Kruispunt / Opinie

1/ Het ‘Menu’

Het gebeurde zopas in een gerenommeerd tweesterrenrestaurant van de hoofdstad en het verhaal is afkomstig van de exploitant die ik hier, pro forma, Jan Alleman zal noemen (de brave man heeft er last van dat sommige van zijn klanten, die hem nog niet persoonlijk kennen, aan de telefoon zijn naam verwarren met die van een boosaardig uitziend politicus van het ogenblik).
Jan deed vrij vlug goede zaken en zag dat het goed leven was in België. Na zijn tweede ster, vorig jaar, had hij zijn bedrijf verder uitgebouwd; hij beschikte nu over twee zalen: een grote voor zijn dagelijkse cliënteel en een middelgrote voor ‘speciale gelegenheden’ zoals feesten, huwelijken, conferenties, zakendiners. Hij hoopte met de exploitatie van dit nieuwe luxueuse salon de kosten voor deze uitbreiding wellicht in één jaar te recupereren en wie weet, nog een derde ster te verwerven.
Toen hij, korte tijd na de verkiezingen, een belangrijke reservatie van zijn nieuwe salon mocht registreren, voelde hij zich geflatteerd en bijzonder gelukkig; men had hem zelfs voorgespiegeld dat dit ‘feest’ wellicht meerdere dagen zou duren. Het salon diende wel dag en nacht beschikbaar gehouden te worden. Het ging, zo liet men doorschemeren, om een ‘laatste viering’ ter afsluiting van ‘175 jaar België’ (de langste periode van onafhankelijkheid van onze contreien). Het ‘feest’ moest tevens de aanzet worden tot een splitsing en een soort boedelscheiding, waarvan, zo werd gezegd, “wij allen nóg beter zouden worden. Voor onze Jan was het allemaal niet erg duidelijk, want hij hield zich weinig in met politiek. ‘Als dat maar goed wordt’ meende hij, zonder veel nadenken.
De opdrachtgever, die anoniem wilde blijven, maakte bovendien duidelijk dat de kostprijs voor deze ongewone dienst bijkomstig was en door de overheid zou betaald worden; belangrijk was vooral dat voor, tijdens en na dit buitengewoon diner, uiterste discretie in acht zou genomen worden.
Jan had, in het vooruitzicht van de gastronomische maaltijd(en) die hij hierdoor mocht verwachten, zijn voorraad etenswaren, wijn en champagne flink aangevuld en extra personeel aangeworven. Als goede Belg wou hij eervol zijn opdracht volbrengen.

Toen de eerste genodigden arriveerden, bemerkte onze Jan meteen, dat er enkele hoge pieten bij waren; een paar had hij trouwens reeds vaag op TV gezien, maar hij stelde zich geen vragen. Terwijl het hoge gezelschap zich bij de welkomdronk, aangeboden door het huis, in zijn salon installeerde kreeg hij nochtans ruimschoots de kans om de kopstukken even onder ogen te nemen. Hoewel allen keurig gekamd en gekleed waren, leken deze toch maar een stelletje ongeregeld. De man die blijkbaar de honneurs waarnam scheen de intelligentste maar tevens de onzekerste; hij deed bijzonder zenuwachtig, wreef zich vaak de wang en de neus, keek herhaaldelijk vluchtig om zich heen en woog zijn woorden, als waren ze goud. Hij zag er ook nogal bleek, schuchter, bijna naïef uit; onderdanig, keurig, wel een beetje stroef. ‘Net een gewezen misdienaar’ dacht Jan bij zichzelf. Blijkbaar was een zwaardere, iets oudere man, die voortdurend in de nabijheid van ‘de misdienaar’ vertoefde, diens steun en toeverlaat. Met zijn onbehouwen houding en wat schorre stem was deze duidelijk de feitelijke mentor van het gezelschap. Die was zeker van zijn stuk, zijn woord was evangelie. Hoewel de gesprekken nog maar nauwelijks op gang kwamen, stak hij al lange tirades af, waarnaar de omstaanders met een stijgende verwondering stonden te luisteren. “Da’s de pastoor op zijn kansel dacht Jan alweer. Een derde man van de entourage vertoonde veel gelijkenissen met de mooiprater: zelfde postuur, met een lichte blos op de wangen, maar met nog meer agressiviteit, soms uitpuilende maar geslepen ogen; bovendien lonkte hij al maar in ’t rond. Het schoot Jan meteen te binnen: ‘De jezuïet’. Onmiddellijk daarop werd het hem volledig duidelijk: “Drie handen op één buik.
Zaakvoerder Jan Alleman begon te transpireren en kreeg een bang voorgevoel: ‘Daar komt last van’, opperde hij bij zichzelf. Met groeiende verwondering dwaalden zijn ogen over de andere genodigden, die inmiddels al aan hun derde welkomdrankje toe waren. Er hadden zich ondertussen groepjes gevormd rond de respectieve topfiguren: men kon deze er meteen uitpikken, de tongen waren al wat losgekomen. Er was nog een tweede kliekje Vlamingen in de zaal. Hier was de discussie blijkbaar al volop aan de gang. Toch sloegen ze een wat lager toontje aan dan de eerste groep. De eerste viool was een druk doend, mollig manneke met slimme oogskens, scherpe tandjes en een radde tong. Hij gesticuleerde voortdurend nerveus met zijn korte pootjes. (Onze Jan doopte hem meteen ‘De mol’). In een ander, Franstalig groepje, voerde een wat rustiger heerschap het hoge woord. Onze Jan ontdekte in hem meteen een exemplaar van de ‘beau monde’: ‘deze man is eigenlijk de enige die volkomen past in mijn nieuw salon’, lispelde hij. Hij voelde zich onmiddellijk al wat gerustgesteld. Die man kon het blijkbaar allemaal goed uitleggen en accentueerde zijn trage volzinnen met brede gracieuze gebaren. Hij leek bovendien recht uit een cosmeticazaak te zijn gestapt. Rond hem zweefde een aureool van pommade. Onze Jan besefte het meteen: ‘Richelieu!’. Hoewel, de man in kwestie miste wel de scherpe kantjes van de Franse staatsman; bovendien, ook al deed hij zijn best, in ’t Vlaams was hij niet zo rad van tong. Het schoot Jan door het hoofd: ‘Daar komt heibel van’. Een acoliet van ‘Richelieu’ die zich vanuit de achtergrond voortdurend naar voor wurmde en ostentatief weigerde een woord Nederlands te spreken, jaagde Jans hartslag nog de hoogte in: ‘Als mijn vermeende naamgenoot hier maar niet binnenvalt!’, flitste het hem door het hoofd.
Gelukkig dwaalde Jans blik op dit moment toevallig af naar een andere topgaste, die zich tot dan toe wat opzij gehouden had. Zij gedroeg zich, ondanks haar charmes, wat onwennig in dit hoofdzakelijk mannelijk gezelschap. Toch bleek zij, ongewild, stillekens aan aandacht te winnen bij al dat sterke geslacht. Haar staalharde blauwe ogen en glanzig ravenzwarte haar dwongen onwillekeurig respect af en haar woorden (ook al overwegend Frans) overstemden resoluut het geschnabbel van de ganse meute. ‘Geen twijfel mogelijk’ wist Jan: ‘Madam Thatcher!’.
Op dit cruciaal ogenblik werd Jan vriendelijk maar met aandrang verzocht het salon te verlaten en plaats te maken voor de serieuze dingen. De dubbele deuren werden gesloten en er posteerden zich parmantig M.P’s met rode kepies voor de ingangen. Jan kon zijn ogen niet geloven. Dàt was ernst! En in zijn eigen restaurant! Pas op dat ogenblik vernam hij dat hij tot nader order, als de enige ‘buitenstaander’ was aangesteld, die nog, enkel op uitdrukkelijk verzoek van ‘de pastoor’, zou toegelaten worden tot het salon. Het begon Jan voor de ogen te schemeren, maar hij vermande zich: als patron zou hij op zijn eentje de dienst uitmaken! Zoiets had hij nooit eerder meegemaakt!

Het werd de hachelijkste periode totnogtoe in zijn leven, een droom die hij niet eerder voor mogelijk had gehouden. Niet dat hij zo hard werken moest; slechts af en toe werd op hem een beroep gedaan voor een drankje en een hapje, soms een dagschotel, meer niet; wat later werd er zelfs - voor het gezelschap en voor hem - af en toe een rustdag ingelast. Maar het salon moest onafgebroken ter beschikking blijven en Jan zelf moest steeds stand-by staan wanneer het conclaaf zijn voortgang vond. Dit laatste had Jan - die zelden tijd had om een krant te lezen of TV te kijken en die vanwege ‘de pastoor’ zelfs ‘spreekverbod met om ’t even wie’ gekregen had - al vlug begrepen.

Het leek natuurlijk een geheimzinnig gedoe daarbinnen: telkens hij het salon binnenstapte met een of ander drank of gerecht op zijn schenkbord, verstomden meteen alle stemmen. Toch ving hij bij het binnenkomen toevallig soms wel nog net een of ander woord op; van in de gang hoorde hij ook af en toe het lawaai van hoog oplopende discussies. Na enkele dagen begreep hij reeds dat van een groot banket in zijn salon waarschijnlijk geen sprake meer zou zijn; hij had nochtans al herhaaldelijk de woorden “dikke biefstuk en “grote vis horen vallen. Het gezelschap was dus blijkbaar nog steeds over het menu aan het twisten. Onze Jan kon echter niet snappen dat die hoge pieten blijkbaar - soms tot diep in de nacht - zoveel problemen konden maken over al het lekkers dat hij in staat was hen voor te schotelen. Ze deden hem hiermee wel bijzonder veel eer aan. Hij zou het nochtans allemaal vlot en keurig voor mekaar kunnen krijgen, althans als ze dat echt wilden; maar hij durfde en mocht hen niet aanspreken en zich in hun oeverloze gesprekken mengen. Alleen geduld kon hem redden.

Op een mooie zondag, half november, - die dag had Jan van ‘de pastoor’ net ‘vrijaf’ gekregen - hoorde Jan plots kort voor de middag groot lawaai op straat. Omdat het hem was opgevallen dat de doordeweekse cliënten voor zijn grote zaal langer uitbleven dan naar gewoonte, stak hij toch even zijn neus buiten, om te zien wat er gaande was. Het bleek een grote menigte die stoetsgewijze, in een feestelijke zee van nationale vlaggen, voorbijtrok. De wandelaars - meer dan gewoon stappen was het niet - leken allen opgewekt en vrolijk, zongen uit volle borst de Brabançonne in drie talen en droegen zelfgemaakte opschriften mee waarop zij de liefde voor en de trouw aan België tot uiting brachten. Er waren echter opvallend weinig grote spandoeken te bemerken. Merkwaardig was ook de grote mix van jong en oud. Jan vond het tevens hartverwarmend dat de ‘betogers’ blijkbaar afkomstig waren uit alle hoeken van het land. Hoopvol keek hij tussen de menigte uit naar ‘de misdienaar’, ‘de pastoor’, ‘de jezuïet’, ‘de mol’, ‘Richelieu’ en zijn acoliet, ‘Madam Thatcher’ en de anderen die hem nu al enkele maanden aan ’t lijntje gehouden hadden, maar die waren er niet bij. Ontgoocheld trok hij zich in zijn restaurant terug en mijmerde: ‘Die zal ik niet meer te zien krijgen’.
Maar tot zijn grote verbazing waren ze er na enkele dagen toch terug. Ze leken nu wat vrolijker en milder gestemd dan voordien maar spoedig was de stemming in het salon, waar Jan nog altijd met hapjes en drankjes moest aandraven, weer verbrod. Achter de dubbele deuren hoorde men duidelijk vuisten op tafel slaan en af en toe ‘Madam Thatcher’ luidkeels “Non! Et Non! roepen. ‘Ze gaan hier nog mijn boeltje afbreken’ vreesde hij, maar hij durfde niet tussenkomen; de ‘pastoor’ had immers nogmaals zijn orders van ‘absolute discretie’ gegeven.

Zo gingen weer een aantal weken voorbij, zonder dat het gezelschap het eens geraakte. Onze afgepeigerde Jan was het gedoe in zijn salon ‘spuugzat’; alleen de vage hoop op een ‘happy end’ en een groots banket hield hem nog recht. Dit laatste werd voor Jan zelfs levensnoodzakelijk: aan het gezelschap in zijn salon had hij totnogtoe weinig verdiend en zijn doordeweekse clienteel was wegens al dat geheimzinnig gedoe in het salon ook grotendeels achterwege gebleven. Met wanhoop zag Jan het einde van de maand november naderen. ‘Als er nu niet wat gebeurt, dan haal ik niet eens de lucratieve eindejaarsfeesten jammerde hij.

Plots, de 174e dag, was het zover. Met grommende gezichten droop het hele gezelschap af. In ’t voorbijgaan kon Jan nog net ‘de pastoor’ bij zijn frak pakken. “Ehwel? vroeg hij hem. De man keek hem meewarig aan en zuchtte: “Het Menu.

Bij het verlaten van het restaurant stond een groepje mensen op straat het gezelschap op te wachten. Toen ‘de misdienaar’,’de pastoor’ en ‘de jezuïet’ verschenen, juichten zij.
Jan begreep er niets meer van.
Voor alle duidelijkheid: dit verhaal is geen docufictie, maar een getrouwe weerspiegeling van hetgeen zich in de voorbije weken werkelijk heeft afgespeeld. Enkel het kader hebben wij, om begrijpelijke redenen, enigszins vertekend; Jan Alleman kan om ’t even wie van ons zijn, de namen van de hoofdpersonages kan iedereen er zelf op plakken.
Als de ernst grenst aan het absurde, dan kan alleen nog de humor ons redden.

JMP
05.12.2007
Toon alle berichten in Kruispunt / Opinie
JMP-Trends © 2021