Ultieme Getuigen
Ontsnapping uit inferno

Nadat Duitse vliegtuigen op zaterdagavond 18 mei 1940 in de kustwateren voor Dieppe magnetische mijnen gedropt hadden, werd de haven er door de Franse autoriteiten gesloten. Niemand mocht er noch binnen noch buiten. Talrijke vaartuigen w.o. twee Britse hospitaalschepen, diverse  Belgische staats- en koopvaardijschepen evenals tientallen vissersboten, volgeladen met vluchtelingen, zaten er als ratten in de val.

Niettemin hebben  reder Anselmus Beernaert met zijn houten H.81 Madeleine-Camiel1 en enkele anderen het op maandag 20 mei nog aangedurfd om uit Dieppe weg te vluchten naar het wat verderop gelegen Fécamp.
De (houten) N.50 Heldenhulde2 waagde het die dag om 15 u. eveneens maar moest spoedig terugkeren wegens het zware weer en de talrijke zeezieken onder de  40 vluchtelingen aan boord. Schipper Arthur Calcoen wist niettemin  's anderdaags om 5.30 u. toch te ontsnappen en na een incidentrijke overtocht veilig Brixham te bereiken3.

Op dinsdag  21 mei wou kapitein-reder Maurice Lenaers met zijn (stalen) O.288  Normandie4 eveneens naar Engeland oversteken. Te 15.07 u. waagde hij het erop, vanuit de voorhaven, ondanks het officieel verbod uit te varen. Zijn broer en mede-eigenaar August Lenaers voer veiligheidshalve, met de (houten) O. 312 De Zeester5 voorop. Nauwelijks buiten het hoofd van de pier werd de Normandie door de ontploffing van een magnetische mijn vernield. Niemand van de ongeveer 30 opvarenden - de bemanningsleden en hun familieleden alsook een onbekend aantal vluchtelingen - overleefde de ramp.
August Lenaers heeft met zijn gaaf gebleven O.312 tevergeefs nog naar drenkelingen gezocht en vervolgens zijn overtocht naar Brixham voortgezet. Zijn voorzichtigheid had hem en de andere opvarenden wel het leven gered.

Een drietal andere bemanningsleden van  de Normandie ontsnapten met hun families eveneens aan de ramp. Motorist Gerard Coopman en stuurman Leonard Zonnekein waren bij het vertrek niet tijdig aan boord van de O.288 geraakt. Ze waren immers op zoek naar hun vrouw en kinderen die op eigen houtje, per tram, trein, autostop en te voet uit Oostende achterna gekomen waren. Deze laatsten hadden inmiddels wel de Normandie, kort voor zijn afvaart, bereikt en hadden zelfs aan boord wat kunnen eten en zich verfrissen; de vrouwen hadden echter het aanbod van schipper Maurice Lenaers afgewezen, om met zijn vaartuig naar Engeland te vertrekken: ze wilden hun echtgenoten, die nog steeds naar hen op zoek waren, niet in de steek laten. Beide mannen vonden hun gezinnen uiteindelijk 's avonds terug in de klippen van Dieppe, waar ze na de teloorgang van de Normandie en het daaropvolgend bombardement gaan schuilen waren.

Motorist Gerard Coopman monsterde reeds 's anderdaags, 22 mei, aan op de O.350 Roi Leopold6, waarmee reder Albert Deroo onverwijld naar Engeland wou vertrekken. De stuurman van dit vaartuig, Jacques Deweert, verkoos echter wegens het gevaar van de magnetische mijnen, de oversteek te ondernemen met de houten O.276 Lucienne-Christian7, die verlaten lag aan de kade. Ook de vele vluchtelingen aan boord van de O.350 scheepten in op het 'veiliger' vaartuig.

"Enkel schipper Carbon en mijn vader, met hun beider gezin, zouden de overtocht wagen met de O.350" weet François Coopman. "De schepen vluchtten gezamenlijk uit Dieppe; buiten de 'gevarenzone' zijn wel veel vluchtelingen in volle zee dan toch overgestapt op de O.350. Beide vaartuigen geraakten veilig in Weymouth."

1. 73 BRT, 180 pk, bj.1937
2. 32 BRT, 100 pk, bj.1936
3. Het vissershaventje Brixham, gelegen aan de Westkust van de Lyme Bay, ten zuiden van Torquay, was de voornaamste 'thuishaven' van de Vlaamse vissers. Daar verbleven  tijdens de oorlog ca. 1800 Belgen.
4. De stalen diepzeetreiler O.288 Normandie was een van de modernste van onze vooroorlogse vissersvloot. Hij was gebouwd bij Belliard in 1936, mat 137 BRT en had een motor van 240 pk.
5. 75 BRT, 150 pk, bj.1930
6. 97 BRT, 200 pk, bj. 1936
7. 67 BRT, 150 pk, bj.1930

 

JMP-Trends © 2021