte, stemt toe dat Charles Monteyne in het gasthuis zou behouden worden om te eten en te slapen en hem verders te laten wandelen” (25 april 1933).

Dokter Sierens zou stilaan meer en meer invloed krijgen. “Kennis nemende van een schrijven door Heer Dokter Ronse van 6 maart 1934, om het volgende voorstel van Heer Dokter Sierens te laten kennen. Heer Dokter Sierens, bestuurder van het Sanatorium ‘De Lovie’, is bereid de armlastigen van den Openbaren Onderstand der stad door borstlijden aangetast, gratis te behandelen, op voorwaarde dat hij in het hospitaal radiographies moge nemen van zijn begoede patiënten borstlijders - in het sanatorium was er dus geen RX - mits de gebruikelijke taks, namelijk 75 fr. per onderzoek aan de Commissie te betalen. Gezien de Heer Dokter Ronse een gunstig advies hierover uitbrengt en ten zeerste aandringt om dit te zien aanvaarden, besluit dit voorstel aan te nemen”. Dokter Sierens vroeg nu geen ereloon voor de gehospitaliseerde behoeftigen maar hij deed hier geen consultaties en kon ook geen patiënten in het Hospitaal opnemen. Erge gevallen stuurde hij verder naar Brugge.

Normaal dat voor de consultatie specifiek materiaal aangeschaft werd. Op 3 april 1934: “In acht nemende de vraag van de Hr. Dr. Ronse om te mogen een ‘plemoscope' koopen - de secretaris heeft nog wat moeite met al die eigenaardige namen. Het is een 'pleuroscope' om in de borstkas te kunnen loeren - gezien er verschillige gevallen zich voordoen waarin de borstkas van zieken, gezonden door Dr. Sierens, moet onderzocht worden en dat er daar zekere bewerkingen moeten gedaan worden; overwegende dat voornoemd werktuig daartoe onmisbaar is; gezien volgens Hr. Dr. Ronse bedoeld werktuig met zijn meehorigheden ongeveer 2500 fr. zal kosten, besluit de Commissie machtiging te geven aan Hr. Dr. Ronse om zich dit werktuig aan te schaffen” en op 17 april 1934: “In verband met het voorgaande verslag inzake aankoop van een pleuroscope door Hr. Dr. Ronse, gezien de kost daarvan niet 2500 fr. maar wel 4225 fr. zou bedragen, gezien te Brussel gelijksoortige toestellen kunnen gevonden worden tegen betaling van 3928fr., besluit Hr. Dr. Ronse toe te laten bedoeld toestel te koopen te Brussel mits de som van 3928 fr.”. Louis zou dus kunnen kijken in de borstholte en zien of een pneumothorax nodig was.
Daarop kwam Dr. Sierens met het voorstel in het Hospitaal een dispensarium op te richten in het kader van de ‘Liga tegen Tuberculose’. Hiervoor vroeg hij op 19 maart 1935 "wekelijks een kamer in het Gasthuis gedurende één uur voor het Dispensarium voor borstlijders van het omliggende". Hij kreeg een gunstig advies. Gezien de gebouwen aan de straatkant nu in orde waren moest het gebeuren "in het paviljoen langs voren".
Jaarlijks vergaderde het Comiteit van de 'Liga' onder het voorzitterschap van de pneumoloog. Hierbij werd vooral het jaarverslag voorgelezen en werden de financies besproken. Op 9 april 1940 vond men dat de instelling onvoldoende bekend was. Er werd besloten de zondag aan de kerkdeuren kunstbloempjes in stof te verkopen (1).
De aanwezigheid van Dr. Sierens was niet slecht voor de Commissie. Het kind van het gezin D'Haene- Demeyer werd in het 'Moederhuis' op 17 september 1935 geboren. De moeder had tbc. Wegens het besmettingsgevaar schreef Dr. Ronse sociale hulp voor gedurende twee jaar "om de nodige zorgen van inspringen te geven". De Commissie vond dit enigszins overdreven en aan Dr. Sierens werd gevraagd of twee jaar wel nodig was.

Er was ook een nadeel. Er werd op 7 juli 1936 opgemerkt dat zieken van het Lovie-sanatorium naar het Hospitaal getransfereerd moesten worden voor operatie en dat hiervan misbruik gemaakt werd: "Ongeneesbare, schier stervende zieken van vreemde gemeenten worden alhier overgebracht om hier te sterven". Ook vond men op 9 september 1936 dat er teveel 'teringlijders' waren. Niet alleen het lazaret maar ook de wasmachine ervoor was te klein! Het ziekenaantal uit de Lovie was te groot.

Toch was men tevreden. 16 november 1936 werd een grote dag. Het werd "de viering van de heropbouw van de gestichten en het openen van het dispensarium voor teringlijders".
De Minister van Volksgezondheid E. Vandervelde en de Gouverneur Baels werden ontvangen.

  • 9 u.30 ontvangst in 'de Belle', door Burgemeester Van der Ghote en voorstellen van de zusters.
  • 10 u. plechtigheid in het Hospitaal. Dankwoord van de Voorzitter van de COO. met erkentelijkheid voor de toewijding.
  • Rechter Matton, voorzitter van het Dispensarium bedankt de COO.
  • de Minister voert het woord. Hij wil de wet van 1925 over de COO wijzigen. Er zouden intercommunale commissies moeten komen. Daarbij wil hij de behandeling van kanker- en teringzieken laten betalen door het Gemeenschappelijk Onderstand Fonds, zoals voor de psychiatrie. (Twee voornemens die er niet kwamen!)
  • de Gouverneur belooft toelagen voor tbc-behandeling.

Daarop was er een geleid bezoek van het Hospitaal onder leiding van Dr. Ronse.

Op het programma stond nog een bezoek aan de 'knechtenwezenschool' en het Instituut voor meisjes te Loker. Hier "las een meisje een aanspraak waarin het zoo mooi deed uitschijnen hoe zeer de Heren van het Bestuur van de Commissie bekommerd waren met hun lot". Daarop "namen de Heer Minister en de Gouverneur afscheid om 4u. 30, zeer tevreden over die zoo uitstekende welgelukte plechtigheid".

Ook de Commissieleden waren gelukkig na de mooie woorden van het weesmeisje.

  1. Weekblad 'De Halle' 14 april 1940.

Hoofdstuk 18

DE WERKGEMEENSCHAP VAN LOUIS

1. MULTIFUNCTIONELE BAZEN

De plaats in het Gasthuis was voor Louis Ronse zeer voordelig. Vanaf het begin had hij in de streek de organisatie van de geneeskundige zorg in handen. Ook kon hij in het Gasthuis moderne geneeskunde toepassen.

Dr. Ronse werd wel gehinderd door zijn werkgever. Voor alles moest hij toelating vragen aan de Commissie, ook voor de aankoop van het nodige instrumentarium. De Commissie wilde alles controleren, alles in handen houden. Zelfs het kopen van een waskoord of een naaimachine werd in de vergadering bestudeerd. Belangrijk was dan steeds het evalueren van de uitgave. Steeds werd de vraag gesteld of het niet ietsje goedkoper kon.
Op dit vlak werd geen verschil gemaakt tussen de uitgaven voor medische uitrusting en andere benodigdheden. "De Eerweerde Overste krijgt op 7 september 1937 ook toelating om drie bakjes te laten maken om het voeder van de hoenders beter te bewaren en voor verkwisting te hoeden. Zij mag ook op aanvraag van Dr. Ronse een bakje laten maken voor de gewichten van de mechanotherapie".
Dit alles werkte wel op de zenuwen van Louis.

De heer Raymond Ommeslagh was op 8 april 1922 benoemd als lid van het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen. Een goede aanwerving! Hij zou de uitgaven steeds zoveel mogelijk besnoeien. Vanaf zijn aanstelling was hij in de weer. Op 17 november 1923 werd hij gezonden naar het bureau voor oorlogsschade en op 2 augustus 1924 vertegenwoordigde hij het Bestuur bij de Noordwatering van Veurne.
Toen de wet van 10 maart 1925 het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen zich associeerde met het Bureel van Weldadigheid onder de naam van Commissie van Openbare Onderstand, bleef de heer Ommeslagh in functie.

Er waren in 1933 tal van problemen met de bouw van het voorste gedeelte van het gasthuis. Daarom werd in de vergadering van 13 juni 1933 besloten “gezien er een bijzonder toezicht behoort gehouden te worden, dient er een bevoegde man inzake bouwwerken aangesteld”. Raymond Ommeslagh zou voortaan deze taak op zich nemen.
Op 6 juni 1933 had hij ten andere reeds zijn lauweren verdiend. Hij bracht toen verslag uit over zijn degelijke inkopen te Brussel: “een aardappelmachien van 7700 fr. met een machien om vleesch te malen voor 700 fr., te samen 8400 fr., waarop bij uitzondering eene teruggave van 10 % toegekend wierd". Vervolgens "een occasiebrandkast voor 800 fr. ten dienste van het secretariaat”.
Ommeslagh deed dit met enthousiasme. Hij werd echter niet alleen de raadgever voor de bouwwerken maar ook voor de aankoop van apparatuur. Steeds was hij bereid naar her of der te lopen om de goedkoopste oplossing te vinden. Voor een beslissing van aankoop van medische apparatuur was de prijs dan ook het voornaamste.

Kon het beter? Raymond ploos steeds alles uit want hij was zeer nauwgezet. Men zag hem in het Gasthuis lopen met haastige pas, wat gebogen, steeds met een hand in de rug trekkend aan zijn broekzak. Hij werkte niet alleen op de zenuwen van de geneesheren maar ook van de zusters. De ijverige man werd zowat de personificatie van de ‘gierige’ Commissie. In de wandelgangen kreeg hij de naam ‘Krommeslag’. Dit had hij echt niet verdiend.

In feite zorgde Ommeslagh ervoor dat de functie van het vroeger Bestuur der Godshuizen waargenomen werd op degelijke wijze. Om de veertien dagen kwamen de heren samen. Het waren allen brave burgers die vooral zorgden voor de goede gang van zaken. De vergaderingen waren in feite onderonsjes. Een glaasje wijn verhoogde nog de gezelligheid.

Regelmatig moest er wijn gekocht worden. Op 11 april 1930 werden twee 'stukken' besteld bij Van Alleynes aan 5 fr. de liter. Er waren op 18 april 1933 wel vijf wijnhandelaars bij wie gekocht werd. “Na hoedanigheid, smaak en prijzen onderzocht te hebben wordt de voordeeligste aangenomen, ‘t zij voor de witten wijn 1/2 stuk zoeten aan 5 fr. de liter bij Mr. Van Alleynes en 1/2 stuk demi-sec Langoirin 1929 bij Van den Bossche tegen 19,50 fr. het stuk. Voor de rooden wijn wordt het 1 stuk St.-Vincent 1929 bij Van den Bossche aan 16,50 fr. en 1/2 stuk St.-Estèphe 1932 bij Clovis Six aan 650 fr. de hl. Nochtans zal er vooral gevraagd worden indien de aangeduide wijn kan bewaren”. Een nieuwe bestelling gebeurde op 2 april 1935 en op 9 april 1935 was het porto. Als rode wijn kocht men op 19 mei 1936 St.-Estèphe, St.-Emilion en St.-Julien en daarbij nog Rijn- en Moezelwijn. Van Alleynes was opnieuw aan de beurt op 18 juni 1936. Het werd één 'stuk' van 250 liter Moselle Wormeldange aan 5,50 fr. de liter en een 'stuk' rode wijn van 120 liter, St.-Julien 1913 voor 2100 fr.

Alle leden waren toen nog grondbezitters en welstellend. Katholiek of liberaal, ze trokken allen aan hetzelfde touw. Beslissingen nemen was steeds gemakkelijk.

Wel waren er vanaf 1929 wat moeilijkheden. De Commissie werd toen geconfronteerd met ‘Antiklerikalen’ en ‘Fronters’. Na twee belangrijke verkiezingen - 26 mei 1929 werd een triomf voor de Vlaams-Nationalisten en 27 november 1932 sneuvelden de liberalen - kwamen totaal nieuwe leden bij: Louis Socquet, priester, maar vooral Rudolf Claeys, propagandist van de Vlaamse Nationalistische Beweging en Edgard Messiaen, propagandist van de Socialisten. De politiek had nieuwe leden opgedrongen. Hiermee kwam zij meer aan bod bij het nemen van beslissingen. Van nu af aan zou de waakzame Edgard Messiaen ook de zusters, werkzaam in de instituten van de Commissie, meer in 't oog houden.

De Zusters Arme Klaren zijn de eerste slachtoffers geweest van de nieuwe trend. Op 13 februari 1934 vroegen zij de “toeslag van de heelkundige bewerking” niet te moeten betalen. Het antwoord: “gezien de behoeftige toestand dezer kloostergemeente niet bewezen is en moeilijk te bewijzen valt, besluit voor deze keer alleen nog de vraag in te willigen”. Nochtans was op 17 juni 1927 besloten dat kosteloze behandeling toegelaten was “gezien de zusters van aalmoezen leven”.

Dokter Ronse zou ze nochtans gedurende zijn ganse carrière gratis behandelen. Op 20 augustus 1950 zou hij hiervoor ter gelegenheid van zijn vijfentwintigjarige inzet met zijn gezin, gevierd worden met een ontbijt en een papieren knip-en-plak nonnenkunstwerk.

De nieuwkomers in het bestuur der Commissie hebben zich echter weten aan te passen. Ook zij vonden de vergaderingen vlug zeer aangenaam. Er veranderde dan ook niets in de manier van werken.
De rekeningen van de ‘gestichten’ werden steeds nauwkeurig nagegaan. Bij bestellingen door het personeel moesten collega's aan bod kunnen komen. Er werd bij voorbeeld aangeraden inkopen te doen bij de Firma Gaimant in de Menensestraat. Dit waren de twee drogisten, neven van de vroegere apotheker. Op 3 mei 1928 liet men aan de 'directrice van het Moederhuis' ook opmerken dat ze het brood te Ieper moest kopen en niet in Brielen. Zij kocht volgens een opmerking van 2 november 1928, ook nooit bij Hollevoet en Van de Vijver stond ook niet op haar lijst.

Het grootste werk voor de Commissie was het nagaan van de hoeven en het innen van de pachten (25 februari 1930).
De bossen bezorgden ook veel werk. Steeds moest het onderhoud gecontroleerd worden. Op 24 november 1936 moest aangedrongen worden bij het gemeentebestuur van Zillebeke opdat er wegen in de bossen zouden aangelegd worden.
Baron de Vinck die de jacht te Zillebeke huurde, verwittigde op 26 december 1934 dat hij de konijnen niet meer kon schieten wegens de talrijke bramen. Er moest gemaaid worden. Juffrouw Keignaert de Gheluveld daarentegen kreeg een vermaning omdat ze niet genoeg konijnen geschoten had. De landbouwers klaagden erover.
Soms verleenden de bossen echter een goede verpozing. Op 30 oktober 1920 konden subsidies verkregen worden voor het herstel van de bossen. Van Aerde en Van der Ghote ontvingen toen de inspecteurs die hiervoor op bezoek kwamen. Zo mochten ze een toertje doen.
Er werd ook voor gans de equipe een aangenaam bezoek aan de bossen gepland op 12 juni 1937. De Hospice-heren hadden dan het genoegen hun naam te zien prijken op de wegplaatjes. Zij hadden het jaar tevoren de namen van alle Commissieleden hier laten plaatsen. Op 18 augustus 1936 hadden ze zelfs geschreven naar de families van de gelukkige uitverkorenen. De Van der Ghoteweg bevond zich in de bossen van Zillebeke in de omgeving van 'Zwarte Leen'.

Ze hadden natuurlijk vooral een sociale opdracht. De heren organiseerden de armenzorg. Op 15.000 inwoners van de stad, werden er in 1933 niet minder dan 358 behoeftige gezinnen hetzij 1328 personen, gesteund. Op 13 december 1934 waren het 457 families of 1729 personen.
De Commissie eiste van de gesteunden onderwerping aan het reglement maar ook een behoorlijk gedrag. Er waren echter veel sociaal drinkers. Arthur D. "die één maand zijn hulp geschorst is wegens dronkenschap en die langs de straat den heer voorzitter uitschold" kreeg op 9 maart 1937 nog één maand schorsing extra. De beslissing werd ook uitgeplakt. Op zondag 4 april "liep hij opnieuw dronken". Twee dagen later werd de subsidie dan definitief opgezegd en werd steun "aan vrouw en kinders enkel in natura" verleend.

Ook de 'Gestichten' berokkenden veel werk aan de Commissieheren. Alle kandidaat-zusters moesten toelating vragen tot intrede. Zij waren immers in dienst van de Commissie. Op 12 juni 1925 verschafte men uitleg: "Aangezien het aantal kloosterzusters te gering is om te voldoen aan de noodwendigheden van den dienst der zieken, verpleegd in het Hospitaal, besluit de Commissie die aanvaarding goed te keuren en Juffrouw Marguerite Bourgeois in gemelde hoedanigheid (als postulante) te aanvaarden". Op 4 mei 1937 werd zelfs een oordeel geveld over de roeping van Maria Verteneuil van Nieppe. "Gezien de Commissie in die Juffrouw voornoemd de noodige gesteltenis vindt om een goede kloosterzuster te worden, besluit zij toelating te geven om die Juffrouw als postulante te aanvaarden".
Het Gasthuis maakte deel uit van het rijtje 'gestichten' en werd op dezelfde voet gerund. Louis Ronse wist ervan mee te spreken. Hij was uiteindelijk ook een bediende gezien hij betaald werd voor de gratis verzorging van armen. Hetzelfde gold voor Dochy en Billiau. Op 20 juni 1939 namen de Hospice-heren daarom het besluit de dokters Ronse, Dochy en Billiau aan te sluiten bij de 'Omslagklas voor Gemeentelijke Pensioenen'.

De bewoners van de instituten genoten gratis medische behandeling. In 1934 waren er 365 gezinnen aan wie thuis gratis geneeskundige zorgen toegediend werden. In het Gasthuis werden in hetzelfde jaar ook 713 zieken en gekwetsten opgenomen, waarvan 72 volledig ten laste van de COO (31 december 1934). De meesten hiervan werden verzorgd door Ronse.

Daarnaast waren er de 'gestichten' voor bejaarden. De mannen waren na de oorlog niet aanstonds teruggekeerd. Zij verbleven tot einde mei 1930 te Handzame bij de Zusters van Liefde van Kortemark. Pas op 4 april 1930 immers was het 'Nazareth' herbouwd. Er waren 70 plaatsen, enkel gereserveerd voor Ieperlingen (20 juni 1930).

Het strikte uurrooster moest echter gevolgd worden. In 1936: "Gezien Van H. zeer onstuimig en onbeleefd geweest is in kwestie het te vroeg willen uitgaan op 15 juni 's avonds; gezien Van den B. en Gel. handgemeen geweest zijn den zelfden zondagavond terwijl zij lichtjes beschonken waren; gezien volgens inlichtingen Gel. begonnen was met scheldwoorden naar het hoofd van Van den B. te slingeren en dit om reden dat Van den B. veel hulp biedt aan de zusters; besluit de Commissie de straffen te laten vaststellen door de Overste".

De kostgangers kregen wekelijks twee keer 50 gr tabak (7 april 1931) maar alcohol was natuurlijk uit den boze. Op 21 mei 1935 werd 'kostganger' Arthur D. wegens zijn 'wangedrag' gestraft "te meer dat zijn voorbeeld zeer slechten indruk maakt op menigvuldige anderen die gretig zijn voor het drinken". De week erop kreeg hij 14 dagen uitgangsverbod "omdat hij zijn opgelegde straffen door de Commissie voor dronkenschap en 's nachts weg te blijven in het belachelijke trekt". In 1937 recidiveerde hij. "Op zondag 30 mei 's noens was Arthur D. beschonken thuisgekomen en zocht moeilijkheden met de anderen en was zeer ongehoorzaam ten opzichte van de zuster. Hij moest thuisblijven en wilde niet. Hij gaat ook uit om te werken wat streng verboden is". Als straf moest hij acht dagen verplicht thuis blijven.

De vrouwen verbleven in het Belle-Godshuis en in de Godelieve - St.- Jan. In december 1935 verbleven hier 60 vrouwen en 62 mannen in het Nazareth (19 februari 1936). Hier verliep alles kalmer maar toch met ruzies.
Er waren ook beluiken voor vrouwen in de stad: de 'Keerse' in de St.- Jacobsstraat en het 'weduwen-hof' van de Rijke Klarenstraat. Emma Sohier werd op 28 augustus 1934 verplicht te verhuizen van de Belle naar de Rijke Klaren. De bewoners vroegen aan de Commissie hiervan af te zien. "Gezien dit voorkomt als een vorm van protest tegen een gewone beslissing van de Commissie, besluit die aan elk afzonderlijk een schrijven te richten hen aanmanende om zich daarin niet te bemoeien". De week erop werd opnieuw geschreven. Ditmaal wegens twisten in het beluik van de 'Keershof'. Elke bewoner kreeg dan een brief "om hen aan te manen beter overeen te komen en de faam van het beluik te verbeteren".

Naast de ouderenzorg waren er de weeshuizen. Voor de meisjes waren er twee voorzieningen: de St.-Elisabethschool nabij de Rijselsestraat en het St.-Antoniusinstituut te Loker. Wegens het gering aantal wezen werden de gebouwen van het instituut in de stad verkocht. Op 28 mei 1928 werden de 12 wezen getransfereerd naar Loker. De volgende maand werden dan voor alle wezen 30 uniformhoedjes geleverd. Hieruit blijkt met hoeveel ze toen waren.. Bij de voorbereiding van de inhuldiging door de Minister en de Gouverneur op 16 november 1936 werden echter slechts 20 paar schoentjes gekocht.

In de 'Knechtenwezenschool' werden kinderen boven de 12 jaar niet aanvaard (12 november 1935). Op 18 april 1930 waren er 57 leerlingen. Hieronder waren 7 studenten uit het omliggende, 15 internen waarvan de ouders zelf betaalden en 35 wezen en verlaten kinderen uit Ieper. 47 kinderen volgden de lessen in de school en 10 adolescenten waren werkzaam buitenshuis: 4 waren in de beroepsschool en 6 waren geplaatst 'op stiel'. Op dit ogenblik werd onderlijnd dat "wat aangaat de kinders die binst de schooluren meestal gebruikt worden om werken uit te voeren op het land en in de stallingen der hoeve welke aan het weeshuis verbonden is, is dit totaal valsch en niets anders dan laster. Immers nooit is het de kinders toegestaan in de stukken te gaan. Verder wanneer zij bij toeval op het land gaan is het enkel met de zuster onderwijzeres om er aanschouwelijk landbouwonderwijs te ontvangen." Dit nam niet weg dat op 4 juni 1926 "de Overste van de Knechtenwezenschool boter van de voorraad zal kunnen leveren in het Moederhuis".
De 'COO-heren' zorgden met vaste hand voor het welzijn van hun wezen. Op 22 oktober 1935 werd beslist een voogd aan te stellen voor alle wezen die er geen hadden. Volgens artikel 78 van de wet van 10 maart 1925 vormden de leden van de Commissie dan de voogdijraad en mochten ze een lid als voogd laten benoemen.
Voorzitter Bouquet was voogd van wees Degrendel. Op 30 juni 1936 "vroeg weduwe Degrendel om haar zoontje van 12 jaar oud terug te nemen uit de Wezenschool, onder voorwendsel dat zij zelf kon onderhoud bezorgen aan haar zoon. Gezien zij nog zelfs het kind niet zal kunnen onderhouden omwille zij in dienst is; gezien de wet van 10 maat 1925; gezien Mijnheer Remi Bouquet, voorzitter van de Openbaren Onderstand, dienstdoende voogd is; oordeelt de Commissie dat het kind best in de Wezenschool zou blijven en besluit aan Vr. Degrendel geen voldoening te geven".

Steeds werden wezen weerhouden ofschoon ouders er naar vroegen. Alles gebeurde echter met de beste bedoelingen. Ook de aanpak van de wezen zelf volgde dezelfde beginsels. Die berustten op het principe van onderdanigheid en aanvaarding van gezag.

Te Loker verliep alles naar wens. Dit was echter niet het geval in de 'Knechten-wezenschool'. Tot 1932 leefde men er in de barakken van het Albertfonds. Pas op 30 juni 1931 kwam de aanbesteding van de nieuwe gebouwen.

Het waren echter niet de bouwwerken die de 'Heren' miserie berokkenden. Einde 1935 waren er enorme disciplinaire moeilijkheden. In januari 1936 had de Commissie een lange bespreking "over verschillige wezen die verre waren van voorbeeldig onder vele opzichten door hun gedrag en wanordigheden, en voor de zusters het leven onmogelijk maakten. Na ernstig onderzoek en bekentenissen gedaan door de betichten zelf, werd M. Théodore verzocht het gesticht voor goed te verlaten, alsook Albert V. die nog één dag mocht blijven om intusschen plaats te zoeken bij zijn familie".
Op 4 februari 1936 werden "nieuwe schikkingen voor wandelingen en voor lichaamsoefeningen genomen". Het mocht niet helpen. Twee weken later waren er weer problemen. Eén van de Commissie-heren kwam dan in het instituut een brief voorlezen waarbij gewezen werd op noodzakelijke gehoorzaamheid. Er werden ook enkele wezen gestraft.
Spijts de mooie aanmaning ging het niet beter en op 3 maart 1936 waren we even ver. "De Eerwaarde Overste van de Knechtenwezenschool klaagt over het gedrag van Léon V. jegens de zusters en laat kennen dat eene der zusters een slag gekregen heeft van hem. De Commissie is van oordeel dat het beter ware die zaak in handen te geven van de Kinderrechter of van de Heer Procureur des Konings."
Op 23 juni 1936 waren er nog steeds moeilijkheden. Tegen het einde van het schooljaar, in de vergadering van 4 juli, vroeg men zich af of het niet beter was de kinderen te sturen naar scholen in de stad. Men wist echter niet of dit zou helpen.

De Zusters van Gits konden hun taak ook niet meer aan. De 'Heren' wisten niet hoe de zaak op te lossen. Na bespreking met de deken van Gits en met de Algemene Overste van de zusters werd op 28 juli 1936 besloten dat de zusters tegen 1 september zouden wegtrekken en vervangen worden door mannelijke leerkrachten. Op 1 oktober 1936 werden drie onderwijzers aangenomen.

De nieuwe leraren kregen het ook niet gemakkelijk. Op 7 oktober 1936 klaagde het schoolhoofd over "het wangedrag en opstandigen geest van eenige leerlingen". Hij stelde voor de kleinere te scheiden van de ouderen. Er werd ook een reglement opgesteld nopens het uitgaan, speciaal voor wie in de stad lessen volgde.

Uiteindelijk werd op 3 november een bewaker aangeworven. Zo moesten de leraren niet meer zoveel bewaken. Zij kregen dan de nodige tijd om hun lessen voor te bereiden. Op 9 februari 1937 werd een lijst gemaakt van de straffen. Er was een gradatie van de 'vermaning' tot aan 'het verzenden' van de leerling naar de Commissie. Slechts stilaan kwam daarop alles tot rust.

Voor de 'Heren' was dit geen gemakkelijke periode. Daarbij geraakten de moeilijkheden stilaan bekend. Op de vergadering van 2 februari 1937 meldde men dat er steeds klachten waren bij de politie "door personen vreemd aan de wezen". Hierdoor werden "gedurig kinders en meesters geroepen naar het politiebureel en den heer onderzoeksrechter. Gezien het gezag der meesters hierdoor erg gekrenkt is, zodat onderwijs en tucht erdoor moeten lijden".

Dr. Ronse was een gezagsfiguur in deze kleine wereld van onderworpenheid en gehoorzaamheid. Zijn patiënten waren gewoon dat alles bedisseld werd boven hun hoofd. Zij onderwierpen zich dan ook aan het oordeel van de arts. Ook aanvaardden zij steeds elke behandeling, al was ze pijnlijk of langdurig. Louis kon met hen verrichten wat hij wou.

2. ZUSTER MADELEINE

Zuster Madeleine Beele had de Commissieleden eerder laag op. Ook zij had moeite met hun bemoeizucht.

Zij was van de 'oude garde'. Als novice, omtrent 1906, moest zij nog op de grond knielen wanneer zij de 'Juffrouw' in de gangen ontmoette. In deze nederige houding kreeg zij dan haar zegen.

Zij is zelf nooit 'Juffrouw' van de 'Zusters Augustinessen van het Onze- Lieve-Vrouwhospitaal' geworden. Waren haar medezusters bang voor haar scherp opmerkingsvermogen of heeft zij het eerder nooit gewild? Nochtans was ze voldoende intelligent en afgemeten genoeg om al het gebeuren objectief te beoordelen.

Reeds in 1914 tekende zij haar belevenissen op en begon zij aan haar mémoires. Zij heeft die voortgezet tot 1934 en er nadien enkele evenementen uit 1940-1944 aan toegevoegd. Zij heeft haar leven lang ook alle chirurgische interventies opgetekend. Een lijvig archief!

In het hospitaal was zij met de jaren uiteindelijk de 'éminence grise' geworden, in feite de kliniekdirectrice. Hier liep je door de centrale gang voorbij de zalen - links twee vrouwenzalen, rechts twee voor de mannen. Juist vóór je de operatiezaal bereikte vond je links haar bureeltje - rechts had je dan de ontsmettingskamer. Iedereen moest hier langs en na behandeling kon je zonder betalen het gasthuis nooit verlaten. Wanneer politiecommissaris Maerten of de bediende van de mutualiteit om een verblijfsattest kwam, tekende zij zelf de formulieren... met het nagemaakt handteken van Ronse of Dubrulle. Met de jaren werd haar handschrift daarbij zeer gelijkend op dit van Ronse, echter wel meer verzorgd.

Bij de aanvang was Zuster Madeleine wel aanhankelijk tegenover de dokters maar gezien haar sterke persoonlijkheid zou zij vlug bijkomende taken overnemen. Zij organiseerde dan alles met intelligentie maar was daarbij vooral bezorgd, moederlijk. Voor de dokters liep zij door het vuur. Zij regelde bijna hun leven. Het uurrooster werd door haar opgesteld, zij maakte de afspraken, zij inde het honorarium.

Het was niet alleen wegens zijn medische interesse dat Ronse zoveel in het hospitaal vertoefde. Dit werd enigszins zijn tehuis. Zijn opvolger Dubrulle zou hetzelfde doen. De plaasters die Louis op de dag van zijn huwelijksceremonie legde, sproten voort uit die atmosfeer. Zijn beroep was al even belangrijk als zijn gezin maar de zusters kregen voorrang. Cathérine Ronse was er niet altijd blij mee. Was ze wat jaloers?
Wanneer de tweede chirurg, Dr. Dubrulle, in dienst trad waakte Zuster Madeleine er steeds zeer eerlijk over dat beiden aan hun trekken zouden komen, zelfs toen de nieuwe arts haar troetelkind werd. In het eerste jaar van zijn verblijf te Ieper, regelde zij zijn kost en inwoon. Zij zorgde voor alles en stelde zelfs zijn belastingsaangifte op. Wanneer haar 'protégé' een reis naar Spanje ondernam, tekende zij zelf voor hem de cheque. Heeft zij dit ook voor de belastingsaangifte aangedurfd?
Moeder Dubrulle maakte bij de zuster haar beklag over de verliefdheidsperikelen van haar zoon. Die was op toer met een meisje van mindere stand. Zuster Madeleine heeft de zaak dan in één twee drie geregeld.

Kon het beter? Het bureeltje van Zuster Madeleine was het middelpunt van gans het Hospitaal. Uiteindelijk had zij reden genoeg om geen overste te worden.

3. DE ‘CLINIQUE’

Gasthuizen van de Openbare Onderstand werden gesticht voor de behandeling van armen. Rijke lui kreeg verzorging aan huis, ook voor de chirurgische ingrepen.
Voor delicate en gespecialiseerde operaties werd dit natuurlijk steeds moeilijker en zo kwam vanaf 1905 in de Oude Houtmarktstraat te Ieper een oogkliniek tot stand. Zeer vlug werden hier ook andere ingrepen verricht. De gewone chirurgie aan huis kon immers niet altijd. Deze ‘Clinique Française’ van Dokter Lagrange werd de instelling voor rijke lui.
Na de oorlog bleven de Franse zusters weg en moest elk respectabel burger naar de privé kliniek van Sebrechts te Brugge of bij Lauwers in Kortrijk. Naar het Gasthuis gaan kon toen niet. Pas na de tweede wereldoorlog zou bij behandeling het klasseverschil tussen kliniek en gasthuis wegvallen.

Te Ieper was ook de 19e eeuwse congregatie van de Heilige Voorzienigheid gevestigd. Deze zusters deden aan huisbezoek Hun voornaamste taak was echter de uitbating van een ouderlingentehuis aan de Guido Gezelleplaats. Hier was er een zaal voor ongeneeslijken en zelfs een weeshuis beschikbaar. Na de oorlog bleef het huisbezoek belangrijk. Ook die thuiszorgen waren bestemd voor sociaal minderen.

Er waren echter ook 'Zwarte Zusters'. Die waren al vóór de Franse Revolutie gespecialiseerd in de verzorging van behoeftige zieken aan huis. Armen werden toen in het Gasthuis slechts opgenomen in uiterste nood. Dit was immers voor de gemeenschap een duurdere armenzorg. De zusters werkten immers gratis.
De 'Zwarte Zusters' hadden vóór de oorlog insgelijks een rustoord en een weesschool aan het St.-Pieterskerkhof. Zij namen er ook patiënten op, wat uiteindelijk hun voornaamste taak werd.

Na de eerste Wereldoorlog wilden zij hun ziekenzorg voortzetten. Waarom geen privé-kliniek? Zo waren ze niet in concurrentie met het Gasthuis. Bij het herbouwen van het rustoord werden in samenspraak met kanunnik-deken Delaere, veertig hospitaalbedden ingericht voor betalende zieken (1).
Hiervoor moest natuurlijk een beroep gedaan worden op de enige beschikbare chirurg. Vanuit Le Bizet nam de overste, Zuter Livine Nollet, contact met Dr. Ronse. Het contract werd getekend op 1 september 1922. De chirurg betaalde de chirurgische apparatuur. Zo werd hij "propriétaire de l’installation de la Clinique Chirurgicale des Soeurs Noires à Ypres". De overeenkomst was opzegbaar mits zes maand voorafgaande verwittiging. De dokter had ook beslissingsmacht tegenover de andere specialisten. Om hier te werken moest vooreerst een consensus aangegaan worden met de chirurg.

Dr. Ronse werd hiermee verantwoordelijk voor twee klinieken. In het Gasthuis moest hij voor alle materiaal steeds toelating aanvragen. In de ‘Clinique’ had hij vrije armslag. Een mooie plaats! Het was ook normaal dat hier de medische organisatie sneller zou evolueren. In 1925 werd hier al radiologisch onderzoek uitgevoerd. In het Hospitaal werd de radiografie slechts in 1929 opgericht.

Valère Billiau was verbonden aan het O.L.V.-Hospitaal voor het behandelen van behoeftigen. Als orthorhinolaryngoloog sloot hij reeds op 1 november 1924 een contract af met de chirurg. Hij mocht zijn patiënten opereren in de ‘Clinique’ maar moest 10% van het honorarium afstaan aan Dokter Ronse. Hij gebruikte immers het instrumentarium van de officiële chirurg.

Veertien dagen later was het de beurt aan ophtalmoloog Joseph Van Hoonacker. Die moest ook 10% inleveren. Op 1 februari 1934 zou pneumoloog Valère Sierens zijn contract tekenen. Alle betalende chirurgische gevallen die hij te Ieper onderzocht, moesten voor de chirurgie naar Ronse gestuurd worden. Voor het ereloon van de radiografie was er 10% voor de kliniek en 30% voor Ronse.

Voor Louis werd de kliniek een fikse onderneming. Hij was volledig vrij bij het uitoefenen van zijn chirurgie. Zijn collega's waren bovendien ondergeschikt aan hem. Financieel vaarde hij er ook goed bij. Het instrumentarium was een goede belegging. In de ‘Clinique’ kon Ronse dan nog een betalend cliënteel opbouwen dat het sociaal niveau van het Gasthuis te min vond.

Behandeling van behoeftigen werd hier natuurlijk niet betaald door de 'Commissie'. Die moesten naar het Hospitaal. De in 1927 nieuw benoemde ‘oogmeester’ van het Gasthuis wist bij de aanvang nog niet goed hoe het moest. Ietsje naïef? In de verslagen van de Commissie op 5 april 1927 vindt men: “Op aanvraag door Dr. Dochy om echtgenote Vollebout te mogen opereren in de clinique zal er gevraagd worden of de behandeling niet in het gasthuis kan gedaan worden”.

Ronse hoefde geen aanvragen in te dienen. Hij organiseerde de kliniek en selecteerde zijn cliënteel volgens de portemonnee.

Soms ontsnapte nochtans een ondersteunde naar de Kliniek. Marie D’H. , opgenomen in het Gasthuis, wilde op 13 maart 1934 naar de Kliniek vertrekken. Zij zou de 25 fr. daags zelf betalen. Dit was spelen met vuur. De 'Commissie' besliste ogenblikkelijk dat zij niet meer moest gesteund worden. Zij was immers niet meer behoeftig, indien zij dit betaalde.

Ronse was hoofdgeneesheer in het Gasthuis - 60 bedden - maar ook directeur in de ‘Clinique’ - 40 bedden. Tussen de twee instellingen is het slechts 15 minuten stappen. Bij de verplaatsing sprong hij over de vuilnisbakken. Het leven was mooi. Opgelet! Soms nam hij zijn sprong tekort en kwam met een voet in de vuilnis terecht. De sprong van het Hospitaal naar de 'Clinique' zou trouwens niet zonder kleerscheuren gebeuren.

  1. Zuster Florence zou pas na de tweede Wereldoorlog deze kliniek met goed gevolg uitbreiden. Dit was echter te wijten aan haar machtswellust. Zij wilde niet alleen concurrentie met het Gasthuis maar nog meer. Uiteindelijk vergaloppeerde ze zich en botste ze tegen de klerikale hiërarchie... en de fiscus.

4. DE ENIGE CHIRURG

Bij de keuze van een chirurg was de behoeftige dus niet vrij indien hij geldelijke steun van de COO wilde. Behandeling moest in de eigen kliniek gebeuren door de bezoldigde chirurg.
Voor betaling van een heelkundige bewerking in een andere kliniek moest vooraf toelating gevraagd worden. “Kennis nemend van een schrijven door Meester Leuridan 1000 fr. eisende ten voordele van Professor Daels te Gent, wegens terugbetaling van verschoten sommen aan de Openbare Onderstand te Gent, in betaling der onderhoudskosten van Maria Arf., is het Beheer van oordeel niets in de zaak te zien te hebben met de Heer Professor Daels ” (4 april 1930).
Er was op 15 september 1936 een aanvraag van een cliënte van Ronse, vrouw Maurice B-Z. Zij “raadpleegde opeens zonder kennisgeving, een dokter te Brugge, die haar onderzocht met X-stralen en, volgens gezegden, haar seffens in het hospitaal behield”. Zij kreeg geen terugbetaling. Ronse had dus de verzekering dat behoeftigen hem niet konden ontsnappen.
In het Gasthuis werd ook geen andere chirurg aanvaard. Dochy en Billiau konden er wel hun patiënten behandelen maar in samenspraak met Ronse. Reeds op 20 augustus 1921 had Dokter Dieryck graag zijn cliënteel opgenomen in het Hospitaal. Hij kreeg de toelating niet ofschoon hem bij de aanvang de plaats aangeboden werd: “Il est difficile que deux médecins fassent des opérations dans les même bureaux” was het antwoord van de 'Commissie'.
Als enig chirurg kon Ronse daarbij ook rijke lui in het Hospitaal opnemen voor zover zij dit ‘arme liedenhospitaal’ aanvaardden. Dit ereloon was dan supplementair aan zijn wedde.
Sebrechts te Brugge verkeerde in dezelfde situatie. Naast zijn universitaire verplichtingen organiseerde hij de chirurgie in het St.- Janhospitaal. Hij was hier almachtig maar hij had andere pleisterplaatsen. Die behoorden ook tot zijn werkterrein. Hij stichtte de Minnewaterkliniek in het ‘Instituut voor Ongeneesbaren' van de Zusters van Liefde.

Hij vroeg ook aan de 'Zwarte Zusters' zich hier te specialiseren in de behandeling van zwaar zieken o.a. tuberculosepatiënten. Zijn cliënteel met standing werd aan de Franse Augustinessen van de St.-Jozefkliniek toevertrouwd. Die zusters waren hier in 1908 wegens de Wet Combes gestrand, zoals de ‘Franse Zusters’ te Ieper.

Zo had hij alles in handen en zou hij tot het einde kunnen standhouden. Zijn binding met de Leuvense Universiteit gaf hem de mogelijkheid zijn imperium te bemannen met assistenten. Ronse daarentegen moest alles zelf verrichten. Hij was een alleenheerser. Dit kon zo niet blijven, een dictatuur duurt gemiddeld tien à vijftien jaar.

5. DE OVERWINNING VAN DE AANKOMENDE GENERATIE

Dr. Ronse was de enige chirurg in het Hospitaal. In de kliniek van de Zwarte Zusters had hij ook alles te zeggen. Spijts zijn absolute macht was zijn contract nochtans hier ieder zes maand opzegbaar.
Er was in de kliniek wel plaats voor een tweede chirurg. Ignace Lantsoght, leerling van Sebrechts, was jong, had ambitie. Was hij daarbij een neefje van Moeder Overste?

Twee chirurgen! Dit was al gewonnen voor de kliniek. Lantsoght kon natuurlijk geen behoeftige lijstpatiënten opnemen. Waarom dan niet in het Hospitaal? En waarom hier geen privé patiënten? Ronse weigerde dit. Hij wilde niets loslaten maar hij streed op twee fronten. In vier zetten zou hij schaakmat zijn.

Op 28 september 1937 kreeg de Commissie “een schrijven onderteekend door de Heer Lantsoght, heelkundige, het Bestuur eerbiedig verzoekend om betalende zieken in het Hospitaal te mogen opereren”. Het was onmiddellijk: neen. “Gezien de Heer Dokter Ronse ./. werd aangesteld en in deze hoedanigheid verantwoordelijk is; ./. gezien Dokter Ronse reeds vijftien jaar aan het Hospitaal is verbonden; gezien hij door zijn arbeid en bekwaamheid ./ . volledig voldoening geeft; gezien het Hospitaal in eerste plaats in dienst moet staan van de behoeftigen en armen; gezien betalende zieken ./ . alleen worden aanvaard voor zoover en zoolang dit niet schaadt aan een ./ . verzorgen der armen, eerste en voornaamste doel van een burgerlijk hospitaal; gezien het reglement thans toelaat dat de betalende zieken ./. hun dokter vrijelijk mogen kiezen; gezien de chirurgie als een speciale dienst moet aangezien worden, niet zoals de radiologie, de physiotherapie en de laboratoriumdienst, waarbij geen vrije keus van dokter kan aanvaard worden; om deze redenen is de Commissie van oordeel dat haar huidig reglement niet strijdig is met de richtlijnen vervat in het ministerieel rondschrijven van 10 oogst 1932 en beslist dit reglement niet te wijzigen en dienvolgens de Heer Lantsoght niet toe te laten“. Lantsoght had dus in zijn brief zijn voornaamste troef laten zien: het recht van de patiënt op vrije keuze van de arts.

Op 1 oktober 1937, nieuwe poging. Dit tweede schrijven werd op 19 oktober besproken. “Na rijp overleg wordt volgende beslissing ./. eenparig goedgekeurd:

  1. Het reglement van het Hospitaal is niet strijdig met het ministerieel schrijven.
  2. De Heer Dokter Ronse geeft ./. volledige voldoening en de Commissie is hem erkentelijk.
  3. Het Bestuur wenscht de goede verstandhouding te bewaren . . tusschen het Bestuur en het personeel ./. omdat deze kostelijke samenwerking een noodzakelijkheid is om den geneeskundigen dienst van de behoeftigen ten volle en in de beste voorwaarden te verzekeren”.

Het kon dus niet. “Nochtans zal het zich daartegen niet verzetten indien Dokter Lantsoght met Dokter Ronse een akkoord sluit met het oog op een samenwerking of door bemiddeling van het Syndicaat der Geneesheren een beslissing kan uitlokken die voor onze Commissie bindend zou zijn”.

9 november 1937, derde poging van de jonge arts. "Vervolgens geeft de Heer Voorzitter lezing van een brief toegestuurd door Dr. René Sand, Secretaris Generaal van het ministerie van Volksgezondheid waarbij er herinnerd wordt aan het ministerieel schrijven van 10 augustus 1932 betreffende de vrije keuze voor betalende patiënten. Het Bestuur besluit een vragenlijst rond te sturen naar verscheidene Commissies om inlichtingen te bekomen betreffende deze brandende kwestie.”

Het werd effectief heet voor Ronse. Op dit ogenblik liet hij een clausule aan zijn contract toevoegen: “Passé cette période de cinq ans cet accord se renouvelle par tacite condition”.

23 november 1937, vierde keer Lantsoght. “De Heer Voorzitter geeft vervolgens verslag over een gesprek dat hij samen met Mijnheer Ommeslagh heeft gehad met den Heer Dokter Ronse in verband met de vraag van den Heer Dokter Lantsoght. De Heer Dokter Ronse wenschende een einde te maken aan deze kwestie, heeft geen bezwaar meer te maken over het princiep dat Heer Lantsoght zijne zieken zou opereren in het Hospitaal. De Heer Ronse op verzoek van de Commissie komt hierop de zittingzaal binnen en bevestigt dit onderhoud. De secretaris geeft lezing van de antwoorden die zijn binnengekomen op de vragenlijst . . Hieruit blijkt dat alle onderstandsbesturen op één uitzondering na de vrijheid van geneeskundige en heelkundige aanvaarden.
Enkele leden van het Bestuur zijn echter de mening toegedaan dat door de aanvaarding van de Heer Lantsoght de Commissie het princiep van de vrijheid van geneesheer aanneemt en dat zich diensvolgens de kwestie stelt van opstellen van een reglement. De Heer Ronse wordt uitgenodigd daarover nog eens na te denken en ons eventueel voorstellen te onderwerpen”
.

De jeugd had het dus gehaald. Koortsachtig zocht Louis daarop in het contract waarbij de stilzwijgende verlenging gevoegd werd, het bewijs dat geen enkele specialist in de Kliniek kon werken zonder zijn toelating. Hij vond dit niet. Hoe was het Gods mogelijk?

Dr. Lantsoght wist steeds zeer goed wat hij wilde. Hij was doorzettend, ook wanneer hij in het Hospitaal zou werken. Hij zou hier opkomen voor zijn rechten o.a. bij het opstellen van het uurrooster van de operaties. Hier eiste hij steeds een plaats die voor hem het beste schikte. Uiteindelijk is hij echter niet altijd gelukkig geweest. Later kreeg hij drankproblemen.

6. ONTREDDERING

Een nederlaag voor Louis, en geen kleine. Zich neerleggen bij de situatie kon niet. Voor hem was het de zoveelste mislukking. Zijn academische ambities had hij niet kunnen realiseren. De oorlog was voor hem ook maar onderwerping geweest aan het noodlot. Tot heden was hij de baas en mocht hij de lakens uitdelen. Gedaan ermee! Er was geen weg terug, de nieuwe levenssituatie moest aanvaard worden. Wat stond er te doen? Agressief zijn? Hoe? Het werd depressie.

Op 30 november 1937 stond het drama al als eerste agendapunt van de vergadering van de 'Commissie'. “Hierop ontvangt de Commissie de Eerwaarde Overste van het Hospitaal die op uitnodiging van de Voorzitter verslag komt uitbrengen over het gebeurde met Dokter Ronse. Dokter Ronse, uitgeput zijnde van krachten, is onmiddellijk verplicht geworden op rust te gaan en zal een verlof van enkele weken nodig hebben. De Eerwaarde Overste vraagt dat de noodige maatregelen zouden getroffen worden opdat ondertusschen de dienst in het Hospitaal zou verzekerd worden.” Echter opgelet! “Zij brengt tevens ter kennis dat de geneeskundige dienst der behoeftigen dikwijls te lijden heeft gehad door het feit dat de Bestuurder van het Hospitaal tevens heelkundige was in een private kliniek in stad. Zij verzoekt eerbiedig het Bestuur dit te willen in aanmerking nemen bij het treffen van alle verdere schikkingen en maatregelen.” Dit was wel erger.
“De Heer Voorzitter geeft vervolgens lezing van volgende brief gericht aan het Bestuur door Mevrouw L. Ronse: ‘Ik heb de eer Ued. te verzoeken in naam van mijn echtgenoot L. Ronse, heelkundige aan het Burgerlijk Hospitaal te Ieper, hem een verlof voor gezondheidsredenen van enkele weken toe te staan en hem toe te laten na zijn genezing zijn ambt in zelfde dienst te mogen nemen.’” Heel zeker werd die brief opgesteld door haar broer- burgemeester die de zaak van dichtbij gevolgd had. Er was een collocatie mee verbonden.

Ook in de Kliniek van de Zwarte Zusters werd niet gedraald. Ingenieur Jos. Burgraeve leverde voor Dokter Sierens een attest - over te maken aan dokter Ronse - betreffende de radiografie. Hierbij verklaarde hij dat “il a inconstaté (sic) à la date de ce jour que l’installation de diagnostic se trouvant à la clinique ait (sic) en bon ordre de marche” - terloops kan men aan het schrijven bemerken dat het ingenieursdiploma nog niet beschermd was.
Op 9 december tekende Mevrouw Ronse voor de overname van het instrumentarium 43.450 fr. "Les propriétaires de l’installation de la Clinique Chirurgicale des Soeurs Noires" waren nu de zusters zelf.

7. EEN PLAATS IS OPEN !

Op de vergadering van 30 november moesten maatregelen getroffen worden. Men was het ermee eens om bij genezing de geneesheer terug in dienst te nemen “indachtig de vele diensten die de Heer Ronse aan de behoeftigen en aan het Hospitaal bewezen heeft ./. De geneeskundige dienst zal voor de gewone gevallen verzekerd worden door de Heren Dochy vader en zoon”.
Voor de ernstige gevallen werd gedacht aan Dokter Govaerts die reeds op vraag van Dokter Ronse in het Gasthuis tbc-patiënten opereerde. Daar hij op dit ogenblik in het Hospitaal aanwezig was werd de vergadering gedurende een half uur geschorst. De voorzitter en Raymond Ommeslagh wilden hem vragen als vervanger. Dokter Govaerts vroeg hierop twee dagen bedenktijd. Daarop besliste het Bestuur bij weigering dringend bijeen te komen.
Wel werd tijdens deze spannende vergadering de grote beslissing genomen “dat de toekomende heelmeester van het O.L.V.-Hospitaal in geen andere kliniek zijn ambt zou mogen uitoefenen”. Dokter Ronse verloor nu definitief zijn post bij de Zwarte Zusters. Een jongere generatie zou die plaats innemen. Wel zou Dokter Ronse hier mogen opereren zoals alle andere chirurgen, mits betaling.

Een week later kwam er een nieuwe vraag van Dr. Lantsoght. Op de volgende vergadering van 7 december 1937 “geeft de Heer Voorzitter kennis van een brief van Dokter Lantsoght die zijne diensten aanbiedt aan het Bestuur om den geneeskundige dienst in het Hospitaal van Heer Dokter Ronse te verzekeren. De Commissie beslist de Heer Landtsoght te bedanken.” Geen betoog! Ook Dokter Verbeke, internist bij de Zwarte Zusters, stelde zijn kandidatuur voor de radiologie. Hierop werd ook niet ingegaan. Deze functie hoorde toe aan de toekomstige chirurg.
Dokter Decock, 'medewerker' van Dokter Govaerts, had laten weten dat deze het interim niet wenste. Daarop werd besloten te schrijven naar de Universitaire Gasthuizen te Gent, Brussel en Leuven.
Op aanvraag van enkele leden werd opnieuw gedebatteerd over “de vrijheid van geneesheer voor betalende patiënten”. Er werd besloten dat dit moest gehandhaafd worden.

Op de volgende vergadering van 14 december kon de Voorzitter melden dat hij contact had gehad met “den Heer Dokter Willem Dubrulle, heelkundige te Boom die als jonge heelkundige werd aanbevolen door de Heer Dokter Professor Debaisieux”.
Daarop werden de voorwaarden van het in dienst treden bepaald:

  1. Dokter Ronse behield zijn directeursfunctie.
  2. De behoeftigen moesten kosteloos geopereerd en verzorgd worden.
  3. Als compensatie mocht de chirurg gratis gebruik maken van 'operatiezaal, apparaten en instrumenten'. Hierin zou de Commissie echter tekortschieten. Op 25 april 1939 was er immers “een bezwaarschrift van Dokter Dubrulle tegen het invoeren van een taxe voor het gebruik van de operatiekamer” voor de betalende patiënten. Deze zou dan voor hem afgeschaft worden maar niet voor de 'vreemde dokters'.
  4. Verbod “een akkoord te sluiten met een private kliniek”. Wel mocht de chirurg “bij uitzondering en bij gelegenheid zieken in een andere kliniek opereren wanneer hij daartoe uitdrukkelijk werd gevraagd."
  5. Tijdens de afwezigheid van Dokter Ronse zou de directeursfunctie waargenomen worden door de vervanger.
    Daarbij werd er van beide kanten een vooropzeg geëist van vijf jaar. Dit was dus geen tijdelijke maar wel een definitieve benoeming. Er werd immers niet meer gesproken over 'de dienst voorlopig te verzekeren'. Stilzwijgend werd er iets belangrijks ingevoerd. Dokter Dubrulle zou kunnen aanblijven na de terugkomst van de Geneesheer Directeur. Er zouden dus twee chirurgen in het Gasthuis werkzaam zijn.

Op de volgende vergadering van 21 december gebeurde de officiële benoeming “van een bijgevoegde heelmeester en geneesheer aan het O.L.Vrouw- Hospitaal met opdracht de functie van Bestuurder aan te nemen tijdens de afwezigheid van Dokter Ronse”. Dokter Willem Dubrulle werd daarop door het Bestuur ontvangen en mocht luisteren naar een belangrijke rede van Voorzitter Bouquet nopens Dokter Ronse. Een panegyriek als bij een graf?
De Commissie kon eindelijk verademen. Het was echt een vervelende zaak.

8. DOKTER DUBRULLE

Dokter Willem Dubrulle zou pas na één jaar, op 13 december 1938, een vast onderkomen vinden in het Gasthuis aan 20 fr. daags, te betalen aan de Commissie. Hij was immers jonggezel en vond dit gerieflijker. Later zou hij een villa bouwen in de nabijheid van het Hospitaal aan de Wieltjesgracht. Hij zou er wonen met zijn ouders en zijn zieke zuster.

Dr. Dubrulle bleef gans zijn leven vrijgezel. Hij bracht meestal de dag door in het hospitaal. ‘s Namiddags deed hij hier zelfs zijn middagdutje. Hij trok daarop naar ‘Café de la Lune’ op de Grote Markt, het stamcafé van de geneesheren. Hier legde hij kaart of speelde schaak met collega Deroo, de hoofdgeneesheer van de psychiatrische inrichting. Geen whisky, geen pint, enkel een watertje.
Voor urgenties was hij steeds gemakkelijk te vinden. Wanneer hij niet in het hospitaal aanwezig was mocht men steeds bellen naar zijn stamcafé.
Nooit is hij begonnen aan een privé consultatie. Het consult in het gasthuis was hem voldoende. Uiteindelijk had hij geen al te grote ambitie. Hij was daarbij zelfs ietsje te nederig. Nooit pakte hij uit met een moeilijke maar geslaagde ingreep.
Hij interesseerde zich niet aan orthopedie. Abdominale chirurgie lag hem wel maar zijn grootste interesse ging naar longziekten. Hij zou met brio alle thoracoplastie-operaties verrichten. Naar longkwab-resectie, die deze zou vervangen, zou hij echter niet meer overschakelen.

Collega Dubrulle was een zachte, fijngevoelige man. Voor de bezoekers op zijn bureel had hij zelfs steeds suikerballetjes bij.
Geparachuteerd in de Westhoek, waar eenieder steevast ‘Iepers' spreekt, zou hij zich aanpassen maar steeds een gemoedelijk Leuvens accentje behouden. Ronse sprak geen gewesttaal, zelfs geen ‘Gents’. Hij behield ook een groter afstand tegenover zijn cliënteel.
Onze nieuwkomer was uiterst rechtlijnig, eerlijk. Wanneer een huisdokter iemand stuurde met een verkeerdelijk gestelde appendicitisdiagnose, zou hij deze gemakkelijke operatie toch niet verrichten. Dit werd elders dikwijls gedaan om de huisdokter bij zijn cliënt niet in het gedrang te brengen.
Opgedrongen aan Ronse heeft hij steeds de anciënniteit van zijn collega erkend.
Kon je een betere medewerker hebben? Ronse heeft in den beginne waarschijnlijk wel nors gereageerd tegen deze 'definitieve' vervanger. De innemendheid van Dubrulle zou het uiteindelijk halen. Zij zouden steeds beleefd, ietsje terughoudend maar toch zeer collegiaal met elkaar omgaan.

9. PSYCHOSE

Voorzitter Bouquet heeft op de vergadering van 21 december 1937 een mooie afscheidsrede gehouden. Hij kende de details van de ziekte van de dokter. Het was ernstig! Komt Ronse nog terug?

Alles was reeds op het einde van de maand november begonnen. Ontreddering kan depressie veroorzaken maar ook manische opgewondenheid. Wat te doen wanneer de chirurg vooraleer in te grijpen op de knieën zakt en bid voor het welslagen van de ingreep? Wat te denken als bij de ingreep, haastig aangevat, de asepsis niet meer verzekerd wordt en de gebruikte instrumenten op de grond gegooid worden?

Dit is geen neurotische inzinking. Die kom je ook gemakkelijk te boven. Een psychotische depressie is ernstiger. Die berust op een chemisch proces in de hersenen. Zij ontneemt de vrije keuze van reageren.

In die tijd had men geen invloed op die ziekte. Electrochoc kwam er in 1940 en antidepressiva pas in 1957. Het enige wat men kon doen was wachten tot de crisis over was. Die duurde steeds wel een paar maand. Een collocatieattest voor geestesziekte werd op 29 november opgesteld en pas op 1 december gebeurde een verplichte opname in het 'Strop' te Gent.

Begin 1841 had een Brit het Instituut bezocht: “a model of its kind - enig in zijn soort - set in picturesque surroundings, the aspect is rural, the placid waters of the Scheldt flow close by . . the layout is ideal; buildings spacious and adequate” - een landelijke omgeving, mooie gebouwen. Een idyllische beschrijving: kan het beter?

Na één week werd de collocatie ongedaan gemaakt. Louis werd vervolgens opgenomen in een van de toen uiterst zeldzame ‘vrije’ psychiatrische klinieken in St.-Denijs-Westrem. Dokter Michel Devos was onder andere hier geneesheer. Daarna moest wekenlang gewacht worden op beterschap. Ontslag kon pas op 20 maart 1938.

De kinderen gingen er op bezoek. Een grote tuin, mistig herfstweer; een gietijzeren brug vol gaatjes boven een plas - was het niet gevaarlijk? Kon je erdoor zakken? - Een klein kapelletje waarachter tussen de rottende bladeren een mannenvest lag - werd hier een moord gepleegd?

Binnen in het kasteel was er een mooie gebeeldhouwde trap met figuren in snijwerk op de leuning. Het waren donkere, glinsterende vogels en honden. Bij het aaien voelden ze glad aan, zeker niet gevaarlijk. Boven op de overloop was een hel verlichte, kleine neogotische kapel. Hier moest je op de fluwelen kussenstoelen een weesgegroetje bidden voor de genezing van vader.

Voor Louis was het natuurlijk anders. Psychose is steeds triest, is steeds een hel. Hij heeft zijn herinneringen neergeschreven. Vuur en vlam!

10. NIET MEER ALLEEN

Louis viel ziek op 29 november 1937. Op 1 december werd hij opgenomen.

Zoals gewoonlijk heeft Zuster Madeleine in die periode steeds op het consultatie- en operatieboek de interventies genoteerd bij patiënten die een anesthesie ondergingen.
Van 1 januari tot 30 november 1937 beliep het maandelijks gemiddelde van de consultaties met anesthesie tussen 15 en 37 gevallen. Op 27 november zag Louis nog twee cliënten op de consultatie. Dezelfde dag verrichtte hij ook een appendisectomie bij een gehospitaliseerde patiënt. Op 28 sneed hij een anthraxzweer uit en de volgende dag trok hij een wijsheidstand. Al personen die niet gehospitaliseerd werden. Van 1 tot 7 december niets meer op de consultatie. Hij heeft dus wel tot de laatste minuut gewerkt.
Is er daarop een ander chirurg ingesprongen? Was het Dokter Govaerts? Reeds op 30 november gebeurden vrij belangrijke chirurgische interventies: een thoracoplastie - het wegsnijden van ribben om een tbc-holte te dichten - verder het wegnemen van een borstkanker, ook van een uteruskanker en van een gynaecologische cyste. Ook werd er begin december nog geopereerd. Op 2 december een hernia, op 4 december een appendisectomie. Twee phlegmonen werden ingesneden op 10 december en de volgende dag geschiedde weer een appendisectomie en een wegname van een borstkanker. Op 8 december werden ook drie kleine ingrepen met anesthesie verricht bij patiënten die niet gehospitaliseerd werden.
Dokter Dubrulle heeft contact gehad met de heer Boucquet vóór 14 december. We mogen aannemen dat de nieuwe chirurg vanaf die dag al werkzaam was. Op 14 december werd een maxillair abces op de consultatie behandeld. Tot aan het einde van het jaar consulteerden hier nog zes patiënten.
Zwaardere operaties bij cliënten die opgenomen werden, gebeurden op 16 december. Op het programma stond dan het wegnemen van een maagzweer, de punctie van een etterige pleuritis en het behandelen van een chronische ribontsteking. Daarop werden nog 13 interventies verricht tot nieuwjaar 1938.
Vanaf nieuwjaar behaalde Dubrulle het quotum van Louis Ronse. In januari waren er 74 ingrepen. Hieronder was er nog een laattijdig slachtoffer van een granaatontploffing. Hiermee was hij nu helemaal te Ieper ingeburgerd. Daarop waren er nog 75 chirurgische gevallen in februari en de volgende maanden bleef het gemiddelde behouden.
In januari 1938 werden er op de consultatie slechts 4 gevallen patiënten behandeld die 's avonds naar huis gestuurd werden. Vanaf februari deed Dubrulle het echter beter: 16 behandelde patiënten konden dan 's avonds terug naar huis. In de maanden daarop waren het er gemiddeld 20 à 30, in de zomer zelfs een 40-tal per maand. Vanaf oktober verminderde de cijfers van Dubrulle weer, tot 17 in december 1938.

Ondertussen was Louis al sinds 1 april 1938 terug. Hij begon enkel met gehospitaliseerde patiënten. Eerst verrichtte hij een ingrijpend onderzoek. Bij een ventriculografie spuit men lucht in de hersenholten. Zo kan met RX foto's een tumor of abces opgespoord worden. Dit is zwaar geschut. Een zelfde onderzoek had hij reeds het jaar voordien uitgevoerd en hij zou het later nog verrichten. Na vier dagen deed Louis een schedelboring om de pijnlijke overdruk in de hersenholten uit te schakelen.
Op die dag behandelde hij ook een etterfistel van een rib. Op 9 april verrichtte hij nog een appendisectomie. Enkele dagen nadien op 16 april, behandelde hij klieren in de liesstreek en twee dagen later was er weer een appendisectomie. De rest van de maand had hij nog 5 gevallen. Dit maakte in april 11 ingrepen tegenover 72 door Dubrulle. In mei 1938 zou Ronse er 14 uitvoeren tegenover Dubrulle 58, en in juni 16 tegen 43 voor de nieuwkomer.

Slechts zeer geleidelijk zou Louis zijn score verbeteren maar de vroegere cijfers zou hij nooit meer halen. Er moet ook rekening mee gehouden worden met het feit dat Dubrulle alle spoedgevallen op zich nam, wat zijn aantal cliënten natuurlijk verbeterde.

Op 28 mei 1938 vinden wij Louis ook terug op de consultatie. Hier behandelde hij een elleboogfractuur. Daarop moest hij wachten tot 7 juni, om een banale in het vlees gegroeide nagel van de duim te verwijderen. Op 23 augustus trok hij een wijsheidstand en verrichtte een cystoscopie en op 16 september een rectoscopie maar dan was het uit met de consultaties voor de rest van het jaar.

Hij kon zijn praktijk in het Hospitaal verder uitoefenen maar... hij was niet meer alleen en Dubrulle kon meer binnenhalen.

30

Moeder Ronse met haar kroost aan zee te Oostduinkerke, in de zomer van 1934, met (v.l.n.r.) haar dochters Marie-Anne en Cecile en haar zonen Antoon, Edouard, Hubert en Leon.

Hoofdstuk 19

REÏNTEGRATIE

1. EEN NOODZAKELIJKE AANPASSING

Bij zijn terugkeer moest de dokter opnieuw zijn cliënteel opbouwen maar hij werd thuis nog geconfronteerd met alle problemen die zijn ziekte verwekt had.
Op zolder lag nu zwaar geneeskundig materiaal. Lantsoght was er niet in geïnteresseerd en de eerlijke zusters hadden het teruggebracht. Het zou voor de rest van de jaren hier blijven liggen.

In het Hospitaal was er de 'vervanger'. Hij was wel vriendelijk maar hij had een contract voor vijf jaar. Het feit dat de 'Commissie' Louis nu benoemd had tot geneesheer-directeur was voor hem maar een magere troost.

Op 26 juli 1938 ontving het Bestuur van de 'Commissie' beide geneesheren van het Hospitaal. De erelonen voor de behandeling van mutualiteitpatiënten moesten geregeld worden. Er mocht hierin geen verschil zijn tussen beide geneesheren. Daarom werd hen gevraagd een barema en algemene regeling op te stellen.
Dit werd door de Commissie op de vergadering van 19 september besproken. Alle mutualiteiten hadden ondertussen de voorgestelde terugbetaling goedgekeurd. De Bond Moyson aanvaardde het enkel voor dringende gevallen en voor de Ieperlingen. Patiënten van de ‘buitenparochies’ moesten opgenomen worden in de eigen klinieken van deze mutualiteit. De Bond Moyson huldigde in feite hetzelfde systeem als de COO. Hij ook wilde de goedkoopste oplossing.

Er zouden nog palavers gevoerd worden rond erelonen. Bij de vergadering van 14 maart 1939 kwamen Du Brulle, Dochy en Billiau met “bezwaren tegen de invoering van het betalingstarief voor gebruik van de operatiezaal door betalende patiënten”
Daarna was op 4 april 1939 het ‘Iepers Geneeskundig Syndicaat’ te gast bij de COO “betreffend voorwaarden van opname van mutualisten”.

De kous was hiermee niet af. Op 25 april 1939 werd in de Commissie een bezwaarschrift van het Syndicaat besproken. Opnieuw werd eraan herinnerd dat zowel betalende als niet behoeftige 'mutualisten' recht hadden op vrije dokterskeuze. Het syndicaat wilde ook dat de operatietarieven zouden besproken worden met de geneesheren. De geneesheren beaamden de vrijheid van keuze maar inden hun ereloon rechtstreeks. Betreffende deze tarieven antwoordde de COO hiermee geen uitstaans te hebben.

Louis Ronse scheen zijn ontgoocheling enigszins verwerkt te hebben of was het niet eerder overcompensatie? Een melancholie wordt dikwijls gevolgd door een periode van uitgelatenheid. Op 22 november 1938 zat hij immers met nieuwe plannen. Waarom niet een school openen voor Bijzonder Laag Onderwijs?

“Het Bestuur ontvangt Dokter Ronse, bestuurder van het Gasthuis die in een belangwekkend verslag de oprichting te Ieper van een school voor abnormale kinders, jongens, bepleit en de tusschenkomst van het Bestuur inroept voor deze onderneming". Een plan wel ietsje buiten zijn domein maar toch niet slecht! Het Bestuur “zou het belangwekkend verslag onderzoeken” en er zou niet meer over gesproken worden. Het kwam immers een kwart eeuw te vroeg.
Op 6 augustus 1939 kreeg Ronse toelating om een “extensieapparaat voor schouderbreuken” te laten vervaardigen bij Depuydt.
Bij Depuydt mocht hij op 26 september 1939 ook een bestelling doen van “een toestel dat de radiografie maakt in sneden”. Hij was nu weer mee met de vooruitgang der geneeskunde. Het was het serigrafisch RX apparaat voor visualisering der slagaders. Weer hypergespecialiseerde neurologie zoals de lucht-ventriculografie.
Op 27 januari 1940 diende Dr. Ronse ook een verslag in “over het nut en de wenschelijkheid van het inrichten van een afzonderlijk paviljoen voor teringlijders in het lazareth”. Hier werden immers nog steeds acute infectieziekten opgenomen wat toch verwikkelingen kon opleveren. Hiermee verrichtte hij zijn taak als geneesheer-directeur.

Louis heeft in 1939 met een ongekende ijver wetenschappelijke werken gepubliceerd. Drie artikels verschenen op zijn naam.
Een eerste was de herwerking van een belangrijke studie die hij gemaakt had met Dr. Soeur van Charleroi. Nu publiceerde Louis Ronse het werk, op zijn naam alleen, in een tijdschrift voor omnipractici (1). Bepaalde oorzaken en vooral een zestal behandelingsmethodes - waren ze verouderd? - werden weggelaten. Ook werden ziekterapporten noch bibliografie weergegeven. We mogen veronderstellen dat Dr. Soeur vooral het theoretische gedeelte geleverd had en Louis de gevallenbespreking.
De twee volgende artikels waren eenvoudiger. Een eerste betrof het wegnemen van de thymus als behandeling voor een ziekte met chronische spiervermoeiing. Het artikel werd gepubliceerd in de 'Journal de Chirurgie' alsook in 'Le Scalpel’ (2). Een tweede beschreef de identiteit van een lokaal gezwel vergeleken met de multipele lokalisaties die normaal bij deze ziekte voorkomen. Beide zelfde tijdschriften publiceerden dit (3).
Gedurende de 'drôle de guerre' vanaf 3 september 1939, zal Ronse wel meer bezorgd geweest zijn met de heropbouw van zijn carrière dan met de internationale toestand. Hoe heeft hij zich op professioneel plan verdedigd? De behandelde anesthesiegevallen die niet gehospitaliseerd werden geven ons een idee over de toestand in 1939-1940.
In 1939 werden op de 'consultatie' 229 interventies verricht bij patiënten die reeds 's avonds naar huis gestuurd werden. Hiertussen vinden wij geen cliënten van Ronse.
In januari 1940 waren er 16 consultaties voor Du Brulle en 8 voor Ronse. Februari gaf 25 consultaties waarvan 8 voor Ronse. In maart waren er 22 consultaties, waarvan 7 voor Ronse. In april 1940 keerde het tij. Ronse had 10 patiënten en Du Brulle 9.

31

Dr. Willem Du Brulle

3 mei 1940 geeft ons één geval van amygdalectomie en op 4 mei was er een cystoscopie en het verwijderen van een naald in de dij. Op 6 mei was er een wijsheidstand en een amygdalectomie, op 7 mei een pleurale punctie. Twee dagen na de oorlogsverklaring van 10 mei verzorgde men een diepe vingerwonde, op 14 mei was het een ingeklemde teennagel, om te eindigen op 15 mei met een abcesincisie. Dit waren 9 consultanten voor de maand mei waarvan 3 voor Louis.
Het Gasthuis werd daarop overstelpt met vluchtelingen; nadien waren het gewonden. Op 23 mei werd de stad bestookt, op 29 mei werd ze door de Duitsers ingenomen. Gedurende deze periode werd natuurlijk niets meer genoteerd.

Op 24 juni was Du Brulle terug op de consultatie. Hij verwijderde een kanker van een oorlel, sneed twee abcessen in en ook een coebumklierkyste. In juli waren er 14 gevallen, alle voor Du Brulle.
In augustus 1940 verscheen Lantsoght op de consultatie. De Kliniek der Zwarte Zusters was immers bezet door de Duitsers. Vanaf die datum heeft Zuster Madeleine geen onderscheid meer gemaakt tussen de patiënten van Ronse en Du Brulle. Enkel de gevallen gezien door Lantsoght werden afzonderlijk opgetekend.

Zoals gezegd veranderde de populatie van de consultatie ook. Vooral cystoscopies en adenoïdenablaties stonden op het menu. Ook Dr. Cousin begon in 1941 hier te werken. Van af 1942 werden zelfs geen cystoscopies meer verricht. Het was al amygdalectomie wat de klok sloeg.

  1. L.Ronse: Pathogénie et Traitement du Genou en flexion. Le Scalpel. 1939, 92, p. 300-314.
  2. L.Ronse: Thymectomie pour Myopathie juvenile. o.c.
  3. L.Ronse:: Deux cas de Myelome. Journal de Chirurgie et Annales de la Société Belge de Chirurgie. 1939, 39, p. 186-189 - Le Scalpel. 1939, 92, p. 1671-1678.

2. WERKEN MET ZIJN TWEETJES, EEN MOEILIJKE OPGAVE

Reeds in 1939 moest in het hospitaal echter een taakafbakening geschieden met de nieuwe chirurg. Het zou wel wat duren eer alles vlot verliep. Het COO-bestuur kreeg hiermee wat werk bij. Op 17 januari 1939 ontving het Louis Ronse “die de aandacht van het Bestuur vestigt op het feit dat de bevoegdheid van de dokter in het Hospitaal niet meer geregeld is, hetgeen aanleiding geeft tot moeilijkheden onder het geneeskundig personeel”. Op 21 maart 1939 werd opgemerkt dat “met betrek tot de opname in het Gasthuis de bepalingen van het reglement niet streng worden toegepast hetgeen aanleiding geeft tot misverstand en onregelmatigheden”. Zuster overste werd per brief aangemaand hierover te waken. Maar het ongenoegen bleef duren. Op 5 september 1939 kreeg de COO een brief van Louis Ronse nopens de bevoegdheden van de geneesheren. Advokaat Delobel, lid van de Commissie, had hierover tegen 3 oktober een voorstel klaar. “De geneesheer-bestuurder heeft het algemeen toezicht op medicaal gebied (toestellen, algemeene verplegingsdienst, hygiëne enz). Hij heeft geen toezicht noch over de apotheek noch over de andere geneesheren, gezien deze op hun persoonlijke verantwoordelijkheid de zieken verzorgen.

De bestuurder stelt de bestellingen voor aan de Commissie die dan beslist. Wanneer hij er toe verzocht wordt of ambtswege indien hij het nuttig of noodig oordeelt, geeft de bestuurder advies op medicaal gebied aan de Commissie. De Commissie kan nochtans hetzij door tussenkomst van den Bestuurder hetzij rechtstreeks, het advies inwinnen van een of ander geneesheer gehecht aan het O.L.V.- Hospitaal”.

Alles was duidelijk maar Ronse liet zich niet doen. De Commissie ontving een schrijven betreffende het onderling verdelen van patiënten, vooral bij urgente opname. Het antwoord van 14 november 1939:

  1. “De Commissie is van oordeel dat er geen reden toe bestaat om de vrije keuze van dokter tussen de heelkundigen van het Gasthuis aan de behoeftigen te ontnemen, dat het integendeel lofwaardig moet geacht worden indien de Openbare Onderstand de beperkte vrije keus aan haar behoeftige patiënten kan toestaan.
  2. Zij zal er anderzijds over waken dat deze vrije keus door gansch het personeel loyaal geëerbiedigd wordt.
  3. De radiologie moet in principe door een dokter van het Gasthuis gedaan worden. De dokter mag echter op eigen persoonlijke verantwoordelijkheid dit werk door een ziekenzuster laten verrichten.”

Opdat men collega Du Brulle bij acute opnames niet zou bevoordelen werd hem geschreven dat hij eind november zijn nieuwgebouwde woonst moest betrekken. Op 21 november 1939 werd een tweede brief gericht aan Ronse en Du Brulle “opdat zij onder mekaar de dienst in het Gasthuis zouden regelen voor de hoogdringende gevallen”. Ook werd zuster overste eraan herinnerd ”dat door het personeel een stricte onpartijdheid moet in acht genomen worden tegenover de heren dokters ./ . De keuze van de dokter mag uitsluitend gedaan worden door de patiënt en in geval deze daartoe onbekwaam is, door een familielid of de behandelende dokter die de zieke vergezelt”.

Ronse wilde nu ook andere zaken regelen. Op 26 april 1936 had hij “een rooster van Lyskolum” gekocht - een instrument dat mooiere RX-opnames toeliet. Dit werd hem op 19 maart 1940 terugbetaald en meteen wilde hij een regeling nopens het ereloon in de radiografie. Voortaan zou men “geen splitsing meer doen van het eereloon”. De kosten van de films moesten echter terugbetaald worden.
Om dit laatste nader te bepalen werden Ronse en Du Brulle met hun tweetjes door de Commissie op 9 april 1940 ontvangen. Zij werden verzocht tegen 19 april 1940 voorstellen te doen. Op deze datum waren ze echter niet klaar. Zij moesten inlichtingen nemen bij 'l’Union des Médecins Belges Radiologistes et Electrologistes'. Pas op 3 mei kreeg de Commissie de lijst van de ereloontarieven bij radiografisch onderzoek. Zij vonden ze echter overdreven hoog. Hiervoor zouden ze Dokter Ronse en Du Brulle samen uitnodigen... maar binnen zeven dagen was het oorlog. Hitler zou er op bezoek zijn.

Ondertussen kwamen er nog andere niet opgeloste spanningen aan bod. Dokter Du Brulle had op 19 april 1940 voor hem alleen rendez-vous genomen bij de Commissie. De collega “die de wensch uitdrukt dat de inwendige dienstregeling ./ . niet gedurig zou gewijzigd worden” heeft het uiteindelijk wat op de zenuwen gekregen.

De Commissie beloofde dit probleem te onderzoeken en er werd niet getalmd. De overste werd aanstonds naar de vergaderzaal in de ‘Belle’ ontboden. Zij werd ondervraagd nopens de regeling van de inwendige dienst “alsmede met betrek op de verhoudingen der Heeren Dokters onderling”. Apotheker Donck werd ook gepolst en de Commissie vond dat “de wenschen van Dokter Du Brulle redelijk en gegrond waren”.
De 'Hospice-heren' zouden Dr. Ronse een vermaning geven. Stante pede werd de brief opgesteld:

  1. “overwegende dat bij de laatste aanvulling van het reglement de bevoegdheden van de Heer Dokter Ronse Bestuurder nader werden bepaald;
  2. overwegende dat de Bestuurder volgens acten van onderhavig reglement geen toezicht heeft over de apotheek noch over de andere geneesheren;
  3. gezien het blijkt uit de voorgebrachte verslagen dat de Heer Bestuurder op beide gebieden zijne bevoegdheid is te buiten gegaan en dit aanleiding geeft tot wrijvingen onder het hooger personeel van het Gasthuis hetgeen de goede verstandhouding onder hen bemoeilijkt; besluit : aan de Heer Bestuurder Ronse zal hooger genoemd artikel van het reglement in herinnering gebracht worden”.

Deze bekeuring overbrengen was wel wat moeilijk.De Commissie talmde verscheidene weken en verstuurde die pas op 13 mei 1940. Nu de oorlog uitgebroken was wilde zij waarschijnlijk meteeen alle hangende zaken afhandelen.

De brief was voor Louis natuurlijk moeilijk te verteren maar hij mocht hem gerust aan kant leggen. Er waren grotere evenementen op komst en de materie werd wel secundair. Daarbij zou er geen tijd meer zijn om veel om te zien naar vrije dokterskeuze.
Beide chirurgen zouden in het bomvolle Hospitaal van ‘s morgens tot ‘s avonds zonder ophouden samen moeten wroeten. Dit zou hen zeker naderbij brengen en hen ook helpen hun moeilijkheden te relativeren.
In de Kliniek van de Zwarte Zusters zou Ronse voorlopig niet opereren. Deze werd gedurende de oorlog door de bezetter opgeëist. Na de oorlog kon hij er opnieuw werken. Toch wel vernederend: nu moest betaald moeten worden voor het gebruik van de operatiezaal. In 1945 moest hij voor zes maand hiervoor 1200 fr. betalen met een supplement van 75 fr. “voor het zetten - herslijpen - van bistouris”.

3. OORLOG

Louis Ronse ondervond tal van moeilijkheden bij het hervatten van zijn werk. Psychisch moest hij enorm veel verwerken. De oorlogsmaanden zouden hem hierin helpen.
Het chirurgisch materiaal uit de Kliniek van de Zwarte Zusters op zijn zolder was wel irriterend! Nu zou er echter Brits gezondheidsmateriaal aan toegevoegd worden. In juni 1940 ontdekte Louis langs de kanten van Kemmel een volledig uitgeruste Britse chirurgiewagen. Alles wat hij kon meenemen was verloren voor de bezetter. Hij trok er met zijn taxichauffeur naar toe. Al het grote materiaal - een in een doos opklapbare operatietafel, een wonder van techniek - ging ook de zolder op. De taxi was bomvol geladen, ook met medicijn. De kinderen zouden de ganse oorlogstijd en zelfs nog later, Britse aspirinetabletten kunnen slikken.

Dit alles was zeer secundair maar hierdoor hielp de oorlog wat om de frustraties te relativeren. Dat de vermaning van de Commissie opzij mocht gelegd worden, was wel een groter hulp. Daarop kwam dan nog, samen met Dubrulle, de hulp aan de oorlogsslachtoffers. Dit bracht beiden naderbij.

Tijdens de bezetting moest Dr. Lantsoght echter ook in het Hospitaal werken. Hij was eerder Duitsgezind. Geallieerde vliegeniers hier in het geheim opnemen was voor Louis alsof hij de naïeve collega persoonlijk beetnam. Hij zou ook de bezetter bedriegen met tal van valse medische attesten. Na de bevrijding zou hij gevierd worden door zijn dankbare medeburgers.
Het beleven van de oorlog werd voor Louis Ronse buitengewoon boeiender dan het bekrompen ellebooggevecht met collega's. Een nieuwe opstandigheid, ditmaal tegen echte tirannie, was gezonder. Hij werd hiervoor beloond met de waardering van allen. Het zou hem een gelukkige tweede levensfase toelaten.

Hoofdstuk 20

DE OORLOG IS ER NET OP TIJD

1. VRIJDAG 10 MEI 1940

De geallieerde oorlogsverklaring van 3 september 1939 bracht niet veel verandering teweeg. Op 10 mei werd het ernstig. Die zonnige vrijdag was het voor de kinderen als een korte schoolvakantie. Hun plezier werd echter wat getemperd door de bevangen atmosfeer. Je voelde de latente angst bij je ouders. Oorlogsellende had hen samengebracht, hun burcht was een dijk tegen verandering, de ziekte van vader had hun familieband zelfs verstevigd. Zou alles te herbeginnen zijn?

Vluchten? Na zijn ontgoochelingen in gasthuis en kliniek had Louis Ronse eraan gedacht ergens elders een nieuw leven te beginnen. De universiteitsstad Montpellier boeide hem. Hij kende er waarschijnlijk chirurgen van uit de 'Société Française de Chirurgie'. Was dit nu geen gelegenheid om zich daar te vestigen? Catherine bleef met beide voeten op de grond. De Ieperse bodem was veiliger.
Weldra was iedereen nochtans op de vlucht. Ieper zou overspoeld worden door vluchtelingen te voet, op de fiets, met de wagen. Zekere morgen hadden Louis en Catherine ook hun bagage klaargemaakt. Bij het opstaan vonden de kinderen hun ouders zittend onderaan op de trap, teneergeslagen, ontmoedigd: “Wij blijven”. Uiteindelijk was dit het meest redelijke.
Nochtans namen zij enkele maatregelen voor een eventuele lokale verplaatsing.. Zij kochten... een driewieler bakfiets, blinkend blauw en zwart, echt mooi. Toch zo gek niet. Er was geen wagen thuis en vanaf september maanden alle officiële instanties aan te vluchten bij beschieting.

Evacuatie van de bevolking scheen de enige uitweg. De pers adviseerde: “Vertrek bij de eerste verschijnselen van oorlogsgevaar. Vertrek bij bedreiging uit de lucht naar het platteland bij familie of vrienden, zo niets u in de stad weerhoudt”.

Wij zouden een enkel reisje afleggen tot op de weg naar Diksmuide, 2 km ver, echter wel tijdens de beschieting. Het was een door de Britten verplichte evacuatie. Dit gebeurde onder de leiding van moeder, zonder vader. Beiden hadden in die dagen hun taak verdeeld. Hij was de ganse dag in het Hospitaal, zij was thuis met haar kinderbende.
Men zou dus niet vluchten. Samen met moeder werden de kinderen thuis geconfronteerd met de oorlogsperikelen (1). Er was vooreerst de werfreserve. Alle niet gemobiliseerde mannen tussen 16 en 38 jaar moesten naar Frankrijk om later ingelijfd te kunnen worden. Het huis werd een pleisterplaats van alle neven die met de fiets door Ieper trokken. Ook oudste broer, Léon, vertrok. Hij geraakte niet verder dan Boulogne.

Het Belgisch leger trok achteruit en commandant Lohest uit Luik werd op de Kalfvaart ingekwartierd. Terwijl hij in een ligstoel in de tuin zijn handen en nagels verzorgde, was moeder voor hem bij de telefoon op wacht.
Daarna waren het vluchtelingen. Ganse families bleven thuis logeren. De bejaarde Dokter de Barcy uit Bouillon verbleef hier met gans zijn sliert nakomelingen. Weliswaar enkel de moeders en de kinderen! Alle mannen waren gemobiliseerd. Ook de procureur kwam voorbij, van wie het koffertje met goud in de kelder moest bewaard worden. In de haast van de vlucht vergat hij daarop zijn benzinereservoir te sluiten.

In het Hospitaal waar vader de ganse dag doorbracht, werd men in het begin ook geconfronteerd met het vluchtelingenprobleem. Na de vluchtelingenstoet volgden weldra de talrijke gewonden.
Louis Ronse kwam slechts ‘s avonds laat thuis. Jonggezel Du Brulle betrok in het Gasthuis opnieuw de kamer die de Commissie hem in 1938 verhuurd had. Samen met collega Du Brulle werd het voor mijn vader hard werken. In de maanden mei-juni hebben zij zevenhonderd vijftig burgers en militairen verzorgd (2), hieronder een veertigtal Franse officieren en soldaten (3).

  1. H. Ronse de Craene: Ieper, Mei 1940. JMP-Trends, Middelkerke, 2003.
  2. Privé Archief Caenepeel.
  3. o.a. luitenanten Emile Caudron en A. Gaudin de Villaine (Leger Archief: Centrale Dienst van het Stamboek. Dossier Louis Ronse: OCM - 417 - GR II - lt 264).

2. DE SLAG VAN IEPER: ZATERDAG 25 MEI - WOENSDAG 29 MEI

Sinds maandag 20 mei waren de British Expeditionary Force en het 1e Franse Leger ingesloten. Een laatste conferentie van de geallieerden, de volgende dag op het stadhuis te Ieper, bracht niets op.
Na het verlaten van de vergadering werd generaal Billotte, coördinator van de geallieerde verdediging, het slachtoffer van een verkeersongeval te Loker. Nadat hij in coma was opgenomen in de Kliniek van de Zwarte Zusters, werd Ronse bij hem geroepen. Tevergeefs, de generaal zou volgende dag sterven.

Ronse ontving ‘s avonds twee hogere officieren-geneesheren thuis op diner o.a. generaal geneesheer Senecque. Hij kende ze door zijn lidmaatschap van de 'Société Française de Chirurgie'.

Sprekend aan tafel over het heersende defaitisme van het Franse leger kon één van hen zijn tranen niet bedwingen.
Op vrijdag 24 mei begon de Leieslag. Deze zou duren tot de capitulatie op dinsdag 28 mei. Ieper bevond zich op 24 mei echter in een noman‘s-land.

Vanaf 25 mei stelden de Britten zich op tussen Cassel en Ieper. Langs de corridor tussen deze twee steden zouden hun terugtrekkende troepen Duinkerke kunnen bereiken. Hun oostelijke verdedigingslijn liep vanuit Menen - over Komen - langs de vaart en de spoorweg naar Ieper tot aan het zuiden van de stad.
Op 26 mei zouden de Britten Ieper bezetten, waar geen enkele militair nog overbleef. Zij zouden de verdedigingslijn verstevigen. Die volgde nu de Ieperse vestingen vanaf de zuidwestelijke hoek, dan verder over de Menenpoort tot aan de zwemkom. Hier werd een antitankgracht gedolven. Verder bevonden zich de loopgraven, in de achtertuinen van de Kalfvaart.

32

Het bastion Ieper, op 25 mei 1940. De merktekens aan de oostflank van de stad duiden de Britse verdedigingslinie aan; deze grensde aan de tuin van Dr. Ronse.

Achteraan in de tuin van Ronse werd langs de muur een loopgraaf gedolven. In de muur werden schietgaten gekapt. Van hieruit had men zicht op de onbebouwde landelijke streek tot aan St.-Jan.

De verdedigingslinie liep verder langs de Brugseweg tot aan de Kaai. Hier werden ook loopgraven en zelfs twee bolwerken aangelegd. Eén hiervan werd opgericht halverwege de Brugseweg, de andere in een huis aan de Kaai. Ook had men van hieruit, controle over de nog onbebouwde landbouwstreek van Pilkem.
Aan de Kaai volgde de vuurlijn het vredig landschap langs het kanaal van Ieper naar de IJzer; het ‘front’ liep verder, langs de stroom, tot aan de zee.

Hardnekkige gevechten zouden geleverd worden langs deze verdedigingslijn. Ieper werd hierin vanaf 26 mei een centraal bolwerk. Het huis Ronse lag op de frontlijn.

3. GEVAARLIJKE DAGEN

Op zaterdag 25 mei stond het gezin Ronse - zonder vader - vanaf 's morgens in de branding. In de late voormiddag werden de Kalfvaart, Pennestraat en de Brugseweg door vliegtuigen bestookt. Oorverdovend lawaai van instortende huizen, wiebelen als in een boot, daarop de doodse stilte terwijl hopen stofwolken langs het venster de kelder binnendringen. Enkele stappen verder was het huis van ingenieur Froidure vernield, ook woningen verderop bij de Brugseweg werden zwaar geteisterd. In de Pennestraat waren huizen opengereten, met fladderende gordijnen, de plankenvloer gevaarlijk hellend, bedden en meubilair dreigend er af te glijden. Bij Ronse zelf waren alle dakpannen afgerukt en de ruiten stuk - het zou de enige oorlogsschade worden.
In de namiddag volgde een tweede reeks kanjers, nu in het centrum van de stad. Er vielen hier veel slachtoffers, vooral vluchtelingen.

Op zondag 26 mei kwamen de Britten te Ieper toe. Na weken zonneschijn was de lucht nu overtrokken, met af en toe regen. Opnieuw granaten maar ook reeds obussen. In het Hospitaal, in de Kliniek, in het mobiel Militair Hospitaal nr.17 van de muziekschool, werden nu niet alleen burgers maar ook Britse soldaten opgenomen.

Op maandag 27 mei werd de stad in verdediging gebracht. Daarom werd de bevolking, die langs de verdedigingslinie woonde, geëvacueerd. Iedereen werd uit de kelders gehaald en de straat opgestuurd. Waar naartoe?
De kinderen Ronse volgden met moeder de vluchtelingenstoet. De twee ouderen - oudste broer zat met de 'Werfreserve' in Boulogne (1) - trokken langs de Wieltjesgracht, de jongste volgden moeder langs de Pennestraat. Gelukkig vonden ze elk elkaar terug bij de werkhuizen Picanol. Moeder had op het einde van de Penningstraat haar driewielkar met haar spullen - ook het zilverwerk - in de steek gelaten. Puin van het huis Catry lag midden op straat. Op dit ogenblik vielen granaten; zij ging dan met haar baby op de loop.

De vluchtelingenstoet volgde de Kaai, daarna de Diksmuidseweg en splitste zich in twee groepen, de ene naar Boezinge, de andere naar Elverdinge. Aan Brielenhoekje nam het gezin Ronse de richting Boezinge.
Eén kilometer verder vonden ze echter een toevluchtsoord bij Mevrouw Nuytten. Dit familielid van een zuster van het gasthuis stond de voorbijtrekkende sliert te bekijken en riep moeder binnen. Hier kon logies gevonden worden voor twee dagen, de tijd dat de Duitse vloed hen zou overspoelen.
Oom Maurice Van der Ghote was mee en vond het dwaas de kar in de Pennestraat achtergelaten te hebben. Hij met de fiets er naartoe en 's avonds was alles in veiligheid.
Hij had gelukkig in het huis aan de Kalfvaart een bericht gelaten met het adres Nuytten. Wanneer vader Ronse ‘s avonds laat thuiskwam stak de woning vol Britten. Hij vervoegde zich dan maar bij zijn vrouw. Hierdoor zou hij één dag in het Gasthuis afwezig zijn. Op 28 mei kon hij niet meer terug. Dokter Du Brulle was er dan de enige chirurg.

De Belgen capituleerden op 28 mei maar de Britten hielden stand. De Duitsers stootten door tot tegen het kanaal en de IJzer. Deze vormden de verdedigingslinie van de Britten.
Bij Nuytten was op 27 mei alles nog vredig, maar nu werd het ernstig. In de namiddag werd geschoten en vielen obussen. Gans het gezin schuilde opeengepakt in een keldertje van enkele vierkante meter. Granaten die alles hadden kunnen vernietigen vielen in de tuin op slechts enkele meters afstand.
Hier heb ik aangebrande melk moeten drinken. Afgrijselijk! De dochter Nuytten had een loslopende koe gemolken. De melk werd gekookt in het bijgebouw maar toen bommen vielen moest men schuilen.
Tegen de avond konden de Duitsers het kanaal bij de sluizen te Boezinge oversteken en Lizerne innemen. De Britten trokken daarop haastig weg. Bij Nuytten hoorde men 's nachts tussen het schieten door, het heen en weer geroep van wijkende soldaten. Een slechte nacht! 's Ochtends was alles echter weer vredig en kalm.

Op deze woensdag 29 mei wapperde op het Belfort te Ieper de nazivlag. Chirurg Ronse was reeds in de vroege morgen naar het Hospitaal vertrokken waar hij Du Brulle kon helpen.
Terwijl Steenstraat-Boezinge en Vlamertinge pas om 11 u. zouden vallen, was moeder Ronse, op 10 km daarvandaan, te 9u. reeds op weg naar huis. Langs het kanaal was alles rustig. Vriendelijke Duitsers hielpen haar met de driewielerfiets over een opgeblazen brug. Zij gaven de kinderen snoep. Dit werd wat verder weggegooid. Mogelijk was het giftig!
Alles lag thuis overhoop. In de eetkamer, haastig door een staf verlaten, stonden resten van een maaltijd op tafel. In de keuken lag een berg conserven, uit diverse winkels bijeengebracht - die hebben nadien tijdens de ganse bezetting ons menu verbeterd.
Pas thuis wandelde ongevraagd een Duitser binnen. Er viel hier zeker iets te stelen? Hij ontmoette moeder in het salon. Quid? Staande op een oosters tapijt gaf dit hem inspiratie om zich uit de slag te trekken. "Teppich für dem General!". Hij zal er niet lang mee gesleurd hebben.

In 1944 zou een stadsbeambte de toer maken om de oorlogsschade te evalueren. Zijn beoordeling was nogal subjectief. Het huis Gadeyne evenals het huis Ronse werden aangezien als ‘zwaar beschadigd’. Hij heeft bij zijn statistiek een paar gebeurtenissen genoteerd o. a. wat Karel.Gadeyne hem vertelde “Kalfvaart 4. Gadeyne, zwaar beschadigd. Op zondag morgen 26 mei waren in onze kelder de familie Ryckaert (nr.6), commissaris Maerten (nr.2), mijn moeder en ik. Onze kelder had vensters op straat en in de hof.
Iets over acht uur was ik mij aan het aankleden voor de H. Mis in het hospitaal als een bombardement begint op de stad. Een bom komt op het huis van Catry, Pennestraat, dat volledig vernield werd en waarvan 2/3 op straat lag,
(fout: dit gebeurde op 25 mei). Een kleinere bom komt terecht op de verbindingsbrug halverwege de Wieltjesgracht. Jvr. Soenen op weg naar St.- Jacobskerk wordt gedood voor de Menenpoort (dit gebeurde op 26 mei).
Kort daarop (dit gebeurde op 27 mei) komen de Engelse soldaten en de straat moet ogenblikkelijk ontruimd worden. Wij dachten naar het hospitaal te gaan maar er was verboden Torhoutstraat en Lindendreef te nemen. Dan maar Kalfvaart op dus. Op het kruispunt van Bruggesteenweg en Kalfvaart een put waarin het ganse huis van Dr. Ronse zou verdwijnen. Dit was het huis van W. Sinnaeve.
Dus terug en afslaan Pennestraat die vol hindernissen lag (nr.34 totaal vernield). Terwijl wij de kinderwagen over de puinen Catry slepen - alsook Mevr. Ronse was met haar kinderen bij ons - opnieuw een vliegtuigaanval.
Mevr. Ronse neemt haar intrek Boezingeweg bij de familie Nuyttens en wij zelf (3 families) sukkelen verder met af en toe vliegtuigen die kolonnen mensen aanvallen. De woensdagmorgen trekken wij de weiden van Alveringem in.
Ons eigen huis nr.4 werd opgemaakt tot een versterking boven een abri met grond uit de tuin gemaakt, een afweergeschut om te schieten op de Drie Zottenstraat
- nu Jan Iepermanstraat. Van ons achterdeur was er een loopgracht gedolven langs de scheidingsmuur, dan op het einde naar de opening gekapt in de muur van Dr. Ronse, en hetzelfde naar de achterdeur van Dr. Ronse. Ons huis heeft niet veel geleden.
Het was als een slagveld dat twee dagen werd gebruikt als verdediging. Daar wij slechts op 30 mei donderdag terug waren en alles van voren openstond was alles geplunderd"
.
Elke verwoesting is opgetekend in het rapport. Onze ijverige stadsbediende werd op de Kalfvaart heel zeker in vertrouwen genomen en noteerde alles met uiterste zorg: "nr.2 Maerten, zwaar; nr.6 Ryckaert, kleine bom op dak; nr.8 Nevejans Paul - Sinnaeve, shrapnel door raam van 1e verdiep; geteisterd door een shrapnel. Dit is een langwerpig hol projectiel dat behalve een springlading een aantal kogels bevat die wanneer het in aanraking komt met de grond, seffens ontploffen”. Terloops vernemen wij hoe het met de Menenpoort gesteld is:“deze is nu nog beschadigd van het mitrailleuse geweld”.
Mogen wij de St.Jacobskerk er nog bij nemen? “Het Guido Gezelle plein gebombardeerd door de Duitschers waardoor veel vluchtelingen gedood en gekwetst werden. Hun menschenvlees plakte aan de muren van de kerk en van de huizen. Dit gebeurde in de zomer. Veel vluchtelingen sliepen buiten” (2)
Statistieken in het Ieperse zijn niet saai om lezen. Soms bevatten ze interessante gegevens!

  1. In de 'Werfreserve' (‘Crab’s genoemd, als afkorting van ‘Centres de Recrutement de l’Armée Belge’) wilde men de Belgische jongelingen in Frankrijk groeperen. De regering had verordend dat iedereen individueel naar de kampen in Frankrijk zou trekken. Zo zou men over een ‘werfreserve’ beschikken om later in het leger ingeschakeld te worden. Militairen zijn steeds één oorlog ten achter. Dit ware een goed order geweest in 1914. Het werd in 1940 een grandiose mislukking.
  2. Archief Coombs-Caenepeel: Oorlog 1940 Geteisterde Gebouwen.

Hoofdstuk 21

DE BEZETTING

1. HITLER HEEFT HET VOOR HET ZEGGEN

Mevr.Ronse heeft steeds - ook in september 1940 - een rotsvast geloof vertoond in de overwinning: 'Great Britania rules the waves!' en zoveel mogelijk bleef zij uit de buurt van de Duitsers.
Toen zij vernam dat er officieren zouden ingekwartierd worden, werd de ‘grote wachtzaal’ prompt bemeubeld met de goedkope meubeltjes uit de slaapkamer van de huismeiden. Zo bleven de militairen in het 'kwartier' van de consultaties. De officieren staken hun neus op. Het werd een soldatenlogies, wat zij in feite wou.

Ondertussen zaten wij met het oor tegen de radio te luisteren naar de BBC doorheen de golvende tonen van de radiostoring. Deze stond in de kamer naast de straat. "Verboten!" Niet te luid! Gevaarlijk!
Wanneer de 'Führer' aan het brullen was werd de redevoering door luidsprekers op de straathoeken uitgezonden: "Los, los! heraus! ausroden! ausrangieren!". Ik dacht dat je in het Duits steeds moest schreeuwen en roepen. Wanneer ik echter na de oorlog Goethe, Heine en Schubert leerde kennen was de Duitse romantiek voor mij een revelatie.
Een zware tijd van oppressie! Voor ons herbarium verzamelde ik plantjes tussen de struiken op de vestingen van Ieper. Plots een vlegel met pistool: "Wat doe je hier?". Hij zocht naar een buur, werkweigeraar, die wij kenden. Plantjes verzamelen was voor later.
Britse vliegtuigstrooibiljetten voor propaganda werden vanaf september 1940 angstvallig bewaard. "Verboten!".
Behoort het tot de weerstand wanneer in jouw kelder een varken geslacht wordt? In die omstandigheid gilt het dier vreselijk. Prompt werd dit door buren aan de ‘zwarten’ gesignaleerd. Als straf kregen we geen vleesrantsoeneringbonnetjes meer.
‘Weerstand’ bestond er heel zeker ook in, ‘English Lipton tea’ te slurpen. Dit was voor ‘mother’ bij het vieruurtje, heilig. Het heeft waarschijnlijk stukken van mensen gekost maar het werd voortgezet tot aan de bevrijding. Dit alles behoorde tot de 'weerstand' van Mevrouw Ronse.
De 'weerstand' van Louis Ronse, althans passief, begon ook reeds vanaf de herfst 1940. Onze chirurg was geabonneerd op de ‘American Journal of Surgery’. Hij wilde zich niet laten doen door de ‘moffen’. Het abonnement werd in 1941 voortgezet. Heel zeker een van de ‘rari nantes’ in bezet Europa. Wat een geloop en geschrijf! Voor het principe loonde dit echter de moeite. Ongelukkiglijk lukte dit maar tot aan ‘Pearl Harbour’.

Mag onze stadsbediende van de statistiek hier opnieuw aan het woord? Ook wat Mevr. Ronse hem vertelde schreef hij achteraf op. Het is ook een van de zeldzame verhaaltjes in de statistiek van schade-evaluatie. Hij haspelt nochtans alles door elkaar.
“Kalfvaart 14 bewoond door de familie Ronse. De dokter werkte in het hospitaal en ze hadden thuis Engelsche parachutisten verdoken. Een Duitsch officier kwam de dokter ondervragen in de operatiezaal. Dr. Ronse dacht dat hij verklikt geweest was. Almeteens kwamen Engelse jagers - vliegtuigen - toeren maken boven het hospitaal. De Duitsche officier wierp zich op de grond onder de operatietafel en vluchtte toen weg.
De voordeur en de vensters waren ingesmeten en opeens kwamen twee Duitschers binnen. Zij schrokken dat het huis nog bewoond was. Ze vroegen kamers voor officieren. Omdat de inboedel niet schoon genoeg was voor officieren, logeerden er twee soldaten.
De dokter was gekend in heel West-Vlaanderen voor de valse certifikaten (sic!) die hij maakte, om de menschen te helpen. Het huis werd zwaar beschadigd”
. Tot hier deze schade-evaluatie. Het is nu bewaard voor het nageslacht in zeer officiële dossiers.

2. HET GEHEIM LEGER

In 1943-1944 was Louis Ronse in contact met het Geheim Leger. Tijdens de oorlog organiseerden de Britten de weerstand op alle fronten. Het was hun 'Fourth Army', naast de land-, lucht- en zeemacht. Zij hadden vier actiemogelijkheden voor ogen:

  1. De sluikpers behoorde in Groot-Britannië bij de 'Political Warfare Executive' (PWO). Dit was de propagandadienst waaronder de BBC ressorteerde.
  2. Een tweede Britse dienst, de 'Special Intelligence Service'(SIS) groepeerde de inlichtingdiensten.
  3. Ontsnappingslijnen werden opgericht, vooral langs Frankrijk en Spanje. Deze werden vanuit Londen geholpen door de 'Military Intelligence Nine' (MI9).
  4. De 'Special Operations Executive' (SOE) te Londen trok zich het lot aan van de gewapende weerstand. Dit behelsde vooral de industriële sabotage en de vernieling van verkeerspunten. De 'S.O.E' dropte parachutisten en wapens en leverde geld.

Personen van goede wil hadden in België tal van weerstandsorganisaties opgericht. Dit gebeurde echter vaak spontaan en toevallig.
Voor spionage, normaal afhangend van de 'SIS', waren in België een achttal groeperingen o.a.Clarence en Zero bedrijvig. Alle zouden later gegroepeerd worden in de 'Service de Renseignements et d'Action' (SRA)
Er waren ook drie ontsnappingslijnen, afhangend van de 'MI9'. Je had: 'Comète' te Brussel, waarmee het Iepers verzet in contact was, alsook 'Pat ó Leary' en 'Marathon'.
Er werden daarenboven negen verzetsgroeperingen van gewapende weerstand opgericht. Dit waren o.a. de 'Belgische Nationale Beweging' (BNB), de 'Witte Brigade Fidelio', het 'Onafhankelijkheidsfront' (OF), waaronder de 'Gewapende Partizanen', en andere. Al die verzetsbewegingen werden bij de wet van 13 september 1944 officieel erkend.

Hun werkgebied werd bepaald door het sociaal milieu der leden of door de plaats waarin ze ontstaan waren. Zo was de ondergroep 'Fidelio' vooral aanwezig in de kuststreek. De 'Partizanen' waren eerder links gericht. Deze organisaties waren veelal ongeordend. Soms was er zelfs concurrentie tussen verschillende groepen. Men wilde alles alleen oplossen en de buur werd niet ingelicht. Slechts geleidelijk ontstonden er betere contacten.
De Britse 'Special Operation Executive' (SOE) moest al die gewapende verzetsgroeperingen steunen, inlichtingen verstrekken maar ook wapens en geld leveren. Dit gebeurde te Londen in coöperatie met het Belgisch Ministerie van Landsverdediging. Dit was natuurlijk onmogelijk zonder centralisatie. Daarom richtte ze zich uiteindelijk tot het 'Geheim Leger' dat alle hulpaanvragen moest centraliseren. Deze vereniging zou alle groepen bundelen die nochtans steeds volledig zelfstandig bleven. Zij liet zich niet in met hun organisatie.
Het 'Geheim Leger' was een van de eerste verzetbewegingen die in het land gesticht werden. Het begon al einde 1940 met het ontstaan van twee paramilitaire organisaties, het ‘Heropgericht Belgisch Leger’ (Armée Belge Reconstituée / ABR) en het Belgisch Legioen /(Légion Belge / LB). Deze rekruteerden militairen uit de kaders en de reserve. Het doel was "een macht voor te bereiden die, in de eventualiteit van een terugkeer tot onze onafhankelijkheid, zo nodig ter beschikking zou kunnen gesteld worden van het Land". Dit zou onze Vorst moeten toelaten "in volstrekte orde en niettegenstaande de mogelijke tegenwerking van sommigen, een werk van nationale hernieuwing te ondernemen". Te Ieper kwam het verzet tot stand in 1941; het 'Geheim Leger' zou hier uiteindelijk 400 leden tellen (1).
Die twee paramilitaire organisaties wilden bij overwinning vooral de orde handhaven. Hun werking was eerder administratief. Zij creëerden het toekomstig rollenpatroon van de leden. Er was toen nog geen enkel contact met Londen. Van hieruit werden echter in oktober 1941 parachutisten gedropt om het verzet te stimuleren (2). In het begin gaf dit weinig resultaat. Pas wanneer een Belgische missie Londen bereikte in april 1942, konden afspraken gemaakt worden.
Toen liep het mis. De Belgische Ministers waren bij de besprekingen niet aanwezig. Zij betrouwden het 'Belgisch Legioen' niet: het was te ‘Leopold III-gezind’. Orde handhaven bij de bevrijding was bijkomstig, zelfs gevaarlijk als het uit de hand liep. Men wenste militaire acties. Diensvolgens versmolten beide paramilitaire groepen in bezet België in juli 1941 samen tot één organisatie, onder de gemeenschappelijke naam het 'Belgisch Legioen'; pas begin 1942 werd de naam gewijzigd in 'Leger van België - Armée de Belgique' (AB). Op 1 juni 1944 kreeg de verzetsorganisatie haar definitieve benaming: ‘Geheim Leger’ (GL) of ‘Armée Secrète (A S). In de volksmond zou het verzet veelal als de ‘Witte Brigade’ aangeduid worden, als tegenhanger van de collaborerende ‘Zwarte Brigade’.
Andere factoren hebben de verzetsbeweging echter beïnvloed. Vanaf 6 oktober 1942 werd de verplichte arbeidsdienst in Duitsland ingesteld. Arbeiders doken onder en moesten geholpen worden. Dit betekende verzet. Verschillende verzetsorganisaties sloten ook aan bij het ' Leger van België' wanneer ze bijvoorbeeld zonder leider vielen. De organisatie werd op dit ogenblik door de Geallieerden erkend.
Deze verzetsgroep werd nu gestructureerd. Vanaf juli 1943 omvatte het zowat 50.000 gewapende weerstanders, verdeeld over vijf zones en een mobiele reserve. Elke zone omvatte verschillende sectoren, op hun beurt onderverdeeld in schuiloorden (refuges). Die laatste bevonden zich steeds naast een terrein waar manschappen en materiaal konden gedropt worden.

West-Vlaanderen werd samen met Oost-Vlaanderen Zone III met vijf sectoren en zes schuiloorden. Het schuiloord Ieper telde 80 man en het 'Polygoonbos' te Zonnebeke was de droppingplaats.
Nadat het Belgisch Ministerie in Londen en het 'Special Operations Executive' (SOE) akkoord geraakt waren, werd er eindelijk vanaf oktober 1943 materiële steun verleend. 769 containers werden in het land gedropt. Vanaf maart 1944 werden onder de algemene leiding van luitenant-generaal Pire acties georganiseerd, in samenhang met de geallieerden.

  1. Pylyser J.M. : Kustvolk in de Vuurlijn. Deel 3. De Atlantik Wall p. 157.
  2. 2. Van Poucke Guy: Niet langer Geheim. Verbeke, Gent, 1987.

3. WEERSTANDER ?

Louis Ronse heeft nooit speciaal voor een verzetsbeweging gekozen. Hij zou dan ook toevallig bij de ene of de andere beweging lid worden. Door de interacties tussen de verschillende organisaties behoorde hij bij meer dan één. Uit veiligheid werd er tijdens het verzet nochtans op aangedrongen om maar één activiteit te verrichten. Dit was echter moeilijk.
Dr. Ronse hield zich vooral bezig met een repatriëringketen voor geallieerde vliegeniers (MI9). Hij verzorgde echter ook iemand van de inlichtingendienst (SIS). Hij zou hierdoor later een certificaat bekomen betreffende ‘spionage’, die hij uiteindelijk maar toevallig verricht had. Hij verzorgde ook gewapende weerstanders en maakte ook valse geneeskundige certificaten, om de bezetter te misleiden. Dit was dan een werk van 'industriële sabotage'. Wegens die beide acties behoorde hij dan ook nog tot het gewapend verzet (SOE).
Om wat gegevens te hebben over de weerstand van Louis Ronse heb ik verschillende personen opgezocht. Steeds was er de bewondering “voor alles wat hij verricht had”. Bij navraag werden echter weinig concrete feiten gegeven. Wat opviel was de bewondering en de achting. Vertellen wat verricht werd, was niet nodig.
Achteraf hebben wij de reden hiervan begrepen. Steeds was hij bereid ‘verplicht tewerkgestelden’ te behoeden voor deportatie naar Duitsland. Hij verschafte valse certificaten voor de medische controle van de 'Werbestelle'. Uiteindelijk waren er meer dan tweehonderd 'dankbare' gezinnen (1). De toenmalige onderpastoor van Reninge: “De Heer Dokter Ronse uit Ieper heeft me tot tweemaal toe telefonisch verwittigd dat de Gestapo op komst was om verplicht tewerkgestelde jonge mannen uit Reninge af te halen (2). Dan ben ik met de fiets al die gezinnen gaan verwittigen ./. Tot veertien maal toe ben ik naar Dokter Ronse gegaan - ik moest persoonlijk telkens meegaan met jonge mannen (3) ./ .Van deze veertien is er één enkele naar Duitsland moeten gaan werken terwijl al de anderen afgekeurd werden”.
Louis ging behendig te werk om iemand ‘ziek’ te verklaren. Hij gaf oude RX foto's mee van patiënten die TBC vertoond hadden. Soms leverde hij een certificaat dat hij bij een ingreep zelf een fout begaan had. De onderzochte moest er voor zorgen dat zijn onderbroek wat vuil was. Het werd dan een ‘mislukte ingreep voor hemorroïden’. Maagulcus kon verwekt worden door vlak voor het Röntgen onderzoek een stukje rauw vlees in te slikken.

Dit verwerkte prachtige ‘nissen’. Het grootste succes behaalde hij met het toedienen van Thyroxine, de dag van het onderzoek. Hiervoor was wellicht geen certificaat nodig. Je werd toen wel akelig ziek want dit bezorgde de ‘patiënt’ flinke hartstoornissen.
Uiteindelijk was dit ook een vorm van ‘verzet’. Het was industriële sabotage.
Anderen hadden evenzeer een reden om dankbaar te zijn. Moeder Ronse heeft haar vriendinnen aangespoord om gelden in te zamelen voor steun van ondergedoken werkweigeraars en verzetslieden. Zij verzamelde zo 10.000 fr. Dit lag haar. Na de bevrijding zou zij de steun voor ‘haar’ armen voortzetten in het kader van ‘les Dames de Miséricorde’. Zij hielp ook bij de verspreiding van vlugschriften.

  1. Enkele namen: Adam (twee broers), Bastil Pierre, Bauden Gaston, Baurez Gaston, Bollangier, Caenepeel Oscar, Caulier Emile, Decrock Robert, De Meerseman Emiel, Demey Henri, Depoorter Maurice, Desmadryl Roger, Desramault (Marcel en Albert), Driessens Benjamin, Fiers Léopold, Fowaert Joseph, Gadeyne Karel, Hoeck Frans, Masschelein Gaston, Ollivier Joseph, Ostyn Lucien, Pissonnier Marcel, Rosseel Pieter, Van den Broucke Auguste, Van der Marliere, Vermeulen Jules, Verscheure André, Willemet Gaston. De namen van de veertien ‘protégés’ van de onderpastoor van Reninge hebben wij niet teruggevonden. Bij Boudry-Timperman en Bras mislukte het.
  2. Het is eigenaardig dat Ronse de priester verwittigde. De clerus was immers dikwijls op de hoogte van nakend gevaar. De echtgenote van Depraetere, chef van de 'Werbestelle' te Ieper, verschafte inlichtingen aan haar biechtvader.
  3. Ronse wilde de aanwezigheid van een vertrouwenspersoon om verklikkers uit te sluiten. De ‘Werbestelle’ die uiteindelijk wel erg veel certificaten ontving, stuurde af en toe een aanbrenger (o.a. Jozef Lepla?).

4. DE ECHTE WEERSTAND

De bezetters wisten dat Louis Ronse hen niet genegen was. Samen met zijn schoonbroer burgemeester Jan Van der Ghote kwam hij ten anderen voor op de lijst van eventuele gijzelaars, in april 1944.
Eigenlijk werd Louis Ronse toevallig bij de weerstand betrokken. Uit zichzelf heeft hij dit nooit beslist. De omstandigheden hebben hem er uiteindelijk toe gedwongen. Zijn bedoeling was mensen te helpen, dus ook ‘toevallige’ weerstanders. Hij vervulde hierin eenvoudig zijn taak.
In het Hospitaal werd onderdak verleend aan ondergedoken burgers. De overste, Zuster Juliana, verschafte logies, Dokter Ronse bezorgde hen werk. Zij werden aangesteld als ambulanciers en hielpen in de zaal. Hierin waren immers ook 'normale' stagiairs aan 't werk. Na het volgen van de theoretische Rode Kruislessen leerden ze er de praktijk. Zo leek het verblijf van de ‘ondergedokenen’ niet abnormaal.
Het bleef toch gevaarlijk. Er was immers een zaal bezet door de Duitsers en Dokter Lantsoght kon je niet vertrouwen. Die werd wel gewaar dat er iets gaande was. Hij heeft echter de fair play gehad om het nooit aan te geven.
Soms zaten onze valse brancardiers zelfs aan tafel met Duitsers. Het is zelfs gebeurd dat er een soldaatje bang was om vergiftigd te worden. De ambulancier moest dan eerst voorproever spelen.
'Ambulancier' Jacques Delrue was een werkweigeraar en werd gezocht door de Duitsers. Hij verbleef hier van april tot september 1944. Verder was er ook Armand Fisher. Zijn vader was een arbeider van de 'British Wargraves Commission'.

Samen met zijn oudste zoon werd die geïnterneerd gedurende de bezetting. De jongste zoon, Armand, zou ook opgesloten worden toen hij 18 jaar werd. Daarom hield hij zich schuil in het Hospitaal. Daniël Ronse was eveneens een ondergedokene. Roland Annoot die zijn studies beëindigd had, verbleef er om te ontsnappen aan verplichte tewerkstelling. Roland, de zoon van de gemeentesecretaris van Mesen, Hector Bossue-Wenis, heeft er ook een onderkomen gevonden gedurende één maand. Jacques Ghesquiere uit St.-Gillis-Waas verbleef er eveneens.
In september 1944 waren er toch ook 'echte' ambulanciers o.a. André Forret en André Baert Op een foto uit deze periode zien we zeven ambulanciers: vijf 'valse' en twee 'echte'!
Het werd echter nog gevaarlijker toen ‘gezochte’ actieve weerstanders of militairen er opgenomen werden. Pierre Schoonoghe uit Assebroek, een geheim agent van de SRA (Service de Renseignement et d' Action) en lid van het net B.B.Zig, deed - onder de valse naam 'Pierre Legris' - aan spionage sinds 1941. In 1944 moest hij onderduiken (1). Ook hij verbleef van maart tot september 1944 in het Hospitaal. Louis verschafte hem inlichtingen over de V1-startbanen te Zuydpene en Noordpene en over het munitiepark te Houthulst. Hij bezorgde hem stafkaarten zodat Schoonooghe een ‘bureau voor topografie’ kon inrichten. Hij werd daarbij geholpen door Willy Decorte, een saboteur uit Lissewege. Ronse regelde ook hun contact met Dr. Yvan Schepens van de inlichtingendienst. Op grond hiervan kon hij later aanspraak maken op lidmaatschap van een spionagenet.
Ook ontsnapte Russische krijgsgevangenen vonden een onderkomen in het Hospitaal. 3 à 4000 gevangenen w.o. Russen, Polen, Joegoslaven, Tsjechoslovaken en ook uit het latere Benelux, waren tewerkgesteld in de haven van Duinkerke; anderen verbleven in het werkkamp van Eperlecques te Watten (Noord-Frankrijk). Enkelen konden ontsnappen en schuilen in het Hospitaal te Ieper.

33

Dr. Louis Ronse had zich bij het gemeentebestuur van Wenduine ook een ‘echte’ identiteitskaart kunnen verschaffen onder de ‘valse’ naam van Louis Van Bogaert.

Louis Ronse werd zowat de officiële geneesheer van de weerstanders die in het geheim moesten verzorgd worden. Hij zou een zestigtal zieken en gekwetsten van het Franse maquis verzorgd hebben, vooral in de periode van mei tot september 1944.
In december 1942 had hij reeds in het Hospitaal de vrouw van de vogelvluchtige Henri Antheunis uit Izegem opgenomen voor bevalling, onder een valse naam.
André Decorte - Louis noemde hem steeds 'Willy', dit was de voornaam van zijn valse identiteitskaart - uit Lissewege was in 1943 ondergedoken te Zillebeke. Bij ondervraging had de Gestapo hem met een sigaret, een hakenkruis in de arm gebrand, maar hij was kunnen ontsnappen. Hij maakte van zijn verblijf te Zillebeke gebruik om de swastika door Dr. Ronse te laten wegnemen (2).
Fred Sennesael was een partizaan. Tijdens een bombardement kon hij op 17 september 1943 ontvluchten uit het kamp van Watten. Hij woog maar 41 kg meer en had bloederige stoelgang. Daarenboven had hij door prikkeldraad een verwonding opgelopen aan de rechterhand. Deze infecteerde en moest door Dokter Ronse regelmatig verzorgd worden. Hij verbleef in het Hospitaal gedurende verschillende maanden. Men had hem ondergebracht in het 'dodenkamertje' op het einde van een vrouwenzaal. Op de deur werd een bericht aangeplakt: 'Verboden toegang. Besmettelijke ziekte'. Spijts de Duitse inspecties kon hij het hier uithouden tot aan de bevrijding. Op dit ogenblik werd hij naar een mannenzaal gebracht. Hij was daar dan de enige burger tussen geallieerde militairen. Zo genoot hij van de Britse 'Welfare'- versnaperingen.
Op dit ogenblik verbleef VNV kamerlid Jeroom Leuridan ook in het Hospitaal, zij het onder aanhoudingsmandaat. Hij werd behandeld voor hypertensie. Fred Senesael heeft dan door transfusie bloed gekregen van de gevangene. Deze transfusie gebeurde rechtstreeks bij middel van een spuit. Intraveneuze transfusies waren voor na de bevrijding. Dokter Ronse gaf Senesael daarop een attest dat dit feit bevestigde en in het voordeel van Leuridan kon gebruikt worden.
Georges Gareyn werd in het Hospitaal verzorgd in juni 1944. Hij was weerstander, een 'man van piket voor Commandant Camille Rosseeuw'. Sinds de landing te Dieppe (19 augustus 1942) was hij ondergedoken en werd later aan de zorgen van Dr. Ronse toevertrouwd.
Op 4 augustus 1944 haalde Ronse een kogel uit het schoudergewricht van Albert Demoor. Die werd gewond bij een aanval op de Duitse inlichtingendienst te Armentières. Deze succesvolle actie was uitgevoerd door het Franse verzet, in samenwerking met de 'Belgische Nationale Beweging'. Op die manier konden naamlijsten van ‘verdachten’ vernietigd worden. Dit alles was uiterst gevaarlijk. De Duitsers waren op hun hoede. De dag voordien had de BNB te Mesen een collaborateursgezin aangerand. Er waren doden en de zoon werd in het Hospitaal verzorgd. Vóór zijn kamer werd veiligheidshalve een Duitse wacht geplaatst (3). Spijts de aanwezigheid van Feldgendarmen verliep alles goed. De gewonde kon na de interventie afgevoerd worden naar een hoeve in Le Bizet voor verdere verzorging.
Te Ploegsteert gebeurde op 3 september 1944 ook een aanranding in samenwerking met Franse Partizanen. Ditmaal moest Amic Lepercq te Ieper verzorgd worden.

De hulp door Louis Ronse werd echter nog belangrijker. In 1943 vroeg men hem lid te worden van een repatriëringketen voor neergeschoten vliegeniers.
Te Ieper konden deze terecht voor één nacht, in het Hotel Regina op de Grote Markt. Hier bevond zich een geheime kamer op zolder. Gewoonlijk werden de vliegeniers daarop toevertrouwd aan Baron Noël de Vinck van het kasteel 'Bellewaerde' op ‘het Hooghe’. Die zorgde dan voor verder vervoer naar het repatriëringsnet 'Comète' te Brussel.
Dit organisme functioneerde zeer degelijk maar einde december 1943 geraakte het in moeilijkheden wegens aanhoudingen. De verbinding met Ieper zou zelfs in de eerste maanden van 1944 verbroken worden.

Toen in die periode vier Amerikaanse 'parachutisten' te Ieper verborgen waren functioneerde de ontsnappingsroute van 'Comète' reeds niet meer zo goed. Er moest gezorgd worden voor een langer verblijf in het Ieperse. Louis heeft helpen zoeken naar een opvang voor de langere periode. Hij verwees naar Noël de Vinck met wie hij samenwerkte (4).

Louis Ronse moest vooral hulp bieden wanneer vliegeniers medische hulp nodig hadden (5). Die geallieerde militairen werden meestal aangebracht door Jozef Vanneste uit Passendale of Michel Salome uit Poelkapelle.
Op 15 september 1943 kwam Vanneste hem rond de middag vragen een Poolse piloot, Bronislaw Malinowsky, op te nemen. Die was te Westrozebeke drie dagen eerder neergeschoten en had met het brandende vliegtuig een noodlanding moeten maken. De Duitsers zochten hem tevergeefs, hij werd opgevangen door landbouwers. Een jonge arts had zonder succes getracht een kogel aan de buitenkant van de linker knie weg te nemen. Per sjees werd hij naar Ieper gevoerd. Dokter Ronse verwijderde de kogel.
Daarop werd de patiënt, als doofstomme, ondergebracht in een kamer op het einde van een vrouwenzaal. Hij was er nog maar pas toen reeds een inspectiebezoek werd aangekondigd. Paniek bij de zusters! In de kelder bevond zich echter een voorraad doodkisten ten behoeve van de gehospitaliseerde Duitse soldaten. Onze Pool werd prompt in een kist gelegd en in het dodenhuisje opgebaard. Toen de Duitsers hier een kijkje gingen nemen waren enkele zusters een gebedje aan het prevelen. De militairen sloegen eerbiedig de hakken bij elkaar en lieten de zieke 'in vrede rusten'. Hij verbleef veertien dagen in het Hospitaal en werd daarop afgevoerd naar Engeland.
Op 28 mei 1944 werden twee Britse piloten binnengebracht. Met nog vier anderen waren ze neergehaald bij een bombardement van Kortrijk.
Eerste-sergeant Butler King van Darlington had reeds vier dagen verbleven bij een landbouwer te Boezinge. Hij vertoonde een lichte wonde aan de rechterschouder. Na verzorging werd hij onmiddellijk geëvacueerd. 'Brancardier' Schoonooghe trok zijn witte kiel aan, legde een verband aan rond het hoofd van de patiënt en stopte hem in een ambulance. Met Oscar Bardyn als chauffeur trok men naar het Kasteel van Noël de Vinck. Hier waren Duitsers ingekwartierd. Aan de schildwacht vertelde Schoonooghe dat de gekwetste een metselaar was die een hoofdwonde opgelopen had tijdens de werkzaamheden in het Kasteel en in het gasthuis verzorgd werd. Hij mocht doorrijden.
De tweede piloot was Luitenant Toplings van Brighton. Hij was eerst ondergedoken bij een molenaar te Bikschote. Na behandeling in het Hospitaal werd hij op 3 juni 1944 ook verwezen naar de Vinck voor verdere evacuatie.

Ditmaal vertrok hij met Schoonooghe per fiets. Bij de Bascule regelde een 'Feldgendarm' het Duits verkeer. Met een vriendelijke 'goeden dag' geraakten ze gemakkelijk door.
De Duitsers hadden vermoedens dat een geneesheer in de ontsnappingsroute werkte. Dokters Dekemel uit Boezinge en Seys uit Langemark werden weggevoerd.
Wel was al dit gedoe in het hospitaal levensgevaarlijk. Er werd aan de deur van de operatiezaal een wacht gezet om de identiteit van de patiënten te controleren. Dit leverde niets op.
De Duitsers bleven nochtans op hun hoede. Op 7 juli werd Louis geconvoceerd te Gent door de opsporingscel voor gevallen vliegers van de Lüftwaffe. Dit was uiterst gevaarlijk. Vermoeden van onaangepast gedrag gaf reeds mogelijkheid tot arrestatie. In 1944 werden de verdachten aanstonds weggevoerd naar een concentratiekamp. Zelfs op de dodentrein naar het kamp was het dan niet leefbaar. Hubert d'Ydewalle, de burgemeester van Beernem, werd zonder reden afgehaald. Hij stierf tijdens de treinreis: geen drinken, geen water, geen hygiëne, geen lucht!
Louis is niet geweest naar die ondervraging. Daarna moest hij onderduiken. Thuis was er paniek. Ik herinner me dat er ieder dag 's avonds voor het Mariabeeld in de living, kaarsen werden ontstoken. De kinderen moesten dan met moeder, op de knieën een tientje van de paternoster bidden. Waarom? Zij hadden er geen benul van. Ik bleef achteraan, met de armen steunend op de zitting van een,stoel. Wel gemakkelijker!
De Duitsers konden geen weerwraak nemen op de twee oudste zonen. Léon werd tewerkgesteld door de 'Organisation Todd'. Hij hielp aan de 'Atlantikwall' 'Rommel-asperges' planten - dit waren rechtopstaande balken onderling verbonden door prikkeldraad om het landen van zweefvliegtuigen te voorkomen. Antoon was na het beëindigen van de hoogste klas van het gymnasium aanstonds binnengetreden als monnik te Orval.
Onlangs heb ik Zuster Lutgarde gevraagd waar vader ondergedoken was. Zij hielp in de operatiezaal en kon het weten. Ik was wel wat laat met dit verzoek. Zij had immers reeds haar honderdste verjaardag gevierd. Ze kon toch nog alles vertellen maar herinnerde zich het onderduiken niet.
Bij aandringen herhaalde ze steeds hetzelfde: "Wanneer er gevaar was nam de dokter zijn fiets en toerde in de bossen". Dergelijk stereotiep antwoord is wel wat irriterend maar achteraf gezien had Zuster Lutgarde gelijk. Louis Ronse is maar zeer kort weggebleven uit het gasthuis en was er vlug terug aan het werk. Hij was echter op zijn hoede en bij alarm verdween hij 'in de natuur'.
In die periode heeft hij niet thuis geslapen. De nachtelijke uren waren de gevaarlijkste. Het was dan dat de Gestapo haar razzia's hield.
Zo kon Dr. Deberdt verklaren: "Nooit, zegt Dr. Ronse, heeft hij tijdens de oorlog moeilijkheden gehad" (6). Hij heeft tot september 1944 regelmatig verder gewerkt in het ziekenhuis. Slechts op 6 en 7 juli werd er niet geopereerd.
Louis Ronse kreeg daarna echter opnieuw problemen door de opname van een ontsnapte Russische gevangene, Gregor Mussienko. De Duitsers waren die overal aan het zoeken. Met een kogel in de bil was hij drie dagen roerloos in een korenveld blijven liggen. Na regenvlagen was hij doornat en kon zo zijn dorst lessen. Door spelende kinderen ontdekt, werd hij opgenomen in de schuur van een landbouwer. De onderpastoor van Oostvleteren verzorgde zijn wonde en diende antitetanus serum toe.
Na één week werd hij per ziekenwagen op 21 augustus 1944 naar het hospitaal gevoerd. In kamer 46, op slot! Dit werkte argwaan bij de Duitsers en op 31 augustus stonden zij daar.

Met zuster overste dan naar de kamer: “Het was een doofstomme door Duitsers afgezet met de belofte hem te komen halen. Iedereen was tevreden dat hij nu afgehaald werd!”.
Het waren blijkbaar geen al te snuggere mannen; daags daarop zouden zij een militair geneesheer zenden. Louis Ronse heeft daarop de extensieapparatuur gewijzigd “van een Frans maaksel in een Duits maaksel”.
‘s Anderendaags verscheen een jonge geneesheer-commandant. Tijdens het gesprek met de chirurg kwam plots een vliegtuig de Kaai mitrailleren. Dit was in de onmiddellijke nabijheid van het hospitaal. Vliegensvlug verstopte de commandant zich onder de tafel. Hij was achteraf verwonderd dat zijn toehoorder kalm was blijven wachten.
Het kwam tot een vriendelijk gesprek. Louis beloofde o.a. in het Gasthuis mee te werken aan de behandeling van soldaten van de 'Wehrmacht'. Er was overigens reeds een zaal die door de vijand bezet was. Mussienko, de zogezegde Duitse patiënt, was er al ondergebracht.
De Gestapo zou 's anderendaags terugkomen. Natuurlijk heerste er paniek. De zuster-overste liep om raad naar de deken. Bidden en kaarsen laten branden schenen het enige wat kon gedaan worden. Ook bij Ronse moesten de kinderen weer op de knieën. De 'Goddelijke Voorzienigheid' heeft er goed voor gezorgd. De volgende dag kwam er niemand. De zetel van de Gestapo werd naar Roeselare verplaatst want de bevrijders waren in aantocht.

  1. Pylyser J.M.: Kustvolk in de Vuurlijn. Deel 3. De Atlantik Wall. JMP-Trends. 2003 p. 147.
  2. ibidem p. 141.
  3. Quaghebeur Roger, Verbeke Roger : Ze zijn daar! 1994, De Klaproos, Veurne. p. 168.
  4. Pylyser, o.c. p. 155.
  5. ibidem p. 158.
  6. Dr. Deberdt: Gelegenheidstoespraak. Ambtsjubileum. 4 december 1969.

5. EINDELIJK !

Na vier jaar kwam eindelijk de bevrijding. Door de geweldige overmacht kon het lukken. Einde juli 1944 waren er 1.500.000 manschappen, 300.000 wagens en op de koop toe twee havens beschikbaar voor de geallieerden. Toch ook enorm veel menselijke ellende! Pas na de slachting te Falaise op 17 augustus gebeurde de doorbraak. Daarna ging het aan 50 km per dag vooruit.
Iedereen luisterde naar de Britse nieuwsberichten, steeds met de wiebelende ondertoon als deuntje - de storing verwekt door de bezetter. Boven het radiotoestel prijkte een kaart waarop de geleidelijke vooruitgang van de bevrijders opgetekend werd. De oorlogvoering werd als ‘t ware een spel. Spelden, waaraan een draadje hing met een muntstuk van 25 centiem - toen nog met een gaatje middenin - werden dagelijks verplaatst.
Te 14 u. werd telkens het nieuws herhaald onder vorm van Engelse les. De moeilijke woorden werden gespeld: “Normandie. I repeat: Normandie - N nobody - O open - R ready - M monday - A apple - N nobody - D day - I interest - E easy". Wij leerden de kaart lezen op zijn Engels, met tal van meer of minder bekende plaatsen.

Er waren drie parallelle aanvalsgroepen. Langs de kust rukten de Canadezen en Polen op. Er naast, ten zuiden, waren het de Tomies, wat meer landinwaarts, de Yankees. Ieper werd bevrijd door de Polen.
Je voelde de vloed naderen. Kortrijk was reeds in mei driemaal door vreselijke bombardementen getroffen en vanaf augustus werden regelmatig verkeersknooppunten gemitrailleerd.
Het station te Langemark werd bestookt. Er viel één dode en twee gewonden werden naar het Hospitaal overgebracht.
De Ieperse kaai werd door mitrailleurs beschoten. Alle aangemeerde binnenschepen werden tot zinken gebracht. Vanop de Kalfvaart kon je de schietende vliegtuigen zien afkomen. Je werd het nochtans gewoon en je zette eenvoudig je werk voort. Ik lag ziek te bed en zag de vliegtuigen aanvallen. Ik heb de dagen en het uur van de aanvallen genoteerd - mijn eerste dagboek! Tussenin staat er te lezen: "In de stad is men zeer zenuwachtig".

In het Hospitaal kregen de geneesheren weer meer werk, net zoals in mei 1940. Veel gewonde burgers maar ook Duitse soldaten werden aangevoerd. Tussen de bedden moesten draagberries geplaatst worden. Du Brulle, Lantsoght en Ronse hadden de handen vol. Patiënten met goede levenskansen kregen bij de verzorging voorrang. Hopeloze gevallen liet men liggen.
Een zeventienjarige soldaat bleef zo een paar dagen enkel aangewezen op verpleegkundige zorgen. Hij had metaaldeeltjes in de longen die moeilijk konden verwijderd worden. Hij had nochtans geen koorts. Een pientere stagiair-ambulancier, Forret André, vond dat iets meer moest ondernomen worden. Hij haalde Dokter Ronse erbij. Deze waagde de operatie en de man genas dank zij de knappe chirurg (1)

  1. Quaghebeur, Verbeke. o.c.

6. BEVRIJDING

Op 6 september stonden de Polen voor de deur. Drie dagen voordien was Brussel reeds ingenomen en de dag erop Antwerpen, het belangrijkste doelwit. Vandaag zou het Ieper, Gent, Diest, Huy, Sedan worden.
Vanuit St.-Omer trokken de bevrijders naar Ieper in twee groepen. Het eerste detachement richtte zich naar de noordkant van de stad. Het trok over Cassel, Steenvoorde, Poperinge. Te 18 u. was het voorbij Ieper in St.- Jan. Via 't Wieltje zou het de volgende dag Roeselare bereiken.
Het tweede detachement, het meest belangrijke, rukte over Staple, Flètre, Westouter. Hier werden drie ondergroepen gevormd die alle te Zillebeke zouden samenkomen. De eerste ondergroep trok langs De Klijte en Dikkebus, de tweede over Vierstraat, Voormezele, de derde over Wijtschate, St.Elooi. Zo maakte gans dit detachement een draaibeweging ten zuiden van Ieper.
Vanuit Zillebeke bereikte de groep het Hoge en te 17 u. 30 Frezenberg. Die groep zou langs Zonnebeke op 7 september Roeselare innemen.

Zo werd de Ieperse agglomeratie door de twee colonnes omsloten; daarop vielen de Polen de talrijke Duitse weerstandsnesten in het centrum aan. Deze waren alle gericht op het westen, in de richting van de geallieerden. Nu kwam de aanval echter vanuit het noorden en het zuiden, wat niet verwacht werd (1).

Het gezin Ronse zou door de noordelijke groep bevrijd worden. Deze kwam uit Vlamertinge, trok over de Maarschalk Haiglaan langs de Oude Veurnestraat, de Diksmuidseweg en over de Kaai, langs de Brugseweg in de richting van St.Jan.
Te 15 u. bereikten zij de Kaai. Deze werd echter onder vuur genomen. Een Duits kanon stond opgesteld langs de vaart in de Steenbakkerij Donck- Van der Ghote. Het volstond met de tankwagens terug te schieten en alles werd er stil. De Duitsers trokken zich daarop terug naar een hofstede op Pilkem - Boezinge. Hier zou de volgende dag nog een schermutseling plaats vinden.
Daarna moest de colonne een weerstandspost bij Houthandel Vergracht - in de huidige Polenlaan - liquideren. Ook dit verliep gemakkelijk. Een pientere weerstander, Gaston Odent, had zijn diensten aangeboden en hielp de geallieerden uitstekend. Hij klaarde de zaak praktisch op zijn eentje en nam zelfs vijftien Duitsers gevangen - deze hadden er echt de moed niet meer in.
De colonne hield vervolgens halt aan het Kruispunt van de Kalfvaart en Brugseweg waar zij om 17 u. opdracht kreeg het noordelijk deel van de stad te zuiveren. Dit gebeurde langs de Kalfvaart en de Lange Torhoutsestraat alsook langs de Elverdingsestraat. Tegen 20 u. werden alle weerstandsnesten in de rug aangevallen en vernietigd.
De zuidelijk opgestelde troepen bezetten de stad te 17 u.. Een detachement kwam vanuit Dikkebus langs de Dikkebusseweg en het station tot in de Stationstraat. Een tweede trok langs de Rijselseweg tot in de Rijselsestraat. Beide moesten het gedeelte ten zuiden van de Menensestraat, de Markt en de Boterstraat zuiveren. Hier gebeurde het opruimen wat moeilijker want de verdediging aan de westkant van de stad was beter georganiseerd. De job duurde tot middernacht, dan nog zeer dikwijls gehinderd door een enthousiaste menigte die het optrekken van de tanks onmogelijk maakte.

Zoals in mei 1940 - maar toch niet zo erg - bevond het gezin Ronse zich in de eerste linie, en opnieuw in de kelder. De chirurg was natuurlijk afwezig.
Zij hoorden de Polen die de zuiveringsactie uitvoerden aan de noord- en oostkant van de stad. De soldaten deden het vooral te voet, geholpen door rupswagens, ‘bren carriers’ met antitankkanon. Er werd één gebezigd aan de Diksmuidepoort en langs de Hoge Wieltjesgracht. Hier stond aan de voet van de vestingen een Duits antitankkanon opgesteld. De bedieners maakten aanstalten om het tuig in stelling te brengen maar werden door de Poolse infanteristen vanuit de Pennestraat beschoten. Er viel één dode, de overigen stoven de vestingen op.
Terwijl dit aan de gang was vertoefden nog twee Duitsers in de buurt. De één was een erg nerveus doende onderofficier, de andere een zichtbaar bange rekruut. Die trok zich immers herhaaldelijk terug. Zij stonden met een handmitrailleur in de aanslag op de hoek Kalfvaart - Lindendreef, in de ruïne van het in 1940 verwoeste huis van Ingenieur Froidure.
Wanneer zij in de Pennestraat nieuwsgierigen ontwaarden schoten zij erop maar weldra kwamen hier Polen opduiken en de Duitsers trokken zich nu terug. De Poolse infanteristen, tegen de gevels aangedrukt, trokken verder op, langs de Kalfvaart de Torhoutsestraat in.

Ondertussen hadden onze twee Duitsers in de achtertuinen een man over de tuinmuur van Ronse zien kruipen en in een buurthuis verdwijnen. Partizanen? Zij liepen er achter aan en alle mannen werden hier uit de kelder gehaald. Met de handen boven het hoofd en met het gelaat naar de tuinmuur ondergingen ze een controle naar wapens. De pseudo-partizanen dachten dat hun laatste uur aangebroken was maar de Duitsers hadden al evenveel schrik en lieten hen gaan.
Ondertussen had weerstander Gaston Odent een van de bij Vergracht gevangengenomen Duitsers met bezeerde hand naar het Hospitaal gebracht. Odent had rendez-vous met de bevelhebber van de wachtende tankcolonne zodat hij op zijn terugweg voorbij het huis Ronse kwam. Maurice Van der Ghote - toevallig op wandeling en wegens de evenementen bij zijn schoonbroer binnengevallen - lag er boven uit het venster te kijken naar het gebeuren. Hij kon Odent verwittigen dat twee Duitsers in de tuin verscholen waren.
Die daarop de tuin van Ronse in! Hier was niets te zien, wel lagen hier twee gasmaskers en twee helmen.
Achteraan, in de scheidingsmuur met buurman Gadeyne, was door de Britten in 1940 een toegangsopening gekapt. Deze was niet gedicht geweest om de jongste telgen Ronse gelegenheid te geven regelmatig de kippen- en konijnenhokken van de vriendelijke buurvrouw te bezoeken. Onze Gaston kroop dan door de opening op zoek naar zijn Duitsers, die nu bij de Gadeynes terecht gekomen waren. Gaston verhaalt: “ ‘Is er iemand?’ - ‘Ja, meneer, wij zitten in de kelder, want er zijn hier twee Duitsers op gang en ze hebben veel geschoten’ - ‘Zijn ze misschien naar boven gegaan?’ - ‘Neen!’ - ‘En in ‘t hennekot?’ - ‘Ook niet!’ - ‘Komt maar uit de kelder, er zijn hier geen Duitsers meer te zien!’ Karel Gadeyne en zijn moeder kwamen naar boven en ik moest daar eerst een ferme druppel drinken”.
Daarop zette Gaston de zoektocht naar de snode Duitsers verder. Opnieuw doorheen ‘het gat van Madame Gadeyne’, Ronse’s tuin in. Nu hoorde onze partizaan hen lopen achter de buitenmuur van Ronse. Hij er achteraan tot aan het achterpoortje van de tuin.
Zij waren hem te vlug. Opnieuw Gaston: “Als ze een dertig meter voorbij het poortje waren, keek ik buiten en riep: ‘halt’ en gaf een schot in de lucht. Zij wierpen zich neer en ik zag dat er één een geweer had en de andere niet. Ik trok mijn hoofd in. Zij zagen dat ik weg was, zij stonden recht en ik hoorde ze verder lopen. Ik dacht: ‘zij zullen daar omdraaien en uitkomen aan de ‘Bulte’ Froidures (2), aan de Lindendreef”. Hij liep het hoekje om in tegengestelde richting door de inrijpoort van Ronse en “al met eens zag ik ze daar voor mij. Ik er achter! Recht voor de beenhouwerij in de Kalfvaartstraat riep ik: ‘Halt! Hands up’. Daar was nog een onbebouwde open plaats. Zodra ik halt riep, keek de soldaat om en wierp zijn geweer weg in die open plaats, de onderofficier trok tewege zijn revolver uit de holster, maar ik was er reeds bij. Ik zei:‘Der Krieg ist fertig für Sie’ en ik nam ze mee naar de hoek van de Brugseweg” (3).

De Ronses hadden al dat geloop en geroep gehoord maar zij bleven wijselijk in de kelder. Tegen 18 u. kon echter de vaan uitgehangen worden. Deze werd versierd met kleine papieren vlaggetjes van de geallieerden, een week voordien reeds bij drukker Bras gekocht. Op dat ogenblik stond het antitankkanon nog aan de vestingen en werd er door de Polen geschoten.

De kinderen in de deuropening zagen hoe een onervaren Duitse soldaat in een boom klom en er uit geschoten werd. "Hoera! Nog een Duitser minder!" riep ik. Dit tot grote verontwaardiging van mijn jongere broer.
Vader was gedurende die tijd in het Hospitaal. Te 18 u. werd hier een vrouw binnengebracht met een erge wonde aan de arm. Eén van de twee geneesheren, Du Brulle of Lantsoght, dacht aan amputatie. Gelukkig kwam Ronse tussen. Hij had in de eerste wereldoorlog wel erger verwondingen gezien. Hij heeft de arm kunnen genezen (4). Zoals voor de Duitser enkele dagen eerder verwekte zijn techniek wonderen.
Op dit ogenblik waren reeds vier Polen in het Hospitaal opgenomen. Ronse hield ze voor de Duitsers verborgen. Het waren deserteurs die in Duinkerke gewerkt hadden en nog hun Duits uniform aanhadden. Ook zij werden bevrijd door hun landgenoten. Men verweet hen tegen de geallieerden gestreden te hebben. Met hun desertie werd geen rekening gehouden.
Er werden nu ook 'zwarten' binnengebracht onder meer iemand van Zonnebeke. De mannen van het verzet kwamen hem halen maar Louis stuurde ze wandelen. "Hij is mijn patiënt en hij gaat hier maar buiten als hij genezen is".
Tegenover een cliënte die hij verdacht hem aangegeven te hebben, ging hij wel anders te werk. Hij heeft ze uit haar bed gesleurd. Zij mocht zich nu elders laten verzorgen.
Misschien wel brutaal maar anderen zouden hierin wel verder gaan. De reactie op de vier jaar lange frustraties kwam vanaf de volgende dag op gang. ‘Zwarten’ werden opgepakt en persoonlijke vetes kwamen boven. Opgezweepte groepen vielen binnen, soms ook bij onschuldigen, en gooiden alle huisraad door de vensters. De ‘zwarten’ werden opgeleid door partizanen en andere.
Op de Grote Markt werd begonnen met het kaalscheren van vrouwen. Die waren wat te vriendelijk geweest met de bezetter. Een joelende, schreeuwende menigte rond een kar als verhoog! Het derde slachtoffer was Mevrouw Van Overstraeten, van een kolenhandel aan de Kaai. Op dit ogenblik is burgemeester Jan Van der Ghote tussengekomen : "Iedereen naar huis!”. Nu werd het echt een scène als tijdens de Franse revolutie maar de pseudo- haarkappers dropen het toch af.

Als vijftienjarige heb ik mee geheuld met de massa. Je zag het onderste boven keren van huizen, je zag de boer opgeleid, blootsvoets vanop zijn werk. Plots keert deze massa zich dan tegen jouw oom, tegen je eigen familie. Zo heb ik dan iets unieks geleerd voor het leven. Je krijgt dan de kans om afstand te kunnen nemen. Hoed je voor mensenmassa’s, voor supporters, voor gepeupel en vraag je daarbij steeds vooral af: “quid veritas?”. Dit alles was wijsheid opgedaan in één minuut!
Ondertussen was het nieuwe schooljaar weer aangevangen. Gedurende de bezetting was Engels onderricht niet toegelaten, wel Duits. In de eerste week van september ‘44 kreeg ik mijn eerste Duitse les: "In Anfang mit Aussprache". Het is het enige Duits dat ik geleerd heb. Daarop werd geen Duits meer onderwezen, enkel Engels.

  1. Duflou Lucien: De bevrijding van Ieper op woensdag 6 september 1944. Iepers Kwartier, 1979, 15, p. 4-13.
  2. Ingenieur Froidure - eerder een rentenier - had een bochel. Het was wel een zonderling. Hij had een kapel in Moorse stijl laten optrekken in de Diksmuidsestraat. Hij woonde aan de Kalfvaart een viertal huizen verder, en had er een kleine 'sterrenwacht'. Er werd verteld dat hij in zijn slaapkamer zijn doodkist staan had. Voor ons, kleinen, was dit een probleem. Hoe zou men hem met zijn bochel in de kist kunnen leggen?
  3. Verheye Staf: Kalfvaart 6 september 1944. Iepers Kwartier, 1989, 25, p. 1-4.
  4. Quaghebeur, Verbeke. o.c.

Hoofdstuk 22

DE REVANCHE

1.WEERSTANDERS, ERETEKENS EN VOORZITTERS

Louis Ronse had een gans stelletje lidkaarten. Op 1 april 1943 werd hij opgenomen (nr. 316823) in het Geheim Leger, in de sector Ieper van de Zone III (Oost- en West-Vlaanderen).
In september 1944 bekwam hij de lidkaart (nr. 13579) van de 'Inlichtings- en Actiedienst' (I.A.D.) en le 'Service de Renseignements et d'Action' (S.R.A.). Aldus trad hij toe tot de 'Unie' of 'Union' er van: de U.I.A.D. of l'U.S.R.A. (nr12079). Hij was immers door zijn medewerking met Pierre Schoonooghe, lid van de groep B.B.Zig. Dit was een onderverdeling van de spionagegroep 'Clarence'. Vanaf 27 januari 1948 mocht hij de kwalificatie van gewapend weerstander bezigen (11-20500 van de Controle Commissie Oostende). Hij had immers gekwetste 'gewapende weerstanders' verzorgd.
De 'Controlecommissie van Burgerlijke Weerstanders' bij het Ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw kende hem op 8 december nog een lidkaart toe van 'Burgerlijk Weerstander'. Waarvoor?

Na de bevrijding floreerden de talrijke oorlogsorganisaties en er werden ook nieuwe gesticht. Telkens was er natuurlijk een voorzitter, een ondervoorzitter, penningmeester en secretaris. Soms wat moeilijk om ze uit elkaar te houden! Deze groeperingen bleven maar in stand zolang de leden niet gestorven waren. Uiteindelijk zouden alle na enkele jaren verdwijnen.

Er kwam later een 'Unie der Verbroederingen van het Geheim Leger' (U.V.G.L.) - 'Union des Fraternelles de l’Armée Secrète' (U.FR.A.S) tot stand. Zij moest alle lokale 'Verbroederingen' bundelen en die waren er wel voldoende. Zo werden ruzies vermeden.
Oude verenigingen werden verbonden met de nieuwe. Op 13 december 1950 werd een v.z.w. uit 1933 aangepast aan de actuele situatie. Er ontstond een ‘Verstandhoudingscomité der Oudstrijders en Gelijkgestelden der beide Oorlogen 1914-18 en 1940-45’. Het doel was alle groeperingen te verenigen ten einde:

  1. aan de vaderlandse plechtigheden aan dewelke zij gebeurlijk geroepen zijn deel te nemen. Allen uitdrukking te geven van samenhorigheid en macht.
  2. Alle geschillen en eisen met en tegenover de openbare overheid te beijveren en tot een goed einde te brengen.

Werden hiermee de ruzies betreffende de ereplaatsen opgelost?

'Hulp aan de Geallieerde Gebroken Vleugels' H.G.G.V. - 'Aide aux Ailes Brisées Alliées' A.A.B.A. - 'Relief to the Allied Broken Wings' kwam ook tot stand. Louis Ronse lijkt vooral hierbij actief geweest te zijn. Dit was een v.z.w., op 23 maart 1946 gesticht op nationaal niveau (Staatsblad 12.10.1946 - nr. 2363). Zij ontstond uit de regionale Luikse v.z.w. 'Aide aux Ailes Brisées Anglo-américaines à Liège' (Staatsblad 30.06.1945-nr. 1408) dat opgedoekt werd.

Haar streefdoel was:

  1. maintenir le souvenir;
  2. créer une union affective en vue de défendre les revendications légitimes tant matérielles que morales;
  3. étendre les relations avec les alliés;
  4. poursuivre la réalisation des buts patriotiques.

De tweede doelstelling is natuurlijk de belangrijkste o.a. voor het bekomen van eretekens.
Juffr. Andrée (Dédé) de Jonghe was voorzitster; later zou zij erevoorzitter worden, met Baron Nothomb als voorzitter. De twee afgevaardigden uit West-Vlaanderen waren op 23 maart 1946 Cdt. Van Poucke en Juffr. Tita de Groote.
Reeds op 29 maart 1946 werd te Ieper afzonderlijk vergaderd om hier een lokale sectie te stichten. Ronse werd er voorzitter.
Op 3 januari 1947 stichtte Van Poucke een West-Vlaamse afdeling - dus meer onafhankelijk - waarvan hij voorzitter werd. Er was ook een erevoorzitter, senator Hubert de Groote en twee ere-ondervoorzitters Tita de Groote en Rose Gilles de Pelichy. Wat veel! Er waren nu dus drie voorzitters: de nationale, de provinciale en de sectoriële met daarbij een stelletje erevoorzitters.
Bij de A.A.B.H. - H.G.G.V. werd er nochtans ijverig gewerkt. Vooral secretaris Adj. Fern. Ramoudt zette zich in en deed de zaak draaien. Op 9 maart 1947 was er een officiële vergadering voor de provinciale vereniging.
De Ieperse sectie bleef niet ten achter met een vergadering op 26 februari en op 4 april 1947. Het resultaat was een ‘Herdenkingshulde aan doden en vermisten’ door ‘Hulp aan de Geallieerde Gebroken Vleugels’ te Ieper op 6 juli 1947. Het programma:

  • 9 u. 30 mis bij de Karmelieten
  • 10 u. 50 vanuit het Hotel Regina met het Ypriana-muziek naar het monument van gesneuvelden
  • 11 u. 50 in de Stedelijke schouwburg: dodenappel, gedenkenis. Toespraken van Cdt. Van Poucke, voorzitter H.G.G.V. West-Vlaanderen, van Erevoorzitter Hubert de Groote en van Voorzitter sectie Ieper, Louis Ronse.

Jaarlijks was er natuurlijk de Algemene Vergadering van de VZW 'Gebroken Vleugels' te Brussel nl. op 15 november 1947 en op 23 januari 1948. Bij deze laatste vergadering waren de afgevaardigden uit West- Vlaanderen aanwezig: Van Poucke, voorzitter W.-Vl. , Ronse voorzitter Ieper, en de schatbewaarder W.-Vl. Desmul. Louis Ronse kreeg zelfs bevordering: op 28 november 1948 werd hij provinciaal ondervoorzitter.
Na het overlijden van Fernand Ramout, de adjunct-secretaris die alles organiseerde, was het gedaan met vergaderen. In augustus 1956 wilde Van Poucke de zaak liquideren. Er waren nog voor 2000 fr. rekeningen te betalen maar in de kas stak wel 7000 fr. Hubert de Groote heeft de zaak geregeld.
De ‘Brarea’ was een anglo-amerikaanse dienst die de dossiers onderzocht van personen die tijdens de vijandelijkheden vliegers hadden geholpen. Tegen 1948 was de job geliquideerd. 5 à 6000 diploma’s - hetzij een groot of een klein - werden afgeleverd. Louis kreeg ook een diploma, getekend door Generaal Eisenhouwer 'for gallant service in assisting escape of allied soldiers". Hij bezat eveneens een certificaat van Commodore Tedder, Chief Marchal van de 'Allied expeditionnary Forces' voor hulp aan 'airmen of the British Commonwealth'.

Hij werd ook persoonlijk gehuldigd. Op 25 september 1945 werd hij geciteerd op het dagorder van het Geheim Leger Zone III: “Il soutint l’AS pendant l’occupation en soignant et opérant à titre gracieux les membres du maquis, parachutistes, les aviateurs blessés ou malades, tant pendant la période secrète que lors des combats de la libération”.
In april 1946 werd hij erevoorzitter van de Verbroedering G.B.L. - A.S.B. sector Ieper (Geheim Leger - Armée Secrète).
Hij werd samen met dertien andere leden op 20 maart 1949 gevierd door de lokale verzetsgroepering van de 'Belgische Nationale Beweging' (B.N.B.) in het Hotel Ypriana. De nationale voorzitter A. Bailleul en de nationale ondervoorzitter - tevens voorzitter voor West-Vlaanderen - Frans Tytgat namen er het woord. Te dezer gelegenheid bekwam Louis het erediploma en ereteken van de B.N.B. Ofschoon hij geen lid was van de B.N.B. had hij immers een slachtoffer van de aanval op het inlichtingsbureau van de 'Geheime Feld Polizei' te Armentières op 4 augustus 1944 verzorgd; hij werd ook geciteerd op het dagorder van de weerstandsbeweging. Daarop trok men naar het monument van de gesneuvelden waar de gevierde een bloemenkrans legde; vervolgens was er - ook belangrijk! - het aperitief in het Hotel Regina.
Op 23 oktober 1949 had te Ieper de jaarlijkse provinciale algemene vergadering plaats van de B.N.B.-West-Vlaanderen. Hierbij kreeg de zuster- overste van het O.L.Vrouwhospitaal een ereteken opgespeld. Op dit ogenblik fungeerde Louis Ronse als erevoorzitter van de B.N.B. sector Ieper.
Talrijk waren de feestvieringen met praalstoeten en optochten, vlaggen, bloemenkransen maar ook verbroederingmanifestaties van oud-strijders, wat later ook van gedeporteerden, met redevoeringen en diners; vele doden en vermisten werden herdacht. Telkens was Louis present. Hij kreeg er zelfs extra-eerbetuigingen en mocht dikwijls het woord nemen ofschoon dit zijn sterkte niet was.
Optochten gebeurden met een strik aan de vlaggenmast, met rinkelende medailles op de jas, liefst met een alpenmutsje op, soms met het pakje boterhammen op zak, en als gedeporteerde met een gestreept gevangenenplunje boven het pak.
Er kan mee gelachen worden maar was het niet een demonstratie van waarden waar-voor men zich had ingezet? Waarden die moesten ge-handhaafd blijven. Voor Louis was dit het ‘primum mo-vens’.

34

Dr. Louis Ronse begroette generaal Wadislaw Maczek, bevelhebber van de 1e Poolse Pantser-divisie, t.g.v. de inhuldiging van een gedenkplaat te Passendale.

Uiteindelijk werd het echter ook een ‘revanche' op zijn ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij had toen vier jaren doorgebracht met de eenvoudige piotten. Hij had toen steeds het gevaar en de pijn van de loopgraven met hen gedeeld. Hij had zich toen voor hen speciaal ingezet.
Nu streek hij de roem op die hij toen niet gekregen had. Nu bekwam hij de waardering en bekendheid wel, omwille van zijn ‘menslievendheid’: “Het in heel West-Vlaanderen gekend zijn voor zijn valse certificaten om de mensen plezier te doen!”. Is dit niet mooi gezegd? Het was nochtans eigenlijk dezelfde menslievendheid die hij tijdens de eerste Wereldoorlog t.o.v. zijn medesoldaten betoond had. Nu werd hij als ’t ware beloond voor de twee oorlogen!
De viering was ook een compensatie voor de ontgoocheling en vernedering opgelopen tijdens de Lantsoght-historie. Nu kreeg hij toch gelijk.

  1. Quaghebeur, Verbeke: o.c.

2. DANIËL RONSE

In de benarde periode hadden steeds Rode Kruisambulanciers als vrijwilligers in het Gasthuis gewerkt. Na de theoretische lessen leerden zij hier de praktijk. Onder de bezetting was hun aanwezigheid dus algemeen aanvaard. Hier kon echter gemakkelijk asiel gegeven worden aan ondergedoken jonge mannen, vooral werkweigeraars, maar ook aan verzetslieden. Er ontstond een klein weerstandsnest: geneesheren, religieuzen, verpleegkun- digen, samen-spannend tegen de Duit-sers. Voor deze gezond-heidsequipe waren de woorden ‘weerstander’ en ‘brancar-dier’ syno-niem gewor-den. De bij-gaande foto, met vijf ondergedoke-nen op de zeven ambulanciers is wel typerend.

35

Rodekruishelpers in het O.L.Vrouw-Hospitaal op het einde van de bezettingsperiode en tijdens de bevrijdingsdagen. Vooraan v.l.n.r. Jacques Delrue,Pierre Schhoonooghe, Roland Annoot, André Forret: achteraan v.l.n.r. Armand Fisher, André Baert en Daniel Ronse.

Deze samenhorigheid bleef na de bevrijding voortbestaan in het vrijwilligerswerk op het gezondheidsterrein: het Rode Kruis. Weerstand leidde naar rodekruisactie.
Naast Armand Fisher, Jacques Delrue, Roland Annoot en Pierre Schoonooghe liep vooral Daniël Ronse in de kijker. Die laatste verbleef in het ziekenhuis vanaf 10 maart 1944. Hij was nipt aan de Gestapo ontsnapt, als een konijn in de straat neergeschoten. Maanden heeft hij er verbleven zonder buiten te komen.

Het Gasthuis was relatief veilig voor zover je helemaal in de dienst ingeschakeld werd. Hij kon er zelfs regelmatig aan tafel zitten met Duitse soldaten, die op zijn aanwezigheid erg gesteld waren. Hij moest voor hen zelfs voorproever spelen.
Als ondergedokene mocht je aanvankelijk ergens helpen kuisen, de pan of het urinaal wegdragen; daarna mocht je de oorkussens van een patiënt helpen schikken, je hielp ook wat bij het verzorgen van wonden en voor je het merkte zat je in de verpleging. Daniël Ronse bracht het tot anesthesist. Ether toedienen bij chirurgische interventies was zijn taak. Uiteindelijk werden die lange maanden ballingschap een verrijking voor deze pientere jongen.

Samen met zijn collega’s heeft Daniël Ronse ook na de bevrijding, vanaf 7 september, kunnen meewerken als ambulancier. Na de militaire dienst werd hij bediende. Hij huwde in 1950 en stichtte een gezin.
De oorlogsjaren bleven nawerken. Waarom de anderen niet verder helpen? Hij hielp reeds in oud-strijdersverenigingen. Als vrijwilliger chef- ambulancier, is hij de spil geworden van het Iepers Rode Kruis. Hij heeft de groepering helpen organiseren. Er moesten vrijwilligers gevonden worden. Daarna moesten cursussen gepland worden alsook ook tornooien tussen de verschillende rodekruisploegen. Dit laatste verschafte de nodige bezieling aan de leden om bij te leren.

Uiteindelijk werd Daniël Ronse de man van het Rode Kruis die steeds insprong wanneer er enige moeilijkheid was, zelfs wanneer zekere dag een dame van het Comité zielsproblemen kreeg. Er was 'iets' gebeurd en zij eiste dat voortaan alle oefeningen zouden gebeuren mits scheiding van de geslachten. Iedereen was hiermee uiterst verveeld - de mobilisatieoverste wilde ook niet tussenbeide komen: de dame was zijn schoonmoeder. Hij delegeerde daarom de schrandere Daniël. Die kwam tot een vergelijk. Door weerstand tijdens de bezetting had hij voldoende mensenkennis opgedaan en psychologie aangeleerd. Op zijn voorstel zou de dame controle uitoefenen. Zij heeft het echter slechts gedurende drie vergaderingen uitgehouden.

3. HET RODE KRUIS

Louis Ronse was, ook samen met Dubrulle, de spil van de gezondheid- weerstandersequipe. Het is normaal dat hij in 1945 verkozen werd tot voorzitter van de lokale sectie van het Rode Kruis. Hij was de verantwoordelijke van 1 juli 1945 tot 1 september 1953. Op 1 november 1953 werd hij erevoorzitter.

De Ieperse Sectie werd gesticht in 1914, toen lessen voor ambulanciers georganiseerd werden en noodhospitalen ontstonden. Na de oorlog werd de vereniging zeer actief. Cursussen voor ambulanciers werden ingericht en de vereniging stond steeds ter beschikking voor ziektevervoer. Op 10 januari 1930 kreeg Voorzitter D'Huvettere zelfs toelating om de in 1927 aangeschafte 'automobiel' en het materiaal in het O.L.V.-Gasthuis te mogen plaatsen (1).Tijdens de mobilisatie van 1939 organiseerde de sectie op degelijke wijze het mobiel Militair Hulp-gasthuis nr. 27 in de Muziekschool (2).
Toen dit hospitaal naar Frankrijk geëvacueerd werd is de ganse equipe voorop gegaan met al het materiaal en de financies. Ook de directie was mee. De patiënten zijn daarna echter niet weggeraakt. De situatie was dringend. Daarom heeft Burgemeester Jan Van der Ghote op 19 mei 1940 het bestuur van de sectie overgenomen en het voorzitterschap waargenomen. Hij heeft het behouden tijdens de bezetting.

Onder zijn voorzitterschap bleef het Rode Kruis actief. Er werd geholpen bij het identificeren van oorlogsslachtoffers, er werd sociale hulp verleend en meegewerkt met 'Winterhulp'. Zeventien hulpposten werden opgericht om bij alarm vlug te kunnen optreden. Er werd zelfs hulp geboden bij een luchtaanval op Waasten.
Het was normaal dat de bezetter wel wat argwaan koesterde t.o.v. deze groep die toen 1655 werkende leden telde. Op zeker ogenblik werden de vergaderingen verboden.

Bij de bevrijding op 6 september 1944 hernam Van der Ghote zijn functie van burgemeester.
Aanstonds had hij, in samenwerking met de Britse overheid, een 'Allied Forces Club for Officers and all Ranks' opgericht. Hier werden militairen opgevangen door vrijwilligsters van de vereniging. De leiding berustte o. a. bij de zeer verdienstelijke Valère Petit. Hij was bediende bij de Bank van Brussel maar werd te dien einde voor twee jaar vrijgesteld van dienst.
Toen de Duitsers Antwerpen met V1 bommen bestookten, werd een toevluchtsoord voor vluchtelingen in de St.-Aloysiussclool van de D’Hondtstraat ingericht. Soms waren dit een tiental families tegelijk. Weer stond het Rode Kruis in voor de inschrijvingen, de ordehandhaving en de materiële opvang.

In 1945 liet de Burgemeester het voorzitterschap van het Rode Kruis over aan zijn schoonbroer Louis Ronse.
Onder diens voorzitterschap werd de oorlogsperiode afgesloten. Nu kon men zich opnieuw inzetten om "hulp te verlenen iedermaal dat door gebrek aan gezondheidsmaatregelen de gemeenschap door sociale rampen bedreigd wordt”.

Louis is gedurende zijn ganse leven in contact geweest met het Rode Kruis. Hij bezat een kaart met 'levenslang lidmaatschap'. Sinds 1924 ma akte hij deel uit van het organiserend comité. In dit jaar gaf hij reeds voordrachten in de scholen over tbc. Hij was immers ook spoedig lid geworden van het 'Comiteit van het Dispensarium'. Hij liet zich ook in met het 'Nationaal Werk voor Kinderwelzijn'. Hij regelde de zuigelingenconsultatie in het Hospitaal.
Officieel werd hij in maart 1940 geneesheer 2e klas. In augustus 1951 werd hij officier geneesheer 2e klas. Dit allemaal met de nodige eretekens, medailles, baretten en lintjes.

Als nieuwe voorzitter was hij vooral een man van de daad. Reeds vóór de oorlog en ook tijdens de bezetting had hij cursussen voor ambulanciers op touw gezet en dit was ook nu zijn bekommernis. Hij wilde zelfs een cursus voor een tweede jaar oprichten.
Iedere zondagmorgen gaf hij persoonlijk les over de theorie. Vanaf 1950 kon hij dit echter soms aan mij overlaten. Ik volgde toen aan de universiteit de kandidatuur geneeskunde. Hier heb ik waarschijnlijk door de ervaring van het lesgeven meer geleerd dan de leerlingen zelf. Deze waren nochtans meegaand en luisterden aandachtig.
Er werden ook praktische oefeningen op touw gezet. In die periode maakten de lokale en zelfs interregionale wedstrijden furore. Nu had men tenminste de vrijheid van verplaatsing. Louis was hiervan de supporter. Op een tornooi van de mobiele ploeg in West-Vlaanderen "hadden ze feitelijk gewonnen te Brugge. Roeselare haalde het echter omdat hun materiaal moderner was. Hierdoor kreeg Ieper slechts de derde plaats. Wij hadden de eersten moeten zijn". Om de leden te troosten heeft Louis de ploeg toen uitgenodigd in Hôtel Britanique "op zijn kosten. De andere voorzitters hadden dit nooit gedaan" (3).
Uiteindelijk was er ook de sociale opvang van zieken. Deze konden gebruikmaken van uitgeleend ziekenmateriaal: "beddingen, caoutchoucdoeken, bedpannen, spoelbussen, spalken, gaanstokken en verder al 't ziekenalaam" (4).

Het Rode Kruis stond ook in voor het vervoer van zieken, zowel voor het secundair als primair vervoer. Dit laatste - bij urgenties - was immers nog niet georganiseerd op nationaal niveau.
In die periode begon men ook met de inrichting van bloedcollectes op bepaalde dagen.
Uiteindelijk moesten steeds leden ‘preventieve zorg’ verlenen tijdens volksbijeenkomsten, zoals wielerwedstrijden, feesten met volktoeloop en manifestaties. Feitelijk was het Daniël Ronse die dit regelde. "Als Dokter Ronse iets wilde moest het uitgevoerd worden!".

Onder zijn voorzitterschap werd ook veel aandacht verleend aan de 'mobiele colonne'. Deze stond in voor de organisatie van hulp bij alarmsituaties. Het Ministerie drong aan opdat het Rode Kruis zou helpen "voor het alarm in cas van ramp of oorlog" (5). De 'koude oorlog' was toen nog volop aan de gang.

De werking van de lokale secties werd gedurende die periode nauwlettend gecontroleerd door het hoofdbestuur te Brussel. Dit beperkte zich niet tot het aanstellen van voorzitter en secretaris. Het bemoeide zich ook, soms teveel, met de werking.

Op de vergadering na het ontslag van Louis in september 1953 liet het weten "ieder zijn bepalende bevoegdheid te willen zien aanstellen". Hiervoor moest er niet alleen "een actieve ondervoorzitter zijn tot wanneer de voorzitter zijn eervolle ontslag genomen heeft". Er was meer: "Aangezien het secretariaat een zware taak is vraagt het aan de secretaris zich uitsluitend met dees laatste te willen bezighouden". De pas benoemde secretaris Petit liet daarop opmerken "dat hij het bestuur waargenomen heeft ten einde de afdeling nuttig te zijn maar dat hij sinds 1940 zich met het vormen en afleren van 't personeel bezighoudt en de zaak niet kan aannemen ofwel secretariaat en personeel of personeel alleen. Daar hij van dat werk zeer veel houdt en het personeel kent".

"De zaak blijft daarbij" schreef de nieuwe secretaris Petit maar Louis moest dan, twee vergaderingen later in maart 1954, de kolen uit het vuur rapen. "De Heer Ronse gaat verder tot het bekend maken van officieel benoeming van Petit tot secretaris der afdeling, Wenst hem hiervoor geluk maar gaat verders door met de verbloeming van zijn ambt, dat dees laatste vraagt aan de Heer Ronse waar hij komen wilt. Na eenige seconden maakt hij bekend dat het hoofdbestuur ook beslist heeft het secretariaat alleen uit te voeren en dus moet afzien van het onderricht van personeel. Petit weigert kordaat het secretariaat en wenst alleen bij het personeel te blijven en vraagt dus een ander persoon te willen aanduiden voor secretaris".

Iedereen was onthutst. "Na hevige en onaangename woordenwisseling tussen de leden" liet mobilisatieoverste de Cocq opmerken dat een aanvraag te Brussel ingediend werd om Mevrouw Petit te bevorderen tot 'officier' en dat dit haar echtgenoot in ‘t gedrang zou brengen. Hij wees er ook op dat de nieuwe secretaris alle kans tot promotie zou verliezen.
"Weder hevige woordenwisseling" waarop de nieuwe voorzitter tussenkwam. "Ik begrijp niet waarom U dat weigert. Petit antwoordt, omdat ik niet wil in 't nauw gedreven worden van nieuw ingekomen comitélid. Nogmaals hevige woorden waarin het rodekruiswerk van 1940 - hospitaal en bombardement - als niets aangezien wordt en een voorbije zaak is. Petit antwoordt dan: indien de zaken zo staan en de werking van ons personeel en vrouw en mijzelf, gedurende de noodlottige en gevaarlijke dagen van 1940 niet gewaardeerd wordt, geef ik mijn ontslag van secretaris, lid van het comité en werkend lid der afdeling Ieper".
Algemeene verstomming. Petit maakt zich gereed om de vergadering te verlaten". Daarop dreigde de mobilisatieoverste hetzelfde te doen, samen met zijn schoonmoeder, Mevrouw Van der Mersch.
Die laatste kwam dan gelukkig tussen en stelde voor de zaken tot rust te laten komen en de kwestie te verdagen. De Heer Petit aanvaardde dit en "na eenieder eerbiedig gegroet te hebben verlaat de vergadering" (6).

Men is op het probleem niet meer teruggekomen. De Heer Petit heeft verder met vaste hand zijn job uitgevoerd tot eenieders voldoening. Waarschijnlijk zal hij zich nog wel met de opleiding van het personeel ingelaten hebben.

Het hoofdbestuur te Brussel handelde dwaas door zich met de lokale werking bezig te houden. Het was zijn taak niet.

  1. Verslagboeken Commissie van Openbare Onderstand (OCMW).
  2. RK - Info. Maandelijks Tijdschrift. 1994, 8, p. 1,
  3. Verklaring Daniël Ronse.
  4. Tentoonstelling '80 jaar Rode Kruis te Ieper'. 10 en 11 september 1994.
  5. 'Verslagboek der vergaderingen van 't Comiteit voor Mobilisatie van 't Rode Kruis' 14.12.1953.
  6. Ibidem: maart 1954.
36

Op 20 mei 1945 werden de oorlogsjaren van het Rode Kruis te Ieper feestelijk afgesloten. Vooraan in de stoet stapte (links) de gevierde, burgemeester Jan Van der Ghote; deze bekwam het ereteken van eerste klas met zilveren baret en palmen 1940-1945. Rechts herkent men Dr. Louis Ronse. In de achtergrond onderscheidt men de praalwagen, die de burcht van Ieper voorstelde.

37

Vergadering van de Westvlaamse afdeling van ‘Hulp aan de Geallieerde Gebroken Vleugels, op 7 maart 1947 te Ieper. Vooraan staan o.m. provinciaal voorzitter Michel Van Poucke, Dr. Louis Ronse, secretaris Hector Van Hooft, adjunct-secretaris Fernard Ramoudt en penningmeester Lucien Desmul.

38

De inhuldiging van de rodekruisvlag te Ieper op 1 oktober 1967. Vooraan v.l.n.r. Albert Leire, Mevr. Lasoore, Mevr. Petit-Lamps, Mej. M.L. Staelens, Mej. Rolande Petit, Burgemeester Albert Dehem, Edgard Cardinael, Mevr. Van der Mersch, Dhr. Carlens, provinciaal afgevaardigde R.K., notaris Van den Bogaerde, tandarts Bouckaert, Marcel Bode, ?, Dr. Jos Deconinck, Mevr. Feria, Dr. Louis Ronse, Michel Boris, Jacques de Cock. Op de tweede rij o.m. René Dassonville, Marcel Ferla, Gilbert Seys. Op de derde rij, net voor de vlag, o.m. Françoise Van der Mersch, Nelly Huyghebaert en Josée Outtier.

39

Rodekruisdag te Roeselare. Derde van links, vooraan: Denise Van der Ghote; derde van links, achteraan: Dr. Louis Ronse.

Hoofdstuk 23

STEEDS AAN HET WERK

1. EXPERTISES

Dr. Ronse was heelmeester van 1920 tot 1962 in dienst van de Commissie van Openbare Onderstand. Daarom werd hij in maart 1961 gevierd op een speciale vergadering van de Commissie. In december 1969 schonk de stad Ieper hem de eremedaille.
Die vieringen betekenden niet het einde van zijn loopbaan. Tot veertien dagen vóór zijn dood is hij arts geweest. Nu waren het expertisegevallen die op consultatie kwamen. Kate typte dan de verslagen: een late roeping!
Zijn verslagen waren even origineel als in de periode toen hij over de vuilnisbakken sprong. "Het slachtoffer werd aangereden door de wagen. Hij draaide op zichzelf en werd over het voetpad geslingerd..."
Deze rapporten zijn aangenaam om lezen. Daarbij zijn ze ook wetenschappelijk uiterst onderlegd. Advocaat Lefere uit Ieper schrijft hem op 19 juni 1957: "Ik hou er van u geluk te wensen met uw verslag. Het doet me een buitengewoon genoegen vast te stellen dat in deze tijd van oppervlakkigheid er nog mensen zijn die hun vak op meesterlijke wijze beheersen".
Het moet gezegd dat het verslag waarvan sprake, gelezen wordt als een roman: "De ziekte van X situeert zich op zondag 20 maart 1955 wanneer de oom van betrokkene verklaart dat zijn neef toen klaagde over een pijnlijke furonkel op zijn zitvlak". Een zweer die eindigt met de dood!
Louis is in zijn betoog niet mals, onder andere voor Dr. Deschepper die het anatomisch-pathologisch onderzoek verrichtte. "Vraag het aan een student in de doctoraten", die zou de juiste diagnose wel gesteld hebben. "Dr.Deschepper toont een volledig gemis aan klinische zin en nog meer aan ernst". Louis citeerde daarbij twee wetenschappelijke referenties. Het expertiseverslag werd een wetenschappelijk artikel.
Hoeveel expertises heeft hij verricht? Wij hebben de kopieën niet geteld vooraleer ze weg te gooien. Hij had er echter genoeg om de tijd te vullen. Zijn zoon orthopedist heeft er na zijn dood moeten afwerken
Hij heeft dit werk zolang uitgeoefend omdat daarbij nooit veel haast vereist is. Het is aangenaam werken. De patiënt komt wanneer het de geneesheer past en die heeft de nodige tijd om alles te onderzoeken. Daarbij moet men op de hoogte blijven van de medische vooruitgang en dit lag helemaal in de lijn van onze arts. Hij was medicus in hart en nieren en is het gebleven tot het allerlaatste.

2. ORDE DER GENEESHEREN.

Er werd lang gedebatteerd over de noodzakelijkheid van een Orde der Geneesheren. Reeds in 1928 waren er wetsvoorstellen dienaangaande. Pas op 25 juli 1938 werd de Orde bij wet opgericht. Ze kon echter niet in werking treden. Eerst moesten nog de uitvoeringbesluiten genomen worden. Door de oorlog viel alles stil.

Tijdens de bezetting werd gepoogd het programma uit te bouwen. De Duitsers drongen aan op een artsenorganisatie. Reeds in juli 1940 werden voetstappen ondernomen. Het 'Algemeen Vlaams Geneesheren Verbond' had zich reeds lang ingezet voor de realisatie van de wet. Samen met de 'Féderation Médicale Belge' zou in het land één organisme gecreëerd worden.
Vanaf de aanvang liep het mis. Er was immers sinds lang een felle Vlaams-Franstalige strijd tussen de twee verenigingen. Het 'Algemeen Geneesheren Verbond' verkeerde in de onmogelijkheid vertegenwoordigers aan te duiden wegens onderlinge naijver en ruzies bij zijn leden.
De secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken besliste daarop dat de Raden samengesteld zouden worden zonder verkiezing, spijts de wet. Op 19 mei 1941 had secretaris-generaal Romsée een project klaar. Artsenpraktijk was slechts mogelijk zo men lid werd van de Orde.
Ook dit werd een blunder. De Leuvense Universiteit werkte tegen en te Brussel liep het ook mis. Uiteindelijk schreven de meeste geneesheren zich niet in. Konden ze verplicht worden? Volgens een advies van het Hof van Cassatie op 26 november 1941 kon dit wettelijk wel mits goedkeuring van het College van secretarissen-generaal. Dit was gebeurd.
Wegens de persoonlijke geschillen van de artsen kwam de werking zeer traag tot stand. Na aanstelling van de Provinciale Raden werden dan beslissingen genomen betreffende ereloon en erkenning van specialisten.
Hoe moest echter het toezicht door de tuchtraden gebeuren? In 1943 verscheen, mits toelating van de 'Militärverwaltung', een 'Codex van Geneeskundige Plichtenleer'. Bij dit alles kwam ook de delicate kwestie van de opeising van geneesheren door de Duitsers ter sprake. Daar kon de Orde zich niet aan onttrekken.
Na de bevrijding liep het proces van de betrokken artsen van 17 juni 1947 tot 16 december 1947. Allen werden zeer zwaar gestraft wegens 'collaboratie'. Zij hadden "met kwaad opzet de politiek van de vijand gediend" (1).

Eindelijk konden wettelijke besluiten nopens de Orde genomen worden. Het Besluit van de Regent op 3 april 1947 regelde de nodige modaliteiten. Op 13 juni 1947 werden bij de artsen verkiezingen gehouden voor de Provinciale Raden. Omdat de praktische aanpassing tijd vergde werd de volgende verkiezing in 1951 twee jaar uitgesteld, tot 20 april 1954.
Elke geneesheer is sindsdien verplicht zich aan te sluiten bij de Orde. Deze heeft rechtspersoonlijkheid en omvat een Nationale Raad, Provinciale Raden en Raden van Beroep. Deze raden hebben rechtsmacht over de geneesheren. Zij waken over de naleving van de medische plichtenleer en kunnen tuchtmaatregelen opleggen o.a. vermaning, tijdelijke en ook definitieve schorsing. Zij mogen ook onwettige uitoefening van de geneeskunde kenbaar maken aan de bevoegde overheid.
De leden van de Provinciale Raden worden om de vier jaar gekozen door de ingeschreven artsen (2).

Gezien de grote achting die Dr. Ronse genoot bij zijn collega's werd hij bij de eerste lichting verkozen tot lid van de Provinciale Raad van West-Vlaanderen. In 1947 was hij immers de grote figuur die niet onopgemerkt bleef. Er was niet alleen het directeurschap van het Hospitaal dat nu normaal verliep. De eretitels bij de Weerstand en het presidentschap van het Rode Kruis toonden het belang van het personage (3).

Die functie paste ook bij zijn levensopvatting. De geneeskunde moest op eerlijke wijze beoefend worden. Hij wilde hieraan meewerken.
Gedurende de periode dat Louis Ronse lid was moest echter nog veel geregeld worden. Het heeft wel wat lang geduurd vooraleer de Orde goed functioneerde. Zelfs de Hoge Raad moest zich nog situeren. Er werd bijvoorbeeld gedurende jaren niet vastgesteld of hij verplichtende regels kon uitschrijven. Dit zou pas op 26 maart 1952 gerechtelijk bepaald worden. Op 29 december 1947 besliste de Hoge Raad nog dat de geneesheer geen loontrekkende mocht zijn van een kliniek. Er werd ook besloten dat bij het begin van een praktijk benevens een bewijs voor goed gedrag en zeden er ook een 'bewijs van burgertrouw' moest voorgelegd worden (4). Dit was natuurlijk bedoeld voor de 'incivieke' artsen.

De vergaderingen van de Provinciale Raad West-Vlaanderen hadden plaats te Brugge, iedere laatste zondagnamiddag van de maand (5). Het is normaal dat het ook wat duurde vooraleer goed gewerkt kon worden. Er waren geen lokalen, er was geen secretariaat. Voorlopig werd een onderkomen gevonden bij de 'Provinciale Geneeskundige Commissie'. Ook moesten de financies nog geregeld worden. Er ontstond hierbij waarschijnlijk ook wat spanning aangezien het proces tegen de leden van de 'Oorlogsorde' duurde tot december 1947.
Bij de eerste vergadering op 26 juli 1947 te Brugge, was er ook nog geen magistraat-assessor. Die zou er pas één jaar later zijn. Dr. Glorieux van Brugge werd tot voorzitter benoemd, Dr. D'Hondt tot ondervoorzitter. Niemand wilde het secretariaat waarnemen. Daarom werd Dr. Rathé van Veurne aangesteld. Hij was immers de jongste collega. Er werd besloten het 'geldelijk overschot' van de 'Oorlogsorde' op te vragen. Ook werd er besproken welke houding men zou aannemen tegenover 'incivieke' dokters.
Op de vergadering van 7 maart 1948 was de magistraat-assessor aanwezig. Er werden toen besluiten genomen die nu nog gelden. Een erkenning als specialist was enkel mogelijk drie jaar na uitreiking van zijn diploma Men verbood patiënten in behandeling te nemen wanneer ze gevolgd werden door een ander arts. Men liet daarbij ook opmerken dat een home aan de kust als reclame 5% gaf aan de dokter die er zijn patiëntjes plaatste. Dit was fout. Uiteindelijk werd ook gesproken over dokters met twee consultatiekabinetten.
Op 10 oktober 1948 waren er 628 geneesheren ingeschreven op de 651 in de provincie. Eén wilde de bijdrage niet betalen en werd verwezen naar de Correctionele Rechtbank wegens onwettige uitoefening van de geneeskunde. In opdracht van de Hoge Raad moest men in december 1948 de lijst van de geneesherenspecialisten opstellen.
Louis Ronse heeft voldoende tijd gehad om zich in te werken. Feitelijk waren het steeds dezelfde problemen die aan bod kwamen.
Op 3 april 1951 nam men stelling betreffende gespreide activiteiten. Een tweede kabinet was steeds tijdelijk en werd pas toegelaten wanneer in de betrokken agglomeratie geen dergelijke specialiteit voorhanden was.
In de vergadering van 10 juni 1952 werd de assessor Gerniers gehuldigd bij zijn benoeming tot raadsheer bij het Hof van Beroep te Gent. Het was de gelegenheid om hem ervoor te danken dat hij de leden 'op bescheiden manier ingewijd had in het doolhof van de wetten en besluiten'. Voor Louis Ronse was het zekerlijk een goede initiatie.

Op 7 oktober 1952 werd nagegaan welke artsen een geneesmiddelendepot wensten te behouden. Het was soms moeilijk om hierin orde te scheppen.
Toen werden er 16 'overtreders' genoteerd. Die wilden hun bijdrage niet betalen. Dit zou blijven duren, zelfs tot op heden. Die collega's aanvaardden het controlesysteem niet. In ieder vergadering waren er steeds één of twee gevallen in onderzoek. Als straf werd dan steeds de schorsing gebruikt.
De Raad van 3 maart 1953 bracht de verantwoordelijkheid ter sprake van de geneesheer bij het toedienen van geneesmiddelen door zijn helpers. Aanleiding was een verkeerde inspuiting van insuline.

Op 20 april 1954 kwam een nieuwe Raad in werking. Dr. Ronse werd wel niet herkozen maar voor hem was dit toch een boeiend experiment geweest.
De Ieperlingen lieten de plaats over aan Dr. Gaston Cousein, aan Dr. Gabriël Deroo en Dr. William Grimmelprez. In 1958 zouden het Dr. André Dochy, Dr. Willem Dubrulle en Dr. Paul Vantomme zijn. Dokters Dubrulle en Vantomme zouden in 1965 aanblijven, samen met Dr. Oscar Pauwelijn.
Er volgden daarop enkele woelige jaren. Op 9 augustus 1963 kwam de wet Leburton tot stand, met een harde doktersstaking tot gevolg. Die wilde o.a. het honorarium regelen maar moest wegens het groot protest geamendeerd worden.

  1. R. Deberdt: Orde van Geneesheren tijdens WO II. in: Provinciale Raad van West-Vlaanderen. Orde der Geneesheren.
  2. Vijftig jaar Wet tot oprichting van de Orde der Geneesheren. in: Tijdschrift Nationale Raad van de Orde der Geneesheren. 1988, nr.41.
  3. De twee andere leden van het arrondissement Ieper waren Dr. Jozef Van Walleghem en Dr. Henri D'Hondt.
  4. De 'incivieke' artsen konden deze getuigschriften niet voorleggen. Dit heeft nochtans geen gevolgen had. Het is de inschrijving bij de Orde die de artsenpraktijk automatisch toelaat. Wel hebben enkele 'incivieke' artsen wel moeilijkheden ondervonden. Zij werden uit hun functie in ziekenhuizen ontheven. In relatieve stilte konden ze echter na een zekere tijd elders hun werk hernemen.
  5. R. Deberdt: 50 jaar Raad van de Orde van Geneesheren in West- Vlaanderen. in: Provinciale Raad van West-Vlaanderen. Orde der Geneesheren. 1989, 29 p. 8-51.

3. KERKMEESTER

Op het vroeger kerkhof van St.-Pieter staan zeven kapelletjes. Zij stellen de weeën van Maria voor. Niets te maken met haar barensweeën. In het Frans is het duidelijker. Het zijn de zeven 'souffrances de la Vièrge'.
De eerste zijn de gezegden van priester Simeon bij de besnijdenis van het kind. Hij voorspelt ongelukken en miserie. Dat doet men toch niet bij een soortgelijk feest!
De tweede is de vlucht naar Egypte. Akkoord. Ik ook ben nog gevlucht. Het was naar Boezinge. Geen aangename herinnering! Wegens de beschieting moest ik me op de grond werpen en de keten van mijn fiets schoot los. Daarop zat ik voortdurend met de schrik dat ik niet mee zou kunnen, mocht men verder trekken per fiets. Gelukkig bleven we braaf de vluchtelingenprocessie volgen.
De derde smart van Maria: bij een tocht naar Jeruzalem geraakt ze haar zoontje kwijt. Natuurlijk beangstigend en gevaarlijk! Dergelijk voorval heb ik gekend te Brugge. De werkvrouw dacht dat de kleine de Crombrugghe bij moeder was en die was van mening dat de werkvrouw ervoor zorgde. De kleine vertoefde echter in de kasteelvijver!

De vier volgende smarten zijn echter zeer ernstig. Het betreft de ontmoeting op de kruisweg, het staan bij het kruis, de ontvangst van de gestorvene en de graflegging. Feitelijk vormen ze maar één geheel. Men heeft er vier van gemaakt om het heilig getal zeven te bekomen.
Er wordt verteld dat Louis soms die soort 'kruisweg' volgde wanneer hij een gewaagde operatie zou ondernemen. Deze monumentjes staan bij de kliniek van de Zwarte Zusters. Het kon dus zeer vlug, zonder veel moeite.
Dit wijst wel op een zeer eenvoudig maar ook diep geloof. Voor ons lijkt dit alles wel wat naïef maar in die tijd was men gewoon aan bedevaarten, stoeten en processies. Uiterlijke manifestaties van godsdienstbelevenis waren steeds belangrijk.
Kijk naar de foto van de privaataudiëntie van Louis met het gezin van zijn oudste zoon bij Paus Roncali: Louis houdt een paternoster in de hand; zelfs dit bezoek is voor hem als een bedegang.
Op het ogenblik van de ziekte van haar man zuchtte Kate: "J'ai toujours regretté de ne pas avoir eu la foi profonde que les Ronse de Gand avaient". Louis behoorde tot 'die van Gent'. Gans zijn leven heeft hij de fakkel van de Kerk hoog gehouden.
Voor wat betreft zijn beroep was hij zeer strikt. Het is normaal dat hij verkozen werd als Bestuurslid van de Orde van Geneesheren. Problemen betreffende euthanasie of abortus bestonden niet voor hem. Men had de voorschriften maar te volgen. Het geloof gaf een gemakkelijke oplossing voor alles.
Het aanvaarden van het kerkmeesterschap van de Kerkfabriek van de St.- Jacobskerk was dus een evidentie. Hierin volgde hij ten andere het voorbeeld van zijn vader, kerkmeester van St.-Coleta te Gent en van zijn grootvader op de St.-Niklaasparochie te Veurne.
Hij werd verkozen op 2 april 1939. Zijn ziekte van december 1937 had dus zijn sociale invloed niet verminderd. Hij verving Cyrille Lemahieu, gestorven op 5 maart 1939 en voegde zich bij Jozef Donck, gewoon lid, en het driemanschap Ernest Seys, Eugène Biebuyck en Germain Berghman. Volgens de wet moesten steeds drie leden het 'Bestuur' vormen, een soort 'Dagelijks Bestuur'.
Het jaar na zijn benoeming deed er zich voor de St.-Jacobskerk een belangrijk feit voor. Bij KB van 10 februari 1940 - aangevuld door het Regentsbesluit van 2 juli 1949 en van 1 juli 1952 - werd dit gebouw als beschermd monument erkend. Dit had nog een belangrijker gevolg: een deel van de uitgaven voor de kerkverwarming werd terugbetaald.
Zijn kerkmeesterschap begon in feite met de oorlog. Die veroorzaakte geen speciale geldproblemen. "De ontvangsten van de kerk stijgen. De Raad is van oordeel dat het ogenblik gunstig is om aan de bediende der kerk een tegemoetkoming toe te staan ingevolge de duurte van het leven".
Reeds in juni 1941 haalde men de oorlogsschade aan. "De werken die de kerkfabriek heeft doen uitvoeren op bevel van het Commissariaat voor Oorlogsschade en genoodzaakt ingevolge de besluiten van de stad tijdens de oorlogsdagen van mei 1940, zijn thans goed vooruitgegaan. E.H.Pastoor dringt aan opdat de tegels die gebroken zijn in den vloer van de kerk, zouden vervangen worden daar ervan groote ongelukken bestaan door den huidigen toestand". Vooral echter moesten de brandvensters vervangen en de daken nagezien worden.

Er werden in april 1944 voorzorgen genomen tegen de nakende bevrijding. "E.H. Pastoor deelt mede dat hij aan de bevolking gehuisvest bij de kerk, toegestaan heeft zich in de kelder van de kerk te verschuilen bij alarm of bombardement".
Wel werden de klokken geroofd door de bezetter. Op de eerste zondag van oktober 1945 - de juiste datum werd bijna nooit gebruikt: alles werd gedagtekend met zondag, echt ouderwets! - kwamen ze ter sprake. "Mijnheer de Voorzitter drukt het algemeen genoegen uit van den Kerkraad nopens den terugkeer van de klokken en wenscht den E.H. Pastoor proficiat dat hij de eerste is geweest in Yper die de klokken heeft doen terugkeren in zijn kerktoren".
Dit waren problemen uit de tweede wereldoorlog. De oorlogsschade 1914- 18 was echter nog niet vereffend. Er ontstonden op de eerste zondag van april 1944 hierover "moeilijkheden met Mijnheer Verbeke, Commissaris van oorlogsschade". Op de eerste zondag van januari 1947 werd de zaak voor de 'Rechtbank van Oorlogsschade' gebracht en vroeg men uitstel "om elementen te verzamelen". De zaak werd dan definitief opgelost op 6 juli 1947.
Niet alles betreffende die oorlog kwam verkeerd uit. Op de eerste zondag van januari 1958: "Er werd klacht ingediend bij den Procureur des Konings te Yper voor de verdwijning uit de kerk van een zilveren kelk tijdens de oorlog 1914-18. De kelk werd opgespoord bij een antiquair in Brussel. Deze klacht zonder gevolg gebleven zijnde zal er naar de middels worden uitgezien om er toch in het bezit van te komen. Indien mogelijk zal een toelage gevraagd worden aan de stad om den kelk af te kopen van den antiquair die hem thuis in bezit heeft".
In maart 1964 zou nog een kelk terechtkomen. "Een kelk is gekomen uit Engeland, teruggegeven bij wege van het stadsbestuur".

Louis Ronse zou werken met vier pastoors. De eerste, pastoor Delanote, was nog van de oude stempel. Zijn lotgevallen op de parochie zijn niet bekend. Hij zou immers geen 'Liber Memorialis' geschreven hebben. Wel verzamelde hij, evenals zijn opvolgers, dagbladknipsels nopens activiteiten van parochianen en de afgestorvenen.
Pastoor Delanote zou sterven op 19 februari 1947. "... Toen hij niettegenstaande den zeer guren wintertij, een asschewoensdag Kruiske was gaan geven aan de kinderen der St. Jozefschool op den Kalfvaart; daar gekomen in den vroegen voormiddag voelde hij zich onpasselijk en bezweek na kortstondige doodsangst, versterkt nochtans door de troostmiddelen van Onze Moeder de Heilige Kerk...".
Delanote werd op 23 april 1947 opgevolgd door Pastoor Dewaele. Dit was wel een energiek persoon die veel aandacht had voor het materiële. Steeds nam hij nieuwe initiatieven. In het jaar van zijn installatie liet hij de achterkeuken van de pastorij vernieuwen. In 1954 zou de pastorij en onderpastorij aangepakt worden en in hetzelfde jaar "wordt besloten de drie huizen met de sacristie te schilderen met twee couchen verwe".
Het bleef hier niet bij. Hij heeft enorm veel initiatieven genomen om in de kerk ornamenten aan te brengen. Met artistieke ambities, gedroeg hij zich bijna als conservator van een museum. Bij de aanvang was hij hierin bescheiden maar weldra werd het de voornaamste inzet van zijn pastoraal. Hij kon beschikken over het geld van de oorlogsschade 1914-18 en vulde zijn kerk met tapijten, schilderijen en beelden.

In 1947 zou hij het meubilair van de sacristie aanpassen opdat bij het opbergen geen sleet van de mooie gewaden zou ontstaan. Ook zou er aanstonds "uitgezien worden met het oog op een tapijt, een loper, voor het hoogaltaar".
Het werd ernstig toen een beeld van 2,50 m besteld werd dat de grootte van zijn ambities evenaarde. Het stelde de Gelukzalige Margareta van Ieper voor, een non uit de middeleeuwen, een lokale beroemdheid. Was haar klooster gesitueerd op de parochie?
Het plaasteren beeld werd besteld bij Deraedt; dit was een Ieperse beeldhouwer die de benen van zijn beelden steeds wat te kort maakte maar dat is een detail!
Het beeld werd in de kerk de pendant van de Heilige Apollonia, gespecialiseerd in tandkwalen. Er werden daarom twee identieke stenen voetstukken besteld.
De pastoor wilde de devotie van die Margareta promoveren. In de jaarlijkse processie verscheen een nieuwe groep. Mijn zuster Cécile speelde er, in dominicanes verkleed, de hoofdrol. Wanneer ze plechtig door de volkrijke buurt van de Kalfvaart stapte werd ze door kwajongens nageroepen als 'valse nonne'.
Naast St.-Margareta was er nog een tweede groep, ook leenbezit van de Ronses: de groep van St.-Hubertus - mijn naamgenoot - waarin buurman Karel Gadeyne de hoofdrol speelde. Hij droeg een kruisboog en had een hond bij. Mijn broer Edward met een opgevulde fazant en ikzelf met een reebokkop waren de pages. Allen in pseudo-middeleeuws Lodewijk XIV-kostuum. Moeder had de pagekledij gekocht. Zo ontsnapten haar telgen aan het drummen bij de kleding vóór de processie en bleef zij er vooral de baas over.
Ook de pastoor liet nieuwe gewaden en zelfs een nieuw baldakijn voor de processie aankopen.
Nog iets nieuws in 1953 maar toch reeds voorbijgestreefd: "Aan de kerkbaljuw wordt een dienstkostuum toegestaan". Tot dan was er in de kerk geen zodanig folkloristisch personage aanwezig.
Om in het antieke te blijven kwam er een bestelling van necrologische platen van de families die vroeger de parochie bewoonden. "Dit zou een schoon en gepast sieraad uitmaken".
In januari 1950 werd een nieuw tapijt van 26 m aangekocht voor 9000 fr. Dezelfde dag werd beslist "daar er werd geklaagd omdat voor de kleine diensten de lijkkist op den kerkvloer wordt geplaatst zonder meer, zal worden voor gelijk welken dienst de catafalque worden gebezigd. Deze zal moeten hersteld worden waarvan kost 1000 fr.".
In 1952 werden drie beelden, de Heilige Petrus, Andreas en Joannes, "teruggevonden. Een naamloze neemt op zich deze beelden te doen herstellen op zijn kosten".
In februari 1952 "werd beslist prijs te vragen voor het herstellen der doekschilderijen in de kerk" en in juli 1953 ging de pastoor met de Heer Berghman naar het museum van Antwerpen. Twee schilderijen zouden aan de kerk uitgeleend worden.
In 1954 werd een monument geplaatst achter in de kerk. "De familie de Lichtervelde - een van de oudste families van het land - gaat akkoord voor een gedenkplaat ter nagedachtenis hunner voorzaten". De Ieperse architect Jan Gits voerde het uit.
Juffrouw Keignaert de Gheluveld zou dit voorbeeld volgen. Het was een oude 'jonge dochter', laatste telg uit haar familie. De plaatsing zou wat tijd vergen. Het project moest enkele malen besproken worden. De onthulling gebeurde in april 1962.

In maart 1964 zou een necrologische plaat geschonken worden door de familie Iweins d'Eeckhoutte. Zij werd gehangen in het koor 'bij het brandglas van de familie'.
Pastoor Dewaele wist van geen ophouden. Een beeld met de drie pestheiligen, die zich ook inzetten voor psychiatrische patiënten, Julianus, Hubertus en Adrianus, werd geplaatst in de linker zijbeuk. Dit was vlakbij de rij stoelen die het gezin Ronse zich reserveerde voor de zondagsmis; zo stonden wij nu onder bescherming van mijn patroon.
Er werden ook bij een beeldsnijder ergens te Wervik twee houten beelden gekocht: Sint-Augustinus en Sint-Christoffel. Zij werden opgehangen gans vooraan in dezelfde zijbeuk.
In de Raad van 15 april 1954: "Het beeld van St.-Christoffel zal gereed zijn met 1 mei, dag dewelke de inhuldiging zal plaats hebben en de wijding der auto's, velo's enz. Ter dien gelegenheid zal E.H. Pastoor den preek houden".
Men was mee met zijn tijd. Op de eerste zondag van oktober 1951 werd reeds beslist dat "de velo's zullen kosteloos mogen geplaatst worden achter in de kerk".
Er werd er wel veel gesjouwd met stoelen. Was het om de gelovigen de gelegenheid te geven deze ornamenten te bewonderen? Nu eens stond dit meubilair vooral achteraan, dan eens in de zijbeuken. Ook had je er de houtworm in. Dit leverde aan de stoelzetters steeds veel werk op. "Er zal hen meer nauwkeurigheid gevraagd worden op hun werk in de kerk: zetten der stoelen, afname van stof enz.". Iets nieuws in oktober 1951: 'standstoelen' - dit zijn privé stoelen waar enkel de eigenaar mag op zitten - mochten nu niet meer in de hoofdbeuk staan.
Dit kwam ter sprake toen de bisschop het stoelgeld verhoogde; dit lokte ten andere felle kritiek uit. Nu moest men 0,50 fr. betalen, de kinderen 0,25 fr. 20 % ging naar de 'stoeltjeszetter'. Men zou er 60 fr. per jaar voor vragen in plaats van 40. Wanneer je er twee plaatste was de prijs 80 fr. - dit dan voor echtgenoten.

Dit alles gebeurde onder het bestuur van Dewaele. Het was nog de oude tijd! In 1959 was Pastoor Dewaele nog present; in 1960 volgde Maeyens hem op. De nieuwe pastoor had echter de energie van zijn voorganger niet. In januari 1964 vroeg hij reeds ontslag wegens gezondheidsredenen en werd directeur van de Zusters der Goddelijke Voorzienigheid. Hij moest niet ver verhuizen. Dit klooster ligt vlak naast de kerk.
Gheysens, onderpastoor te Wervik werd op 19 januari 1964 als nieuwe pastoor ingehuldigd. Hij bleef pastoor tot na de dood van Louis. Deze pastoor wist ook van aanpakken maar het betrof vooral noodzakelijke aanpassingen van de gebouwen. Beslissingen nemen schrikte hem niet af.

Louis Ronse zou de grote veranderingen van de religieuze praktijk in de jaren zestig meemaken.
Toen hij de functie aanvaardde heerste er een furie om overal kerken bij te bouwen. Er werd geen rekening gehouden met de toename van wagens en in alle wat afgelegen hoeken werd er gebouwd.
De bisschop stelde voor om te Ieper een 'hulpkerk' op te richten buiten de Menenpoort tussen de Drie Zottenstraat, de Zonnebeekseweg en de Brugseweg. Het zou niet veel moeilijkheden opleveren want hier bezat de Commissie van Openbare Onderstand landerijen. Het gemeentebestuur was ook katholiek. De Kerkraad betuigde zijn instemming op de eerste zondag van juli 1957.

Het verliep nochtans niet zo gemakkelijk. Op de eerste zondag van januari 1969 was men nog geen stap verder en werd er weer over gesproken. Er zou uiteindelijk niets van in huis komen.
Wel werd een parking aangelegd op het vroegere kerkhof. Hij verving als het ware de niet gebouwde kerk. Op 12 oktober 1963 ging de gemeenteraad ermee akkoord. De kerkfabriek zou het project echter pas op 12 juli 1964 goedkeuren. De stad wilde teveel bomen verwijderen en de leden betreurden het verdwijnen van het groen. Op 12 augustus 1967 zou men ook plaveien rond de kerk leggen. Men zou dan ook voor rozenplanten zorgen.

Spijts de bouw van nieuwe kerken minderde het aantal kerkgangers voortdurend. Vanaf 1954 zou Pastoor Dewaele niets nieuws meer kopen. Alles zou zo triomfalistisch niet meer zijn. Vanaf zijn opvolger Mayens zouden de pastoors het rustiger moeten doen.
Eerst werden uiterlijke manifestaties van de godsdienst afgeschaft. In 1947 bemerkte men nog niets. De inhuldiging van Pastoor Dewaele op 4 mei gebeurde zoals gebruikelijk. Op 23 april had de Kerkfabriek hiervoor de nodige schikkingen getroffen in aanwezigheid van onderpastoor Verbeke.
De gevierde zou met de taxi Devos afgehaald worden bij de Deken Verhaeghe. Beiden werden dan ontvangen ten huize van de voorzitter Ernest Seys waar de kerkmeesters zich bij hen vervoegden.
Hier werd de stoet gevormd. Enkele groepen die normaal in de processie voorkwamen werden opgetrommeld. Er was de Rozenkransgroep met het beeld, gered door ingenieur Van der Ghote in maart 1915. Dit werd gedragen door zusters, waarschijnlijk die van de Goddelijke Voorzienigheid. Ook de Sint- Jacobsgroep stapte op: een verklede apostel met de nodige pelgrims en engelen. Daarop volgden studenten van het College en alle parochiale verenigingen: de 'Heilige-Hartebond', de Katholieke Studenten Actiegroep, de Boerenjeugdbond enz. maar vooral ook de muziekkapel.
De stoet volgde de Sint-Jacobstraat, de Moscoustraat, de Aalmoezenierstraat, het Guido Gezelleplein achter de kerk, daarop de Bollingstraat, de Meensestraat en weer de St.-Jacobstraat. In de kerk werd het 'gelegenheidssermoen' gehouden door de deken. Er was veel belangstelling. "Bij de installatie zijn wel de blijken van oprechte genegenheid vanwege de talrijke inwoners van Bovekerke, gekomen naar Yper om afscheid te nemen".
De inhuldiging van Maeyens, de opvolger van Dewaele, zal in 1960 wel eenvoudiger geweest zijn. In de Kerkfabriekraad werd er niet over gesproken.
Bij de inhuldiging van Gheyssens op 19 januari 1964 was het gedaan met feesten: "Na de solemnele hoogmis te 16 u. 30 door de nieuwe pastoor, is er ontvangst in het St.-Vincentiuscollege". Basta!

Andere publieke manifestaties gingen ook achteruit. De jaarlijkse processies werden afgeschaft.
Op de Kerkfabriek van 2 april 1961, onder leiding van Maeyens, werd het feit besproken dat de 'Tuindagprocessie' niet was uitgegaan in augustus 1960. "De Heer Voorzitter drukt er zijn spijt over uit en de wensch dat de processie weerom zou uitgaan. Deze zienswijze wordt door al de leden bijgestaan. Sedert 1382 is de Tuinprocessie omzeggens ononderbroken telkenjare uitgegaan in augusti maand". Er zou een delegatie naar de deken trekken.

In juli 1963 zou pastoor Maeyens de Rozenkransprocessie echter ook niet meer laten uitgaan in de namiddag. Zij werd verplaatst naar de voormiddag na de Hoogmis. Waarschijnlijk niet meer met gekostumeerde groepen.
Ook het parochieleven nam af. Steeds minder volk in de kerk! Onder pastoor Maeyens op de 1e zondag van juli 1961: "Na bestatiging dat het aantal gezongen missen zeer is verminderd, meebrengend een vermindering van de koster in zijn casuaal, stelt voor den toestand te verbeteren met betaling van 3 fr. ieder keer dat er een vreemde priester mis leest in St.- Jacobs. Deze wordt geplaatst op 6 fr.".
In 1954 kocht Pastoor Dewaele zijn St. Christoffelbeeld. Op 1 juli 1962 schreef men echter: "Daar er wordt bestatigd dat er van langsom minder auto's komen naar de wijding - iedereen wil nu voetbal kijken - zal toekomende jaar de noodige reclame worden gemaakt". Dit gebeurt ook tijdens het bestuur van Maeyens.
Toch waren er die de moed er in hielden. In juli 1963 herdacht men dat Juffrouw Dael 25 jaar het zangkoor leidde. Dit moest gevierd! Er werd aan de staat een ereteken gevraagd. Weigering! De juffrouw was onderwijzeres en haar 25 jaar dienst zou ook gevierd worden. Twee decoraties dragen is moeilijk. Onderpastoor Verbeke redde de situatie. Hij bekwam het ereteken. In de notulen staat niet dat het de 'Pro Ecclesia et Pontifice' was. Een versiersel dat gemakkelijk bekomen wordt.
Dit zangkoor zou steeds uitstekend zijn. Op 5 juli 1970 mocht de kerkfabriek 5000 fr. inschrijven bij de gewone ontvangsten. "Dit op verzoek van de Hr. Burgemeester van Ieper - Dehem - die bij deze de culturele prestaties van het zangkoor groter mogelijkheden wenst te verlenen".
De kerkraad zou hem dankbaar blijven. Op 23 december 1972 werden hem gelukwensen gestuurd "bij gelegenheid van zijn 25-jarig ambtsjubileum als schepen en burgemeester".

De jaren gingen rustig voorbij. Ondertussen werd het aantal kerkheren gebracht op negen. Normaal voor een belangrijke parochie. Weldra zou nochtans bij de benoeming van kerkmeesters, een bom ontploffen.
De drie bestuursleden deden het goed. Zij vormden uiteindelijk de steunpilaar van de raad. Ernest Seys was eigenaar van een lintenweverij, Germain Berghman was advocaat en schepen, Eugène Biebuyck ingenieur Alle drie behoorden tot de grote bourgeoisie - 'tout comme il faut'. Biebuyck werd ten andere na de oorlog geadeld.
Regelmatig moest gestemd worden voor de functies in het bestuur, sinds jaren steeds met hetzelfde resultaat. Seys werd voorzitter met drie op drie stemmen, Berghman secretaris met drie stemmen op drie en Biebuyck schatbewaarder ook met drie op drie.
Ongelukkig overleed Biebuyck op 15 juni 1966. De voorzitter dacht op de begrafenis de lijkrede uit te spreken maar de familie verkoos dat dit in de raad van de kerkfabriek zou gebeuren en ook geacteerd zou worden.
Op zondag 27 juli kon de voorzitter zijn speech voorlezen: "Noch bloemen noch kransen, zegt de ganse familie van de afgestorvene, Mijnheer Eugène Biebuyck. Wij leggen ons bij de wens van de familie neder. Maar het zou ons toch wel toegestaan zijn een afscheidsgroet te brengen aan ons zoo verdienstelijk en nooit voldoende geprezen medelid, die niet geaarzeld heeft de zware taak van schatbewaarder op zich te nemen na de eerste wereldoorlog, wanneer noch schatten, noch eigendommen, noch kerk zelfs meer bestonden; en die de taak van de heropbouw vervuld heeft tot eenieders voldoening.

47 jaar heeft hij de kerk ten dienste gestaan; 4 pastoors heeft hij bijgestaan; 47 jaar heeft hij de kerk geholpen, er voor gestreden en geijverd, werkelijk tot de laatste dag van zijn leven... Wij verzekeren dat wij van de dierbare afgestorvene het aandenken bewaren van een mens doordrongen van edelmoedigheid en opofferingsgeest en zelfverloochening."
Na deze ontroerende woorden kwam echter het voornaamste. "Vervolgens stelt de heer voorzitter voor over te gaan tot het benoemen van een nieuwe schatbewaarder". De twee resterende bestuursleden hadden hun kandidaat. Mijnheer de Lantsheere - ook van adel - zou kunnen raadsheer en schatbewaarder worden.
'Mijnheer' Dochy aan wie onlangs die taak voorgesteld werd, had geantwoord "dat hij de bekwaamheid niet had om die plaats te vervullen". Tot verwondering van eenieder verklaarde hij nu zich toch kandidaat te stellen - blijkbaar had hij een snelcursus gevolgd, waarschijnlijk bij de pastoor.
Er werd daarop gestemd, nadat de pastoor onderlijnd had dat men voor zichzelf mocht stemmen. De uitslag: Dochy 4, de Lantsheere 3, blanco 1. "Dochy is dus gestemd". Daarop werd overgegaan tot de keuze van een nieuw raadslid.
De voorzitter liet eerst opmerken dat de Lantsheere de schoonzoon was van Biebuyck "welke aan de Kerkfabriek groote diensten bewezen heeft". De pastoor had echter ook zijn kandidaat: "Mijnheer Vanhove heeft twee minderjarige 'zoons' die altijd ten dienste staan om de geldinzamelingen gedurende de diensten te doen".
Er werd gestemd: Vanhove 5, de Lantsheere 3. "Mijnheer Vanhove is dus lid van de raad". Een promotie dank zij het ijverig werken van zijn kinderen - gelukkige vader!
Niet iedereen was echter zo gelukkig. "Daarop neemt de heer voorzitter het woord zeggende: 'Gij hebt nu tweemaal gestemd. Stem nu een derde maal 't zij voor een nieuwe voorzitter. Ik geef mijn ontslag van voorzitter en raadslid'. Daarop verlaat hij de zaal".
Ook Berghman wilde niet verder secretaris noch raadslid blijven "en hij ook verlaat de vergadering".
Er viel niets meer te doen. De vergadering werd gesloten 'faute de combattants'.
De pastoor en de zeven aanwezige raadsleden - de zoon Six was immers verontschuldigd - hebben nadien nochtans het verslag getekend, dus ook de ontslagnemenden. Iemand is bij hen gaan aanbellen. Niet plezierig! Het was echter de pastoor. Heel zeker heeft hij gepleit opdat zij zouden aanblijven.

Eén maand later, op maandag 29 augustus, werd dan een buitengewone vergadering van de kerkfabiekraad gehouden "met goedkeuring van Mgr. de Bisschop". Men was dus hoger gegaan. De samenkomst ving aan te 19 u. met een gebed en werd om 21 u. gesloten insgelijks met een gebedje. De Heilige Geest zou dus de leden verder bijstaan. Het waren de pastoor, de nieuwe schatbewaarder Remi Dochy, Dr.Ronse, Kamiel Declercq, het nieuw lid Marcel Vanhove, Jan Perneel en Henri Vandenberghe. Guy Six was afwezig.
Er werd natuurlijk gepraat over de vorige vergadering. De pastoor sprak over zijn bezoek aan de twee ontslagnemenden en las hun ontslagbrieven voor.

Vandenberghe verklaarde echter 'pijnlijk getroffen' geweest te zijn. In het verslag werd niet vermeld dat hij ermee gedreigd had ontslag te nemen zo de Lantsheere niet verkozen werd. Pastoor Gheysens antwoordde dat hiermee geen rekening moest gehouden worden. De Heer Vandenberghe was immers lid en kon zelf beslissen over zijn eventueel ontslag. Dit zou ten andere de uitslag niet beïnvloed hebben.
Kamiel Declercq meldde daarop dat ook Guy Six gesproken had over ontslag.
Gezien al die donderwolken stelde de pastoor de vraag of men zou doorzetten of zo het niet beter was alles gedurende een paar weken te laten rusten. Er werd weer gestemd: 5 voor het verder zetten, 2 voor het wachten.
Dus mocht men daarop de twee nieuwe leden van het bestuur kiezen. Louis Ronse was de tweede oudste na Dochy. Hij had zich daarbij niet verbrand. Hij haalde alle stemmen van de zeven als voorzitter. Jan Preneel volgde met evenveel stemmen als secretaris.

Vervolgens zou het bestuur van de kerkfabriek op de eerste zondag van oktober vergaderen met hun drietjes. Geen problemen. Allen werden gekozen met drie stemmen op de drie: Louis Ronse voorzitter, Remi Dochy penningmeester, Jan Preneel secretaris.
Ondertussen had Vandenberghe op de kerkraad van 2 september ook zijn ontslag ingediend, nagevolgd door Guy Six.
Nu had alle Franssprekende hogere bourgeoisie zich teruggetrokken. De energieke pastoor had vrije armslag. Louis werd voorzitter dank zij een paleisrevolutie. Hij kon het rustig doen, bijna als een vadsige Merovingerkoning. Hij had immers een uitstekende hofmeier. Het was de pastoor die nu elk initiatief zou nemen. Zo zou hij op 4 januari 1970 op zijn eentje, de Bestendig Afgevaardigde Storme ontmoeten voor bespreking van de verwarmingsinstallatie.
Ook Dochy mocht tevreden zijn. Hij kreeg goede hulp van zijn pastoor. Van nu af zouden de notulen van de kerkraadvergaderingen financiële gegevens bevatten. Zij werden dus publiek besproken. Voordien moest je die meestal opzoeken in de begroting- en rekeningregisters.
Dochy wilde echter niet belachelijk gemaakt worden. Op de kerkfabriekraad van 2 december protesteerde hij tegen het feit dat secretaris Berghman in zijn verslag schreef dat "Dochy geweigerd had op te treden als schatbewaarder". Hij had dit enkel gezegd aan Ernest Seys toen deze hem opbelde vóór de verkiezing - waarschijnlijk om zijn kandidaat aan te bevelen. Wat men persoonlijk zegde in de telefoon kon niet aangezien worden als een definitieve beslissing. Waarvan akte.
De pastoor wilde niet meer op het verleden terugkomen. Aanstonds bracht hij een ander probleem naar voor. De twee onderpastoors zouden elk een garage willen. Daarop werd de samenkomst beëindigd.

Zo zou het verder gaan. Religieuze versiering kwam echter niet meer aan bod, ook geen innovaties betreffende de eredienst. In 1967 moesten de trapgevels en in 1968 de gevels van de pastorij en de twee onderpastorijen hersteld worden. Dubbel glas werd in 1968 aangebracht langs de noordelijke- en oostelijke kant van de kerk om beter de warmte te behouden. In hetzelfde jaar werden nieuwe 'sneeuwplanken in de tussengoten' aan de noordzijde geplaatst. De 'eigendommen' van de kerkfabriek werden in 1969 geschilderd. Het traptorentje en zijn dak werden hersteld in 1972.

De centrale verwarming van de pastorij en onderpastorijen alsook het sanitair werd in 1971 aangepakt. Vooral de nieuwe centrale verwarming van de kerk eiste veel werk "Het blijkt dat er een tijd zal komen dat de kerkgaande gelovigen een aangepaste verwarming zodanig noodzakelijk zullen achten dat ze bij gebreke ervan de parochiekerk de rug zullen toekeren om in het beste geval in een beter verzorgde kerk hun plichten te vervullen".
De pastoor werkte eraan met veel ijver. Er werd over gesproken in tal van vergaderingen. Op 12 januari 1967 kwam het aan bod, daarna op 7 juli 1968, 5 januari 1969, 4 januari 1970 - de plannen werden dan aanvaard - 27 november 1971 en eindelijk 2 januari 1972 waarop de werken uitgevoerd werden.
Voor de archeologische opzoekingen die in de kerk verricht werden had de pastoor zich niet moeten inzetten. Luc Devliegher van de Provinciale Commissie voor Monumentenzorg zocht op 2 januari 1972 naar de fundamenten van de eerste Romaanse kerk. De oude middenbeuk werd gevonden alsook de afscheiding tussen hoofd- en zijbeuken. De oostzijde werd onderzocht en nadien zocht men naar de westermuur en het portaal.

Ondertussen kwamen nieuwe leden bij in de kerkraad. Op de eerste zondag van maart 1967 waren het meester Marcel Bekaert, een bekwame onderwijzer van het College, Germain Vervisch en Peceu.
Er was ook Karel Gadeyne. Die kennen wij. Het was onze buur, econoom van het College, die in de processie liep, verkleed als St.-Hubertus. Hij joeg echter op ander wild. De studenten van het.College moeten bij het naar huis keren de rechtstreekse weg nemen. Op straat blijven hangen was verboden. Daarom fietste de econoom als controleur regelmatig doorheen de stad. Met de fiets mocht hij echter de vestingen niet op. Aangenaam voor mij, het was mijn lievelingsweg om naar het College te trekken.
Karel was nochtans een vriendelijke maar toch onderworpen man. Ongehuwd leefde hij met zijn moeder. Een sterke binding? De raad voelde zich verplicht bij het overlijden van Mevrouw op 5 juli 1970, een officieel 'schrijven met rouwbeklag' te sturen naar haar zoon. Hadden de kinderen Ronse dit ook niet moeten doen? Doorheen 'het gat van Madame Gadeyne' had die uiterst lieve vrouw ze zo mooie kinderherinneringen meegegeven.

Gerard Vervisch stierf reeds op 28 november 1969. "Hij mag terecht genoemd worden een man van plicht en trouw aan de Kerk". Op 22 oktober 1970 werd hij vervangen door Theo Van Beselaere.
Louis deed het steeds rustig. Na het aankondigen van de dood van Vervisch schreef de secretaris: "zijn meer vreugdevol de gelukwensen die mogen toegestuurd worden aan onze zeer verdienstelijke voorzitter van de Raad, dit om de viering die hem te beurt viel bij zijn gouden doktersjubileum. De hartelijke felicitaties mogen hem vergezellen met de vurige wensch 'ad multos annos inter nos'".
Louis had nog drie jaren tegoed. Op 25 juli 1973 overleed hij. Het kerkgebouw rouwde als het ware mee: "Overwegende dat een der klokken van de parochiale kerk wegende 770 kg gebarsten is zodat er noodzakelijkerwijze moet overgegaan worden tot het lassen van de klok, heeft de Raad opdracht gegeven aan de Heer A. Deschrevel, lid van de Bisschoppelijke Klokken Commissie voor het opmaken van een ontwerp ter zake".

Uit de familiealbum

40

Dr. Louis Ronse en zijn echtgenote Catherine, in de jaren vijftig, spelevarend op de Leie in Baarle.

41

Het echtpaar Ronse met kleinkinderen (v.l.n.r.) Vincent, Philippe, Veronique en Catherine.

42

Dr. Louis Ronse, ca. 1950, naar een schilderij van Jos Damien.

43

Het echtpaar Ronse onder de appelboom, in de eigen tuin.

Viering van de zeventigste verjaardag van Dr. Ronse door de COO, op 10 maart 1961

44

(v.l.n.r.) Advocaat Delobel, Dr. Louis Ronse, Catherine Ronse, voorzitter notaris de Cock, secretaris Hellebuyck.

45

(v.l.n.r.) Dr. Louis Ronse, Kate Ronse, Dr. Dubrulle, Dr. Deconinck en Dr. Pauwelijn.

46

De gelauwerde chirurg Louis Ronse en zijn dame, tijdens de huldiging door de COO.

47

Ontvangst bij Paus Joannes XXIII

Het gezin van Léon Ronse werd, n.a.v. diens afscheid als diplomaat bij de H. Stoel, in privé-audientie ontvangen bij Paus Joannes XXIII. Vader Louis Ronse (rechts, met paternoster in de hand) vergezelde hen.

48

Gouden bruiloft

Louis en Kate Ronse vierden op 30 januari 1973 hun 50-jarig huwelijksjubileum. Te dezer gelegenheid kwam het ganse gezin nog eens bijeen in de ouderlijke woning aan de Kalfvaart te Ieper. De jubilarissen waren er omringd door hun acht kinderen nl. (v.l.n.r.) achteraan: Mary Ann, lerares (°07.03.33); Edward, orthopedist (°28.05.30); Hubert, psychiater (°12.11.28); Antoine, trappist (°26.04.25); Cécile, gehuwd met industrieel (°07.03.27); Léon, diplomaat (°21.11.23); vooraan: Kitty, bestendig afgevaardigde (02.02.41) en Francis, diplomaat (01.01.39).

Hoofdstuk 24

NAAR HET EINDE...

1. HERFSTTIJ

Louis Ronse had veel tegenslagen gekend. Vooreerst was er de psychisch alles vernietigende 'Groote Oorlog'. Geen academische carrière! Daarop kwam de Lantsoght historie. Hij dacht uit te wijken naar Montpellier. De Tweede Wereldoorlog bracht veel miserie bij maar leverde compensaties op. Uiteindelijk heeft Louis alle ondergane frustraties kunnen verwerken.
De ouderdom gaf hem de rust. Niet dat hij toen inactief bleef. Er waren nog verzetsverenigingen waar hij verantwoordelijkheid nam. Op professioneel gebied had hij echter zijn grote energie behouden. Zijn gezegde "Wij doen voort!" klinkt nog na. Tot veertien dagen vóór zijn dood verrichtte hij met competentie expertises voor verzekeringsmaatschappijen.
Hij ging ook op stap in de natuur. Er was de vaart Ieper-IJzer, er waren de bossen van Hollebeke. Bij het terugkeren nam hij de trein.
Hij verwierf de psychische rust, de tevredenheid met wat hij verwezenlijkt had op professioneel plan. Hij had inderdaad een rijk leven gehad.
Hij kon tevreden zijn over zijn gezin. Hij had zijn vrouw wat verwaarloosd. Nu kwam er een grotere toenadering met haar tot stand. Was zij daarbij enigszins zijn secretaresse geworden? Zij tikte zijn verslagen uit. Hij die graag lekker at, werd door haar ook verwend.
Ook over zijn kinderen moest hij niet klagen. Allen hadden belangrijke sociale posities verworven. Hij die zeer gelovig was had tevens een sympathieke zoon in de Abdij van Orval. Dit oord werd de verzamelplaats van de familie.

2. BLIND

Wanneer heeft Louis kleine ongesteldheden, verkoudheid of griep, vertoond? Op 4 april 1908 kon hij niet naar school toen hij een voordracht moest geven op de ‘academie’ van de rhetorica in St-Barbara.
“A l’ordre du jour il y avait un grand devoir de Mr. Ronse”. De uiteenzetting moest uitgesteld worden.
Hij kon ook niet aanwezig zijn op de avonden van de parochiekring tussen 6 en 20 februari 1911. Op 12 februari 1912 moest hij in die studiekring een voordracht houden over ‘Het Syndicaat’. Hij was er niet.
Wel heeft hij een primo-infectie van tuberculose opgelopen. Hij is nooit zwaar tuberculeus geweest maar heeft in 1941-1942 een tijdje het bed moeten houden. Rond zijn tachtig kende hij een recidief.
Bezorgde collega's schrijven in zulke omstandigheden soms 'paardenremedies’ voor. Gaan zij dan niet met kanonnen op konijnenjacht? Een pneumoloog schreef 'ethambutol' voor, met als gevolg neuritis optica en een gedeeltelijke blindheid.
Lectuur was voor Louis uiterst belangrijk. Het nieuwste in de geneeskunde stond bij hem steeds centraal. Gedaan ermee! Je kan nog wandelen maar dan moet het hart mee kunnen. Ronse is niet gestorven wegens het ‘vele werk’ ook niet door het ‘grote verdriet’ waarmee in levensbeschrijvingen zo graag uitgepakt wordt. Hoe dan ook, een ijverige collega was wel te voortvarend geweest. Hierdoor werden mijn vaders laatste jaren moeilijker.

Eind juli 1973 ontstond in de nacht een acuut longoedeem - het hart begeeft het en je verdrinkt dan in het water dat in de longen stagneert. Wat te doen? Allen zijn wij rond het bed komen staan, luisterend naar de Cheyne-Stokes ademhaling. De voorbode van de dood. Het ademen neemt geleidelijk in intensiteit toe, dan vermindert het - zoals de golven op zee - tot stilte om dan opnieuw te beginnen. Telkens komt dan de vraag: stopt het nu? Nee, het herneemt, en je wacht af.
Na anderhalve dag maakten we een plotse verrijzenis mee:
”J’ai faim!”. Dan werd het wel opname in kliniek. Zoals gewoonlijk geeft het ene orgaan na het andere dan echter verstek. Je zou dan nog kunnen ingrijpen, zelfs chirurgisch - zoals men gedaan heeft bij Franco, bij Tito. Een mens heeft echter het recht zijn eigen dood te sterven.

Louis Alexander Ronse werd geboren te Gent op 6 februari 1891. Hij stierf te Ieper op 25 juli 1973. Een leven dat door twee wereldoorlogen getekend werd. De eerste bracht miserie en al, de tweede hielp hem uiteindelijk op weg naar het geluk. Requiescat in pace.

JMP-Trends © 2017